Mr. koolmees is de nieuwe huismus

In aantallen wint de mus het nog nipt. Maar die gezellige koolmees springt wel vaker in het oog. Dat is mede te danken aan onze vetbolletjes. Lofzang op supervogel.

Ach, daar is hij weer: supervogel. Het pinda-netje hangt nog niet, of hij buitelt er al aan, nieuwsgierig, nauwelijks mensenschuw, en behendig. En hij is ook nog eens mooi: groen-geel-zwart, de mannetjes met een brede, zwarte stropdas, de vrouwtjes met een bescheiden, elegant sjaaltje. En dan zijn geluidenrepertoire, dat wel veertig varianten kent. 'Titituu' of 'tituu' klinkt het vaak, maar ook 'pienk pienk' of 'si si sirr', afhankelijk van het vogelboekje dat je er op naslaat.


Supervogel is een overlever, geen probleemvogel. Dat maakt hem bijzonder in een tijd dat er veel probleemvogels zijn. Misschien wel 600.000 paar zijn er, de aantallen zijn binnen een paar decennia verdubbeld. Dat komt door het toegenomen bosareaal, door het ouder worden van bossen in Flevoland, en door ons - door de explosie van voedertafels en nestkastjes in de afgelopen vijftien jaar.


Dat maakt supervogel ook bekend. En geliefd. Geen vogel die zich zo dankbaar opstelt, die zich onze koester- en manipuleerdrang zo graag laat welgevallen. En beloont: met gezellig getuimel, met zichtbare aanwezigheid.


Was het voorgaande een raadseltje, dan was het wel een makkelijk raadsel. Het gaat hier natuurlijk over de koolmees, de Parus major. Vermoedelijk de bekendste vogel van Nederland. Die status heeft hij overgenomen van de huismus. De huismus zal weliswaar in aantallen ook dit weekend weer bovenaan staan bij de nationale tuinvogeltelling, maar de koolmees wordt op veel meer plekken gezien, in zeker 80 procent van de tuinen.


Dat is bij de huismus wel anders - die is grotendeels verdwenen uit de grote steden. Waar hij gezien wordt, is het gelijk in grote aantallen, want de huismus is een kolonievogel, hij leeft in groepen en dat maakt hem direct kwetsbaar in stad of nieuwbouwwijk; vindt maar eens onderdak voor zo'n hele kolonie tegelijk, in die veel te goed geïsoleerde huizen van nu. En dan is de huismus ook nog eens afhankelijk van voedsel op de grond.


Nee, dan de koolmees. Geef hem en haar een nestkast of een boomholte en ze vinden in een omtrek van dertig meter alles wat ze nodig hebben om in het voorjaar gemiddeld zes tot negen eieren te leggen en uit te broeden, en om de jongen te voeden. Supervogel is bovendien creatief; als het moet, broedt hij ook in brievenbussen, in een gieter of in een lege tank van een sloopauto.


De koolmees haalt voedsel - insecten - uit de boomkruinen. En in de winter, als er nauwelijks insecten zijn, verandert hij in een zaadeter, zijn maagdarmstelsel past zich gewoon aan; een biologische bijzonderheid van de koolmees. Daarom is hij ook geen trekvogel, dat is simpelweg niet nodig.


Toch waren er vijftien jaar geleden ook zorgen over de koolmees. Er verschenen verontrustende berichten naar aanleiding van de klimaatverandering; de rupsenpiek, waarvan koolmezen in het voorjaar afhankelijk zijn, kwam almaar vroeger in het jaar te liggen. Het gevaar dreigde dat rupsen alweer verdwenen waren als de koolmeesjongen geboren werden en gevoed moesten worden.


Inmiddels ligt de jaarlijkse rupsenpiek gemiddeld drie weken vroeger dan veertig jaar geleden. En al gingen koolmezen gemiddeld ook vroeger broeden, ze kunnen het tempo van de veranderingen inderdaad niet helemaal bijbenen. Maar wat bleek vorig jaar: het maakt vooralsnog weinig verschil. Want koolmezen krijgen zo veel jongen dat het niet uitmaakt als een deel ervan het niet overleeft.


Sowieso komt namelijk ieder jaar een groot deel van het nageslacht om, vanwege de onderlinge competitie. Wanneer er veel jonge mezen uitvliegen, leeft slechts een van de tien jonge koolmezen in het tweede jaar nog. Wanneer er minder uitvliegen, is de overlevingskans iets groter, zodat er toch weer bijna evenveel nieuwe broeders zijn. Deze buffer geeft de populatie meer tijd om zich genetisch aan te passen aan het veranderende klimaat.


Het is diepgaand onderzocht. Dat is een andere bijzonderheid van de koolmees: omdat hij zo gewoon is, zo veel voorkomt en als holenbroeder zo gemakkelijk te volgen is, is hij een geliefd onderzoeksobject voor wetenschappers.


Dat onderzoek begon in Nederland al in 1910, toen de Wageningse wiskundeleraar Gerrit Wolda 110 nestkastjes ophing op het landgoed Oranje Nassau Oord in Wageningen. In schriftjes hield hij precies bij wanneer zij nestelden, wanneer en hoeveel eieren ze legden en hoeveel jongen ze kregen. De Plantenziektekundige Dienst kreeg interesse in het werk van Wolda: met zijn koolmezen werd de rol van insectenetende vogels op de bestrijding van insectenplagen onderzocht.


Het werk van Wolda werd later overgenomen door H. Kluyver, in 1954 de eerste directeur van het Instituut voor Oecologisch Onderzoek, dat later opging in het Nederlandse Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW). Het koolmezenonderzoek ging door en werd uitgebreid; er zijn nu vier onderzoeksbossen in Nederland met nestkasten voor koolmezen die sinds 1955 worden bijgehouden.


'We doen permanent buurtonderzoek,' aldus Marcel Visser, hoogleraar ecologische genetica, die zich inmiddels twintig jaar met koolmezen bezighoudt. In Leiden, Groningen en Wageningen volgen tientallen onderzoekers en studenten al jaren koolmezen. Engeland volgde eind jaren veertig het voorbeeld van Nederland - bij Oxford is ook een onderzoeksbos - en inmiddels zijn er alleen al in Europa rond de vijftig onderzoeksgroepen die met koolmezen werken.


Lage stem

En behalve dat de koolmees al eens diende om de effecten van de zure regen op vogels aan te tonen - de koolmezen legden eitjes met een aantoonbaar dunnere schaal, waardoor kuikens eerder stierven - weten we inmiddels veel meer over de modelvogel zelf. Dat koolmeesmannetjes in de stad hoger en harder zingen dan in het bos bijvoorbeeld, om boven de lage tonen van het verkeerslawaai uit te komen. En dat terwijl vrouwtjes mannetjes met een lage stem aantrekkelijker vinden. Dat verklaart dan weer mogelijk het feit dat vrouwtjes in een drukke omgeving minder eieren leggen, zoals bleek uit Leids onderzoek.


Japanse wetenschappers toonden aan dat koolmezen elkaar met specifieke geluiden waarschuwen voor verschillende roofdieren. Als er slangen in de buurt waren, produceerden ze een hoge piep, lagen er kraaien of marters op de loer dan sloegen ze alarm met een lager gekwetter.


Tsjechische onderzoekers vonden een verband tussen het uiterlijk van de moeder en de gezondheid van de jongen; het gewicht van de jongen was te relateren aan de grootte van de zwarte borststreep van de moeder, het immuunsysteem van de jonkies was beter naarmate de veren op de wangen van de moeders witter waren.


De aantrekkelijkheid van koolmeesmannetjes wordt vooral bepaald door de breedte van de borstband - koolmezen kunnen meer kleuren onderscheiden dan mensen - al speelt de zang ook een rol. Monogamie onder koolmezen is zeldzaam. Als het mannetje even niet oplet, begint het vrouwtje een buitenechtelijke relatie. In veel nesten liggen wel een paar eitjes van een andere vader dan de sociale partner.


Waarom vrouwtjes dat doen, is nog niet bekend. Mogelijk omdat de buitenechtelijke partner aantrekkelijker is, maar het kan ook zijn dat het vrouwtje het risico wil spreiden. Hoe dan ook: uit onderzoek bleek ook dat vrouwtjes vaker vreemdgingen als hun eigen partner qua karakter op hen leek.


Met de gezelligheid die mensen ervaren als ze koolmezen rond een nestkast zien valt het in werkelijkheid fiks tegen. Van harmonie is geen sprake, sterker: het gezinsleven hangt van conflicten aan elkaar. Jonkies maken ruzie over wie de rups krijgt, vrouw en man sporen elkaar voortdurend aan om harder te werken, en de jongen willen van hun ouders meer voedsel. En dat terwijl harmonie in het nest zo belangrijk is voor het voortplantingssucces van de kinderen. Wat daarbij helpt, zo ontdekte de Groningse bioloog Reinder Radersma, is een evenwichtige gezinssamenstelling, met evenveel broertjes als zusjes. Want broertjes en zusjes onderling ruziën vaker, en dat kost energie.


Persoonlijkheid

Dat de vriendelijkheid van de koolmees nogal tegenvalt was al bekend. Een bonte vliegenvanger kan het beter niet wagen om de nestkast of boomholte van de koolmees te betreden; wordt hij betrapt dan brengt hij het er doorgaans niet levend af. In Finland zijn koolmezen gevonden die sijsjes buitmaken en hun hersens opeten, van andere plaatsen is bekend dat koolmezen vleermuizen die in winterslaap zijn uit hun grot slepen en opeten.


Relatief nieuw is het persoonlijkheidsonderzoek naar koolmezen. Kees van Oers van het NIOO-KNAW onderscheidde grof gezegd twee typen karakter: de lefgozers en de kat-uit-de-boomkijkers. In een lege ruimte met vijf palen bij het NIOO-KNAW werden koolmezen getest. De behoedzame koolmezen kozen dan een bepaalde paal uit en bleven daar tien minuten rustig zitten, de 'snelle' koolmezen sprongen direct van paal naar paal. Dat is vergelijkbaar met, zoals Marcel Visser het uitdrukt, iemand die op een verjaardagsfeestje eerst rustig gaat zitten om de situatie in zich op te nemen en iemand die direct met iedereen gaat praten en roept: waar is het bier.


De lefgozers, zo ontdekte Van Oers, waren ook agressiever tegen buren. En bij het inbrengen van een vreemd object in hun directe omgeving - een pink-pantherpoppetje - begonnen ze er meteen op in te hakken, terwijl de voorzichtige koolmezen juist afstand hielden.


Het opvallende was: de lefgozers hebben niet altijd meer succes. Grofweg wonnen sommige dominante dieren het wel in de hiërarchie, maar de lefgozers die het aflegden in de strijd met hun medelefgozers bungelden vervolgens juist helemaal onderaan in de groep, nog onder de behoedzamen. 'Ja', zegt Van Oers, 'de parallel met hoe het bij mensen werkt, is groot.'


Vorig jaar stelde de onderzoeksgroep van Marcel Visser samen met onderzoekers van Wageningen Universiteit het genoom van de koolmees vast. Dat maakt het bijvoorbeeld mogelijk om via een selectieprogramma vroege broeders (dat blijkt uit de genen) met elkaar te kruisen, om zo nog vroeger broedende koolmezen te krijgen. Datzelfde gebeurt met laat broedende koolmezen. Uiteindelijk gaan Visser en zijn medewerkers kijken welke mezen zich het best aanpassen aan het veranderende klimaat.


Er ontstond vorig jaar enige ophef over het selecteren van de zogeheten 'supermees', vooral toen bleek dat een klein aantal vogels ook werkelijk wordt uitgezet in de natuur om te zien hoe ze zich handhaven. 'Maar', zegt Visser, 'eenmaal in de natuur gaan de mezen gewoon weer in de massa op, binnen de kortste keren paren ze met hun tegenpool en zijn hun jongen weer gemiddelde mezen.'


Belangrijk vraag: gaat de koolmees dit weekend de huismus in aantallen naar de kroon steken bij de nationale tuinvogeltelling? De vooruitzichten zijn niet gunstig, meent Marcel Visser. Want het is een zachte winter en een goed beukennotenjaar. Dat betekent weliswaar dat er heel veel koolmezen zijn - ook dat verband is bekend uit onderzoek - maar die blijven liever in het bos, waar nu voedsel genoeg is, dan dat ze naar tuin of stad trekken.


Want ondanks al onze inspanningen om het de koolmees naar de zin te maken met vetbolletjes en nestkastjes, houdt de vogel een voorkeur voor het bos. Daar zitten in het voorjaar, als er veel voedsel nodig is, de rupsen van de kleine wintervlinder op de eiken.


Marcel Visser vraagt zich zelfs weleens af of het bijvoeren van koolmezen in de stad wel verstandig is. 'In de winter overleven er daardoor meer koolmezen, maar dan blijkt in het voorjaar, als ze gaan broeden, dat het voedselaanbod niet is afgestemd op zoveel mezen. En dan is het al te laat om de stad nog te verlaten.'


DE FAMILIE MEES

Koolmees (Parus major)

14 cm. Grootste mees. Zeer algemeen. Kop zwart, witte wangen, brede zwarte borststreep, onderdelen geel, bovendelen groen.


Pimpelmees (Parus caeruleus)

11,5 cm. Kleiner dan koolmees.


Beweeglijk. Opvallendste kleuren: blauw en geel. Zeer herkenbaar aan felblauw petje.


Staartmees (Aegithalos caudatus)

14 cm. Bolletje met opvallend lange staart. Meestal in groepjes. Zwart-wit-roze.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden