Moslimbroeders zijn beschermer Qatar kwijt

De ontwikkeling in Egypte hangt samen met de machtsstrijd in de soennitisch-Arabische wereld.

Qatar en Saoedi-Arabië zijn twee Arabische Golfstaten die vanwege hun immense aardgas- en aardolievoorraden achter de schermen een enorme invloed uitoefenen in de Arabische wereld en ver daarbuiten. Sinds het uitbreken, begin 2011, van de Arabische revoluties hebben ze hun petrodollars ingezet om de loop van de ontwikkelingen te beïnvloeden en in de meest letterlijke zin politieke invloed te kopen in de nieuwe politieke constellaties die ontstonden in het Midden-Oosten.


In zowel Qatar als Saoedi-Arabië vormt het rigide wahabisme de officiële staatsideologie die de macht van de Qatarese emir en Saoedische vorst in religieuze termen legitimeert. Dit gemeenschappelijke religieuze fundament mocht echter niet verhinderen dat de diplomatieke relaties tussen deze twee Arabische Golfstaten vaak gespannen en bij wijlen zelfs ronduit vijandig waren. Het Arabische televisiestation Al Jazeera, dat werd opgericht door de emir van Qatar, zond in het verleden meerdere malen weinig vleiende reportages uit over het Saoedische koningshuis met als gevolg het tijdelijk verbreken van de diplomatieke betrekkingen tussen beide landen.


Een neveneffect van de Arabische Lente van 2011 betrof het gegeven dat de onderlinge wedijver tussen Qatar en Saoedi-Arabië over macht en invloed in het Midden-Oosten steeds zichtbaarder werd. Terwijl de Saoedische vorst Abdullah in februari 2011 tot het laatste moment probeerde te voorkomen dat voormalig Egyptisch president Hosni Mubarak zou worden gedwongen tot aftreden, gebruikte de emir van Qatar zijn zender Al Jazeera om juist maximale druk op Mubarak uit te oefenen. De emir van Qatar wierp zich op als de beschermheer van de Moslimbroeders die door het Saoedische vorstenhuis juist werden gezien als een potentiële bedreiging voor de eigen stabiliteit. Ook in de Syrische crisis blijken deze twee Arabische Golfstaten lijnrecht tegenover elkaar te staan.


Qatar en Saoedi-Arabië gebruikten hun enorme rijkdom echter niet alleen om buiten hun land politieke invloed te kopen, maar ook om binnen de eigen grenzen politieke dissidenten en maatschappelijke onrust af te kopen. En wanneer dit niet lukte, werd repressie gebruikt om onwillige dissidenten zwaar te straffen.


Zo werd in november 2012 in Qatar de bekende dichter Mohammed al-Ajami tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld nadat op het internet een video was verschenen waarin hij een gedicht voordroeg dat hij de titel De Tunesische jasmijn had meegegeven. In dit gedicht roemde hij de Tunesische revolutie maar hierin kwam ook de zinsnede voor 'wij zijn allemaal Tunesië in het aangezicht van repressieve autoriteiten'. Dit werd door de autoriteiten in Qatar geïnterpreteerd als een oproep om het politieke systeem in het land omver te werpen. Al-Ajami werd tot levenslang veroordeeld tijdens een gesloten rechtszaak, waarin hem de bijstand van een advocaat werd ontzegd - wat alom werd gezien als een poging om kritische civiele organisaties in Qatar monddood te maken.


Een aantal Arabische seculiere intellectuelen verwijt westerse media dat ze zich bij hun verslaggeving over het Midden-Oosten vooral baseren op de Engelstalige site van Al Jazeera, waar men zelden berichten aantreft over de situatie binnen Qatar zelf. Het Westen zag de Arabische revoluties van 2011 als het begin van een overgangsperiode in de richting van stabielere democratische staatsmodellen, waarbij aan Qatar en Saoedi-Arabië een leidinggevende rol werd toegedicht. De binnenlandse ontwikkelingen van deze beide Golfstaten blijken echter weinig inzichtelijk te zijn.


Op 25 juni deed de Qatarese emir Al-Khalifa al-Thani afstand van zijn troon ten gunste van kroonprins Tamim. Gesteld werd dat de emir hiermee een voorbeeld wilde stellen voor zijn Arabische collega's, die zich gewoonlijk aan hun troon vastklampen tot hun dood.


In Arabische media en op Facebooksites wemelde het indertijd echter van de geruchten dat deze troonsafstand van emir Al-Khalifa al-Thani wellicht minder vrijwillig was dan werd voorgegeven. Er zou sprake zijn geweest van een paleiscoup die de emir dwong tot abdicatie. Het feit dat al deze geruchten onverifieerbaar blijken, verwijst naar het gebrek aan democratische openheid in Qatar.


Deze geruchtenstroom werd nog versterkt door enkele opvallende ontwikkelingen die direct na de abdicatie van de Qatarese emir plaatsvonden. Nauwelijks een week later werd de Egyptische president Morsi op 3 juli door het Egyptische leger gedwongen tot aftreden, waarna een afrekening op gang lijkt te komen met de Egyptische Moslimbroeders die plotseling hun Qatarese beschermheer kwijt waren. De andere Arabische Golfstaten reageerden enthousiast en smeten meteen een zak met 12 miljard dollar richting generaal Al-Sisi.


Vervolgens werd op 9 juli, tijdens een turbulente zitting van de oppositionele Syrian National Council, de Qatarese favoriet voor het presidentschap verslagen door Ahmad al-Jarba die nauwe banden onderhoudt met Saoedi-Arabië. Al-Jarba komt uit het oosten van Syrië en is lid van de Shammar-stam waartoe ook de moeder van de huidige Saoedische vorst Abdullah behoort. De strijd om de macht binnen de soennitisch-Arabische wereld lijkt aldus beslecht in het voordeel van Saoedi-Arabië, dat overigens zijn eigen interne onrust kent - die zich grotendeels onttrekt aan het zicht van de buitenwereld.


De Saoedische oostelijke provincies al-Qatif en al-Ahsa worden in meerderheid bewoond door sjiitische moslims, die binnen het officiële wahabitische dogma worden gezien als ketters en ongelovigen, wat zich vertaalt in discriminerende wetgeving. Sinds februari 2011 is het zeer onrustig in deze provincies, waar sjiitische jongeren voortdurend demonstraties organiseren die door de Saoedische autoriteiten telkens met grof geweld worden neergeslagen.


Zowel in Saoedi-Arabië als in Koeweit, waar zo'n 30 procent van de bevolking sjiitisch is, worden met toenemende zorg de ontwikkelingen in Bahrein gevolgd, waar de heersende soennitische al-Khalifadynastie steeds meer in het nauw wordt gedreven door de protesten van de sjiitische meerderheid in dat land. Geïnspireerd door de ontwikkelingen in Egypte richtten de Bahreinse sjiieten hun eigen Tamarrud-beweging op om zich van hún 'farao' te ontdoen.


De andere Arabische Golfstaten vrezen dat dit fenomeen zich als een veenbrand zal verspreiden onder hun eigen sjiitische minderheden, wat de vraag rechtvaardigt hoe stabiel deze voor de internationale oliehandel zo belangrijke regio eigenlijk is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden