Museumvertier ****

Vandaag wordt het nieuwe museumkwartier in Den Bosch geopend. Architectenbureau Bierman Henket blaast de binnenstad nieuw leven in met twee musea onder één dak en een verrukkelijke paleistuin.

architectuur

Museumkwartier, 's-Hertogenbosch. Architect:

Bierman Henket architecten, Janneke Bierman, Hubert-Jan Henket, i.s.m. MTD landschapsarchitecten.


Opening: vandaag. Museumkwartiershertogenbosch.nl


Op welgeteld één plek in de stad hebben Janneke Bierman en Hubert-Jan Henket, architecten van het vandaag door prinses Beatrix te openen Museumkwartier in 's-Hertogenbosch, zich frivoliteit veroorloofd. Dat is in de smalle steeg De Mortel, te bereiken via een donker poortje. Daar is de voorpui van het Stedelijk Museum, de grootste nieuwbouw in het complex. Boven de ingang (een simpele draaideur) is een meterslange topgevel met ver uitkragende onderdelen die de kromming van de straat aanduiden. Die topgevel is ook bekleed met een soort bubbeltjesmatglas; prachtig spul dat alle daglicht vangt en dan, als pareltjes, weerkaatst.


Maar dit hele architectonische visitekaartje staat dus niet bepaald op een zichtlocatie. Je moet het maar net weten te vinden. Toch schuilt juist hierin de kracht van dit werk van Bierman Henket, dat zo precies op 's-Hertogenbosch is toegesneden.


Dit bureau won in 2005 de eervolle opdracht om twee musea bijeen te voegen. Ten eerste het Noordbrabants Museum, gevestigd in het statige gouverneurspaleis (later provinciehuis) dat moest worden opgeknapt en uitgebreid. Daarbij moest het Stedelijk Museum komen, een gerenommeerd instituut dat dan eindelijk een echte, eigen behuizing kreeg.


Voor die samenvoeging was gekozen vanwege de efficiëntie: bibliotheek, restaurant en techniek worden nu gedeeld. Maar het had een moloch in de stad kunnen worden, en daar verzonnen Bierman Henket iets beters op.


Zeker, ze gaven 's-Hertogenbosch een enorme verrijking van de museale mogelijkheden. Het Noordbrabants Museum voldoet nu aan de hoogste eisen die de rijke collecties uitnodigend en toegankelijk maken. En vooral het nieuwe Stedelijk Museum is een aanwinst, met een blackbox-zaal die onbeperkt kan worden heringedeeld; een majestueuze wenteltrap als architectonisch meesterstuk, en immense houtsculpturen van de Braziliaanse gebroeders Campana waarin een balie, een auditorium en een omvangrijke museumwinkel zijn verhuld.


Maar het belangrijkste van dit ontwerp is toch, hoe de architecten het hebben aangegrepen om een heel stuk van de binnenstad nieuw leven in te blazen. Niet alleen is alle nieuwbouw zorgvuldig in de oude straten gevlochten. De oude stad is ook dwars door de musea heen geweven. De eeuwenoude paleistuin, voorheen alleen bereikbaar als deel van het Noordbrabants Museum, is nu als hart van het Museumkwartier een vrij toegankelijke pleisterplaats.


Eerlijk is eerlijk: de basis voor het Museumkwartier werd al gelegd in 1987 toen architect W.G. Quist het provinciehuis verbouwde tot Noordbrabants Museum. Quist al voegde, achter in de paleistuin, een paviljoen met nieuwe zalen toe die hij via een tuingalerij met het hoofdgebouw verbond. De tuin werd toen dus al bij het museum getrokken, temeer omdat Quist aan de overkant van zijn paviljoen, een restaurant situeerde in een 19e-eeuwse uitbreiding van het provinciehuis (de griffie).


Bierman Henket borduurde hierop voort, door de paleistuin openbaar te maken. Het is nu een verrukkelijk park. Briljante vondst was bovendien een tweede, brede tuingalerij, aan de tuinkant van het griffiegebouw toe te voegen. In die griffie zelf is bijna alles ondergebracht wat de musea delen: techniek, kantoren, restaurant. Ook is hier de Stichting Erfgoed Brabant gevestigd, en het depot van het Provinciaal Bureau voor Bodemvondsten. Maar het is die tweede tuingalerij die dit alles bij elkaar houdt, en ook nog met de rest verbindt. Dit is een hoofdas tussen beide musea, een droge doorsteek voor de wandelaars die het museumkwartier willen doorkruisen. Het is een riante hal voor de oude Statenzaal (nu vergaderruimte), en een lounge van het restaurant.


Bierman en Henket hebben niet geprobeerd één architectonisch geheel te maken. Bij een oude binnenstad past variatie. Tegenstellingen zijn versterkt. Het vroegere Gouverneurspaleis herkreeg zijn oorspronkelijke glorie. Ook de Statenzaal heeft weer zijn oude sfeer: dankzij een nieuw parket en een stoffen wandbehang. Het lastigst was om bij de vleugel van Quist aan te sluiten. Toch moest dat gebeuren, want ook het Noordbrabants Museum vroeg om een forse uitbreiding, met twee extra zalen. Het ragfijne modernisme van Quist laat zich niet makkelijk evenaren maar Janneke Bierman is er in geslaagd. Dat toont zich binnen al, waar de nieuwbouw naadloos aansluit op het bestaande paviljoen en ongeveer dezelfde shed-daken kreeg. Maar om echt te zien welke prestatie hier is geleverd, moet je de stad ingaan, het museumkwartier uit. Quists paviljoen, hoe mooi ook binnen, was daar aan de buitenzijde een gesloten blok. Dat leek niet erg, het gebeurde in de Beurdsestraat, een uithoek van het stadscentrum waar al veel stadsschoon was verpest. Maar Bierman liet het daar niet bij zitten, en maakte van haar nieuwe zaal wel een sieraad voor dit straatje.


Voorzover de gevel dicht is, kreeg deze subtiel variërend metselwerk. Ook heeft het een hoekraam dat doorzicht biedt, en zaagtanddaken met robuuste welvingen. Maar het mooiste is nog wel dat er vijf huizen aan zijn toegevoegd, puur om de stad voor doodse achtergevels te behoeden. In de Beurdsestraat volgen de huizengevels secuur de ronding van het straatje, en op de aangrenzende Weverplaats wordt dit nog afgemaakt. Daar gaan de huizen de hoek om en omzomen zo een gloednieuw plein.


Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch en Noordbrabants Museum.

Vanaf zaterdag 25 mei (die dag gratis), sm-s.nl; noordbrabantsmuseum.nl


Het is een verrassende ontmoeting. De romantische dierschilderijen van Henriëtte Ronner-Knip, van honden en poezen, met een vacht zo fijn dat je ze zou willen aaien. En de ontplofte keramiek van Betty Woodman - een krankzinnige poging om vorm en inhoud, schaal en Thaise soepschildpad, te verenigen.


Het werk van Ronner-Knip (1821-1909), afkomstig van de 19de-euwse, Noord-Brabantse kunstenaarsdynastie Knip, bevindt zich in de collectie van het Noordbrabants Museum. Dat van de wereldberoemde Amerikaanse beeldhouwer Woodman (1930) is van het Stedelijk Museum 's- Hertogenbosch. Dat deze extreme kanten van de kunstgeschiedenis nu onder een dak zijn te zien, is te danken aan de samenvoeging van deze twee musea in het vernieuwde museumkwartier van Den Bosch.


Zo'n tien jaar geleden ontstond het idee: beide musea waren uit hun gebouw gegroeid en op zoek naar andere huisvesting of uitbreiding, en rond het Noordbrabants Museum kwam ruimte vrij. Kunnen we misschien samen, met gedeelde voorzieningen en functies, zoals de bibliotheek, de tuin en de beveiliging, met behoud van de eigen identiteit?


Vanaf zaterdag is het nieuwe museumcomplex open, het Noordbrabants Museum met een eigen ingang aan de ene kant, het Stedelijk met een eigen ingang aan de andere kant, verbonden door gangen en hallen. Dat beide musea eraan hechten hun eigen identiteit te houden, is op zich logisch. Ze hebben elk een eigen collectie, een eigen taak, een eigen visie, een eigen publiek.


Daarbij is de collectie van het Noordbrabants Museum in zijn combinatie van objecten en schilderijen, van kunst, geschiedenis en cultuur, vergelijkbaar met die van het Rijksmuseum, maar dan op regionaal niveau. Het Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch kijkt over de grenzen van Brabant heen, en richt zich op nationale en internationale hedendaagse beeldende kunst, in het bijzonder design.


Anders dan het Rijksmuseum kiest het Noordbrabants Museum in zijn museumdeel niet voor een doorlopend, chronologisch verhaal over de geschiedenis van Brabant. Het kiest voor een diversiteit aan verhalen, op uiteenlopende manieren opgediend, in zalen met veel uitzicht en met zo min mogelijk tussenschotten. Omdat het museum hecht aan educatie, heeft elke zaal een digitaal informatiebord.


Soms wordt de vaste opstelling gepresenteerd als een kleine thematentoonstelling, met schilderijen van drie generaties Knip of met Brabantse genrestukken, prachtig traditioneel opgehangen in de rijkgedecoreerde huiskamers en salons van het voormalige paleis. Ook de grafgiften en bodemvondsten uit de Romeinse tijd zijn thematisch geordend, terwijl de moderne tijd, met schilderijen van Jan Sluijters tot René Daniëls chronologisch is opgesteld. In de Brabantzaal, die later dit jaar opengaat, komt een mix van hoogte- en dieptepunten uit het Brabantse verleden, van de Daf tot de schilderijen van Van Gogh.


Ook in de wisseltentoonstellingen, in nieuwe grote daglichtzalen, zoekt het museum de breedte op van de Brabantse cultuur, met tekeningen van de 17-de-eeuwse schilder Pieter Saenredam over Den Bosch, en een overzicht van designerduo Kiki van Eijk en Joost van Bleiswijk.


Zo komt een rijkgeschakeerd beeld van Brabant tevoorschijn, geschikt voor een groot publiek met verschillende smaken. Maar doordat de keuze voor de presentatiewijze en de volgorde van de deelcollecties niet altijd even duidelijk is, ligt ook fragmentatie op de loer.


Vergeleken met het drie keer zo grote Noordbrabantse Museum heeft het Stedelijk Museum 's-Hertogenbosch in zijn nieuwe, van de buitenwereld afgezonderde whitecubezalen een scherpere keuze gemaakt. De vaste opstelling zoomt in op de sterkste kant van de collectie - keramiek en sieraden. Die liggen in op elkaar gestapelde perspexdozen, thematisch geordend en in tijd dwars door elkaar - tegels van Picasso naast een bord van Theo van Doesburg, met een sensationele kijkervaring als gevolg. Ook in de zaal voor tijdelijke tentoonstellingen stuurt het museum aan op een andere blik, door vooraanstaande ontwerpers hun inspiratiebronnen te laten tonen, à la Zomergasten op televisie. De eerste, sieradenmaker Ted Noten, maakt geen onderscheid tussen een gedicht van Charles Bukowski of de Anal Kisses van Wim Delvoye, van lippenstift op hotelpapier, en tornt aan gevestigde kaders.


De grote winst van deze twee musea onder één dak is dat hun blikken en collecties elkaar aanvullen en verrijken, met design als gedeelde interesse, en dat de traditionelere opzet van de een de drempel kan verlagen naar de eigenwijzere opzet van de ander.


Nog verrassender zou het zijn, als beide musea uit hun territorium komen, en elkaar, al is het maar af en toe, in een gezamenlijke ruimte ontmoeten, hun visies en hun publiek botsend of versmeltend.


Dat kan makkelijk in de toekomst. De zalen zijn flexibel genoeg.


Extra: Twee onder één kap

Het idee om de twee belangrijkste musea van Brabant samen te voegen ontstond tien jaar geleden. Het Noordbrabants Museum is gevestigd in het statige gouverneurspaleis dat moest worden opgeknapt en uitgebreid. Daarbij moest het Stedelijk Museum komen, een gerenommeerd instituut dat dan eindelijk een echte, eigen behuizing zou krijgen. De musea delen bibliotheek, restaurant en techniek. Het had een moloch in de stad kunnen worden, maar daar verzon architectenbureau Bierman Henket iets beters op. Niet alleen is alle nieuwbouw zorgvuldig in de oude straten gevlochten. De oude stad is ook dwars door de musea heen geweven. De eeuwenoude paleistuin, voorheen alleen bereikbaar als deel van het Noordbrabants Museum, is nu als hart van het Museumkwartier een vrij toegankelijke pleisterplaats.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden