Mozart is wel wat aan de weke kant

De Tsjechische schrijver Jirí Weil (1900-1959) schiep een briljant, vervreemdend beeld van Praag onder de nazi's.

Beklemmend en ironisch is de stijl van de Tsjechische schrijver Jirí Weil. Zijn twee belangrijkste romans zijn zojuist in het Nederlands uitgekomen, allebei voortreffelijk vertaald door Kees Mercks. Mendelssohn op het dak (1960), dat in de VS enthousiast is ontvangen, is nieuw voor de Nederlandse lezer, Leven met de ster (1949) verscheen hier eerder in 1989 onder de titel De ster van Josef Roubícek.

Beide boeken spelen zich af in Praag in de vroege jaren veertig, tijdens de Duitse bezetting. Mendelssohn op het dak laat de toenmalige gebeurtenissen zien vanuit het perspectief van een reeks personages. De aanslag op oppernazi Heydrich, de talrijke executies als antwoord hierop, de opeenvolgende anti-Joodse maatregelen en de deportaties passeren de revue.

Niet direct lichte kost. Maar het bijzondere aan Weils vertelkunst is dat hij een toon van permanente verwondering weet aan te slaan waardoor alles wat zich afspeelt in een absurd licht komt te staan.

Mendelssohn op het dak zou, als het niet zo intens tragisch was, hilarisch kunnen zijn. Het begint er allemaal mee dat plaatsvervangend Reichsprotektor Reinhard Heydrich een uitvoering van Mozarts opera Don Giovanni bijwoont in het zojuist tot 'Haus der Deutschen Kunst' uitgeroepen Praagse Rudolfinum.

Heydrich houdt van muziek, Weil laat hem zich herinneren dat hij na de 'Nacht van de lange messen' (30 juni- 2 juli 1934, waarin Hitler een aantal hem niet meer welgevallige kopstukken van de SA, het partijleger van de NSDAP onder leiding van Ernst Röhm, liet ombrengen) rust vond bij Beethovens Vierde symfonie. Mozart vindt hij wel wat aan de weke kant, maar hij is toch in een betrekkelijk goed humeur als hij op het dak van het net ingewijde concertgebouw een beeld van Mendelssohn Bartholdy ontwaart. Hij ontsteekt in woede, dit is erger dan hoogverraad, deze Joodse componist moet onmiddellijk uit de cultuurtempel verdwijnen.

De volgende ochtend zullen twee Tsjechische gemeente-arbeiders onder leiding van een SS'er het beeld verwijderen. Helaas weten ze geen van drieën welk van de talrijke standbeelden van componisten Mendelssohn moet voorstellen. De SS'er krijgt een inval: het moet wel het beeld met de grootste neus zijn, tijdens een cursus wereldoriëntatie had hij bij het onderdeel rassenkunde geleerd dat Joden de grootste neuzen hebben. Het stenen slachtoffer is gauw gevonden, het beeld wankelt al, als Schlesinger, de SS-man, de twee arbeiders toeschreeuwt dat ze moeten stoppen. 'Van angst brak Schlesinger het zweet uit. Hij kende geen enkele van deze beelden, op een na, dit. Dat was toch Wagner, de grootste Duitse componist.'

Het identificeren van Mendelssohn valt niet mee. Schlesinger en zijn meerdere komen op het idee een 'geleerde Jood' om raad te vragen en laten zich er door de Joodse gemeente een brengen. Helaas is deze dr. Rabinovic een Talmoedgeleerde die alles afweet van heilige Joodse geschriften, maar beduidend minder van musici of standbeelden. Wel weet hij te vertellen dat Mendelssohn Bartholdy katholiek gedoopt is, 'als ik me goed herinner al als baby, dan kan hij volgens onze wetten geen Jood zijn'. Dit commentaar valt echter niet in goede aarde: 'Als de plaatsvervangend rijksprotector zegt dat iemand een Jood is, dan is hij dat ook.'

Natuurlijk ontkwam het beeld van Mendelssohn uiteindelijk niet aan zijn lot, zo min als de meeste andere hoofdpersonen; dr. Rabinovic die naar het oosten werd gedeporteerd; Heydrich die in zijn dienstauto door twee verzetsstrijders werd doodgeschoten, maar niet dan nadat hij had gezorgd dat de deportaties naar Theresienstadt en verder op gang kwamen; de ondergedoken meisjes Adèle en Greta die werden doodgemarteld omdat ze de naam van hun onderduikgevers niet prijsgaven, hun illegale contactpersoon Jan Krulis die werd opgepakt aan het eind van een verfrissend dagje uit op de rivier de Moldau en niet te vergeten ook het beeld van Vrouwe Justitia dat op de binnenplaats van een depot waar het gestolen bezit van geëxecuteerde nazi-tegenstanders bijeen was gebracht aan diggelen werd geslagen. 'Justitia', bromde de kunsthandelaar, 'aan zoiets heb je vandaag de dag toch helemaal niets.'

Mendelssohn op het dak is door Laurent Binet, de auteur van Himmlers hersens heten Heydrich (HhhH) geprezen als 'een geniale roman'. Inderdaad is Jirí Weil er door zijn fantasie te mengen met de harde realiteit in geslaagd een beeld van Praag in oorlogstijd te scheppen dat je niet loslaat. Dat komt ook doordat hij ieder cliché vermijdt en een sfeer van vervreemding oproept met bewoordingen als 'die vreemdelingen die over de stad heersten en krankzinnige wetten uitvaardigden', of, minimalistischer, 'die lui van ginds', 'die andere lui', of simpelweg 'die lui'.

Mendelssohn op het dak is een uitbundig literair feest van de waanzin, maar het oudere, meer ingetogen Leven met de ster is misschien nog briljanter. Hoofdpersoon Josef Roubícek schippert zich de eerste bezettingjaren door op een nauwelijks verwarmde zolderkamer op een heuvel aan de rand van Praag. Af en toe komen er bodes langs met circulaires met steeds weer nieuwe verboden. 'Zo vernam ik dat ik niet naar kunstveilingen mocht gaan of met pleziervaarten mee mocht, ik mocht niet op jacht gaan of varkensvlees eten. (...) Ik was helemaal niet van plan om patrijzen te schieten en ik kon geen varkensvlees eten omdat ik geen vleesbonnen had.'

Roubícek troost zichzelf met herinneringen aan zijn ex-vriendin Ruzena en met de zwerfkater Thomas met wie hij zijn karige voedselrantsoen deelt. De vroegere bankbediende is te werk gesteld op de Joodse begraafplaats, waar hij met een stel andere mannen bladeren harkt, thee drinkt en wat groente verbouwt. Maar als de transporten een aanvang nemen, begint 'het aantal mensen dat op de begraafplaats werkte af te nemen'.

Roubícek hoopt zelf nog enige tijd gespaard te blijven, want bij het oproepen van alle Roubíceks voor deportatie is zijn kaart vreemd genoeg niet opgedoken. Als hij ten slotte toch aan de beurt is, begrijpt hij dat hij een radicale stap moet zetten. Of dat zelfmoord wordt of onderduiken blijft open.

De invloed van Kafka op deze roman is bijna tastbaar in zinnen als 'ik wist ook niet voor welke zaak ik eigenlijk moest sterven'. Even kafkaësk als trefzeker is de manier waarop Weil aanduidt hoe Joden van hun mens zijn beroofd werden: 'Mensen hadden nummers en transporten hadden nummers en in de houten barakken kleumden er nummers in het stro.'

In een nawoord schetst vertaler Kees Mercks de levensloop van Jirí Weil. De Duitsers hadden het op zijn leven als Jood voorzien - na een gefingeerde zelfmoord dook Weil onder - maar hij kreeg ook problemen met de communisten die in 1948 in Tsjechoslowakije aan de macht kwamen. Leven met de ster vond geen genade in hun ogen en vanwege dit 'decadente existentialistische proza' werd hij uit de schrijversbond gezet.

Tot zijn dood in 1959 leidde hij een bestaan in de luwte als werknemer van het Joods museum van Praag. In zijn laatste jaren werkte hij aan Mendelssohn op het dak, dat in 1960 postuum het licht zag. De verschijning, bijna tegelijk, van zijn twee belangrijkste romans (hij schreef er vóór de oorlog nog twee over zijn wederwaardigheden in de Sovjet-Unie) biedt de Nederlandse lezers eindelijk de gelegenheid deze Tsjechische woordkunstenaar in het hart te sluiten.

Jirí Weil: Leven met de ster.

Uit het Tsjechisch vertaald door Kees Mercks.

Van Gennep; 260 pagina's; € 18,90.

ISBN 978 94 5616 4089 5.

Jirí Weil: Mendelssohn op het dak.

Met een nawoord van Philip Roth.

Uit het Tsjechisch vertaald door Kees Mercks.

Cossee; 253 pagina's; € 21,90.

ISBN 978 90 5936 346 5.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden