Mr. Bitter Sweet

The Veils, vaak de beste festivalact, maar onbekend. Zaterdag op Into the Great Wide Open, nu het woord aan zanger Finn Andrews.

Tegen de zwarte achtergrond viel hij nauwelijks op, maar op de hoes van het tweede album van The Veils, Nux Vomica (2006), was hij er ineens: de platte, zwarte hoed op het hoofd van Finn Andrews. Het werd zijn handelsmerk, in combinatie met zijn grote, melancholieke en helblauwe ogen en zijn opvallende mond, die zijn gelaat wat androgyn maakt. En die hoed, dus. Dát is het beeld van The Veils, de band waarin frontman Andrews (31) het enige lid van het eerste uur is.


Je ziet hem van verre aankomen: ranke gestalte, gedistingeerd maatkostuum onder Zorrohoed, wandelend door de Londense buurt Bloomsbury. Pub annex restaurant The Norfolk Arms is zijn favoriete ontmoetingsplek: zijn moeder was er serveerster in de tijd dat ze zijn vader ontmoette. Samen bewoonden ze een kraakpand, even verderop. Finn kwam hier als baby al. Het personeel kent hem. Hij bestelt bronwater en tapas.


'Kom je naar Vlieland voor het Into The Great Wide Open festival?', wil hij weten. 'Mooi zo. We kijken ernaar uit.'


Het Nederlandse festivalseizoen begon en eindigde met The Veils: Motel Mozaïque in april, Lowlands in augustus, Into The Great Wide Open in het komende weekeinde. Voor maart 2014 staan cluboptredens in Eindhoven en Amsterdam gepland, allemaal ter ondersteuning van het prachtige vierde studioalbum: Time Stays, We Go.


'Nederland is vanaf het begin goed voor ons geweest', zegt hij. 'We spelen er vaak. En graag.' Op al die Nederlandse festivals is The Veils weliswaar niet de meest exclusieve naam, maar ze verzorgen wel steevast een van de gepassioneerdste optredens.


Hits hebben ze niet en feestmuziek maken The Veils allerminst (Andrews zingt over dood en vergankelijkheid), maar desondanks is het een fijne festivalband. Zo'n groep die troost biedt met optredens zo intens dat het publiek wordt opgetild door de muziek, als bij Arcade Fire: groots klinkende, melodieuze indierock, de gitaarlijnen niet zelden gelardeerd met toetsen of blazers. Vertwijfeld gezongen coupletten zwellen aan en stormen resoluut de refreinen binnen, die bijna altijd uitbundig zijn. Nick Cave, Jeff Buckley en Morrissey zijn vaakgehoorde referenties; Finn Andrews' rauwe schreeuwstem legt je het zwijgen op.


Twee jaar lang was het maar de vraag of Time Stays, We Go wel zou verschijnen en of The Veils het jaar 2013 wel zouden halen: hun platencontract liep af en het duurde lang voor Andrews het geld had bijeengeharkt om in eigen beheer een plaat te maken.


'Als je het gevoel hebt dat je misschien aan je laatste album werkt, wil je het beste van jezelf laten zien. Alles moet goed zijn: elke song, elk woord. We hadden er, voor het eerst sinds ons debuut, onbeperkt de tijd voor.'


Waar de plaat over moest gaan? Andrews lacht: 'Uiteindelijk gaat hij over hetzelfde als de drie voorgaande: liefde, dood, afscheid, de dingen die voorbijgaan, maar dan vanuit een nieuw perspectief: ik weet nu waarover ik het heb.'


In de twee jaren voor de totstandkoming van Time Stays, We Go hield de dood flink huis in zijn familie aan vaderskant: grootouders, oudooms, oudtantes. Andrews zag zijn vader veranderen door de wetenschap dat die zelf nu, next in line is.


Ziedaar het cruciale verschil met vroeger. Toen hij als 15-jarige awkward little shit de dramatische slotzinnen van Guiding Light schreef ('There goes my guiding light/ Farewell my guiding light') wist hij feitelijk nog niet wat definitief afscheid nemen inhield. Nu weet hij het wel. Time Stays, We Go gaat over Andrews' versterkte sterfelijkheidbesef, zijn fanatisme om zo veel mogelijk goeds te doen met zijn leven en zijn angst dat hij daarin onvoldoende zal slagen.


'Your life, dear boy, means nothing', zingen de vogels in Birds hem toe. 'Don't you know: you're gone forever when you go.'


'Ik was een tiener toen ik onze eerste plaat schreef', zegt Andrews. 'Mijn melancholie had toen vooral te maken met het feit dat mijn vader in Londen woonde en mijn moeder en ik in Nieuw-Zeeland: steeds weer afscheid nemen voor langere tijd. Dat mensen op zeker moment ook écht verdwijnen, ben ik me pas later gaan realiseren. Ik ben niet bang voor de dood; wat me met angst vervult is dat je op je sterfbed ongelukkig bent met wat je ervan hebt gemaakt.' Het leidde tot het vertwijfelde mantra aan het eind van Another Night On Earth: 'I hope I don't go 'til I've seen everything.'


Met één gedachte troost hij zich: als de taaie strijd om een nieuw album uitgebracht te krijgen hem één ding heeft geleerd, dan is het wel dat songs schrijven inderdáád is wat hij wil, nee, móét doen met zijn leven.


'Het is innerlijke noodzaak', zegt hij. 'Ik schrijf al zeventien jaar, maar realiseer me nu pas dat het de reden is waarom ik 's ochtends mijn bed uit kom. Dat ik vroeger vaak weinig plezier aan The Veils beleefde, was omdat ik mezelf afzette tegen mensen die driemaal zo oud en tienmaal zo goed waren als ikzelf: Dylan, Waits, Cave. Die zelfkwelling ben ik voorbij, ik haat mijn eigen zangstem niet meer en aan optredens heb ik nooit zo veel lol beleefd als nu. Het vechten heeft me sterk gemaakt.'


'I'll try my hand on another one/ All things must pass that stand beneath this sun', zingt hij, met bitterzoet optimisme, in Turn From The Rain. Naast de songtekst staat, in het cd-boekje, een studiofoto van Finn Andrews: de outfit is overbekend, maar de gulle, tevreden lach zagen we niet eerder.


The Veils: Time Stays, We Go. Pitch Beast/Konkurrent.


Live: 7/9 Into The Great Wide Open, Vlieland. 14/9 Festival De Basis, Soesterberg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden