Murray en Simmons geven bekende onbekende trekken

Sunny Murray/Sonny Simmons Untouchable Factor Quartet. SJU Jazzpodium, Utrecht. Herhaling: Bimhuis, Amsterdam, 30 mei (met Misha Mengelberg)...

In de geschiedenisboekjes wordt vaak beweerd dat Sunny Murray (1937) de traditionele rol van de slagwerker als aangever van de maat heeft losgelaten. Dat is vreemd, want weinig drummers besteden zo veel aandacht aan het tempo als deze Amerikaanse drummer. Hij daagt zijn collega's uit op het simpelste niveau van de ritmiek, met versnellingen en vertragingen, die een sleutelrol vervullen in het onweerstaanbaar golvende effect van zijn spel. Dynamiek en klankdichtheid hanteert hij net zo.

Die werkwijze maakt dat Murray ook nog radicaal klinkt als hij bekende technieken toepast, of het nu een tjsing-a-tsjing-effect op het bekken is, of melodische tom-tomfiguren die ontleend zijn aan West-Afrikaanse bata-drums. Daarbij toont hij een gevoel voor swing dat zó relaxed is dat het vrijwel in horizontale positie verkeert. Sunny Murray ligt te swingen.

Deze maand is Murray op tournee met een andere jazzprovo uit de jaren zestig: de Amerikaanse saxofonist Sonny Simmons. Ze worden bijgestaan door de Duitse pianist Alexander von Schlippenbach en de Franse bassist François Moutin.

Sonny Simmons, wiens carrière een onvoorziene opleving doormaakt, heeft er net als Murray een handje van het bekende onbekende trekken te geven. In Utrecht speelde hij bebopstukken op tenorsax, met de toeterende frasen van jaren veertig rhythm 'n' blues, en een groot, klagend geluid dat herinnerde aan negentiende-eeuwse, Afro-Amerikaanse field hollers.

Op altsaxofoon combineerde hij Charlie Parkers snelheid en vloeiende articulatie met een vrij zwevende harmonische opvatting, die weinig te maken had met de voorgeschreven complexiteit van de bebop.

Soms speelde hij zó ver voor de maat uit, dat het klonk alsof hij er een oversloeg. En eenmaal schakelde hij van een verwilderd laat-Coltrane-collectief onmiddellijk over op een betoverende versie van de ballad Body and Soul.

Die afwisseling van jazz-standards en vrije geïmproviseerde overgangen typeerde het hele concert. Zodra het kwartet een rechte lijn leek te gaan volgen, boog een van de muzikanten af - bijvoorbeeld naar een idee dat enkele minuten geleden nog verworpen was.

Alexander von Schlippenbach speelde de eerste maten van Monks Bye-Ya (er zit veel Monk in Schlippenbachs geplette akkoorden, zij het niet in zijn neiging alle gaten te vullen), in een stevig tempo dat Murray meteen terugbracht tot een trage shuffle.

Schlippenbach reageerde door het tempo te verdubbelen - en zo groeide het stuk verder, steeds schakelend tussen een trage polsslag en een halsbrekende vaart, soms midden in een zin. Bij Murray zijn deze wisselingen opzet. In een stuk voor solo-slagwerk met wisselende maatsoorten was zijn timing strak en zeker.

Op het SJU Jazzpodium dienden zich meer momenten aan waarin conflicterende tempo's en inzetten de groep op de rand van een desastreuze botsing brachten, maar de muzikanten wisten steeds behendig aan de ramp te ontkomen.

Met uitzondering van Murray misschien werd er door de kwartetleden ook wel eens naast geschoten. Maar de groep slaagde in alles wat ze ondernam, en dat was nogal wat.

Dat deze ad hoc-groep het voor elkaar kreeg, bewijst nog eens dat er een grote gemeenschap van muzikanten bestaat die op een persoonlijke manier alle mogelijkheden benutten die de jazz heeft opgeleverd, van bebop tot vrije improvisatie.

Ook al beweren sommige conservatieve geesten dat juist deze muzikanten geen benul van traditie hebben of zelfs beunhazen zijn.

Kevin Whitehead

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden