Museumdirecteur is nog geen cultureel ondernemer

Melle Daamen hield deze week een sympathiek pleidooi voor straffe internationale samenwerking door Nederlandse musea, meent Giep Hagoort. Maar hebben museumdirecteuren daarvoor de juiste kwaliteit?...

DE INTERNATIONALE samenwerking van de Nederlandse museumsector, zoals bepleit door Melle Daamen tijdens zijn nieuwjaarstoespraak (Forum, 3 januari), is mij uit het hart gegrepen. Nu is Daamen als directeur van de Mondriaan Stichting een van de sleutelfiguren in de culturele sector, wat de vraag oproept waarom die samenwerking niet allang gestalte heeft gekregen.

Centraal in zijn bijdrage staan de diverse buitenlandse voorbeelden (Guggenheim in New York met filialen in Europa, de Hermitage in St.-Petersburg). Momenteel zijn er samenwerkingsverbanden met buitenlandse musea maar deze zijn te ad hoc gericht op tentoonstellingen en minder op duurzame samenwerking of fusie, zo oordeelt Daamen. Hij vindt deze samenwerking met name van belang om sterker te kunnen concurreren op de vrijetijdsmarkt, die steeds meer mondiale trekken vertoont.

Wat Daamen over het hoofd ziet, zijn de barrières die een ferme internationalisering van de culturele sector in de weg staan. Vooralsnog zie ik twee pijnpunten. Allereerst de actuele Nederlandse cultuurpolitiek. Bij de kunstenplanning 2001-2004 heeft de politiek zich druk gemaakt over de subsidiëring van de afzonderlijke instellingen en bleef een integraal sectorbeleid onuitgewerkt. Het is een groot raadsel waarom de econoom en staatssecretaris voor Cultuur Rick van der Ploeg dit onderwerp links heeft laten liggen ten voordele van microbeleid (met name het aantal jongeren per voorstelling en het aantal vrouwen in kunstbesturen).

Bij een integrale benadering van de culturele sector kom je uit op een Europese en mondiale schaal en ontwikkel je stimulansen in een richting zoals door Daamen bepleit. Kortom, het Nederlandse cultuurbeleid is in de kern nog sterk 'klein-Hollands' gericht, waarbij weliswaar internationale uitwisselingen een kansje krijgen, maar verdergaande vormen onuitgewerkt blijven. Ook de Raad voor Cultuur levert op dit punt geen innovatieve bijdrage, gezien zijn negatieve reacties op een aantal interessante Europese initiatieven (bijvoorbeeld van de Moving Academy for the Performing Arts).

Ten tweede: de kwaliteit van Nederlandse (museum)directeuren. Boven twijfel staat hun vakinhoudelijk oordeel en inzicht. Veeleer heb ik kritiek op hun competentie als cultureel ondernemer. Cultureel ondernemers brengen niet alleen met passie hun culturele missies voor het voetlicht, zij zijn ook voortdurend bezig met het bouwen van nieuwe culturele infrastructuren.

Niet als modegril of hobby maar als antwoord op de vele veranderingen die hun omgeving kenmerken. De digitale revolutie, het samengaan van kunst en entertainment ('artainment') en het mondialer worden van de culturele toeristenindustrie verlangen een dergelijk ondernemerschap. Wat dit betreft zal in de nabije toekomst veel energie gestoken moeten worden in het ontwikkelen van wat genoemd kan worden de interculturele (inclusief internationale) competentie van directies van culturele instellingen.

Deze competentie verlangt een bredere en tevens diepgaander scholing dan de traditionele kunsthistorische of cultuurwetenschappelijke vorming van nu. De knop moet dus om bij cultuurpolitici en directies van musea en overige culturele instellingen.

Eerst dan ontstaat de internationale samenwerking die Melle Daamen voor ogen staat. Ik kan me niet voorstellen dat Daamen als sleutelfiguur in de culturele sector de door mij genoemde pijnpunten over het hoofd heeft gezien en in feite blijft steken op het niveau van 'vriendelijke suggesties'. Waarom noemt hij de pijnpunten dan niet?

Hier raken we een meer algemeen aspect: in de culturele sector vormt men een gesloten front zoals we dat ook kennen in de agrarische sector. Voor de buitenstaander is de bestaande culturele sector een gesloten circuit waarin men elkaar niet echt bekritiseert en waar de noodzaak van verandering nauwelijks kan doordringen.

Ik verwacht veel van culturele, internationaal georiënteerde initiatieven van buiten (evenementenbureaus, centra als Ahoy, Jaarbeurs, RAI) die de sector gewoonweg dwingen transparanter te worden en culturele competitie doen aanwakkeren, waardoor belangwekkende vormen van internationale samenwerking - ook binnen het nu gesloten deel van de culturele sector - sneller tot stand komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden