Moslim Romeo verovert christin Julia

OP DE WEINIGE foto's die van hem bewaard zijn, ziet hij eruit als een sprookjes prins. Een smal, olijfkleurig gezicht met ogen die tegelijk doorgronden en verleiden, een fraai gewelfde mond, forse, rechte neus, smalle, vierkante kin....

De schrijver die in 1937 in Wenen onder de naam Kurban Said de roman Ali und Nino publiceerde, zou de volwassen verschijning kunnen zijn van Ali Khan Shirvanshir, hoofdpersoon in Saids beroemdste roman, ware het niet dat hij de 21-jarige jongen had laten sneuvelen in het gevecht tegen de Russen tijdens de Revolutie, op de brug van Gandzja, achter het machinegeweer waarmee hij tientallen vijanden had neergelegd. Op zijn sterfdag blies ook zijn land, de vrije republiek Azerbeid zjan, uitgeput zijn laatste adem uit.

In Ali's zak vond een vriend een schriftje, met daarin het verhaal van zijn leven. Het verhaal van de gedoemde liefde tusssen Ali en Nino, een moslim-Romeo en een christelijke Julia, schoolkinderen in Azerbeidzjan aan het begin van de vorige eeuw.

De truc van het manuscript-op-het-lijk-gevonden is maar één van de literaire spelletjes die de schrijver van Ali en Nino speelde, in zijn werk en in zijn leven. Kurban Said heette de schrijver die voor zijn dertigste zestien romans schreef niet, dat was maar een pseudoniem, of zelfs een schrijvend opgevoerd personage. Wie was deze man? De royalty's van zijn boeken werden eind jaren dertig gestort op de rekening van een Oostenrijkse barones, Elfriede von Ehrenfels. Dat ontdekte Tom Reiss, die vorig jaar voor een heruitgave van Ali en Nino in Duitsland zorgde en nu de biografie van de schrijver voorbereidt. Het geld werd doorgesluisd naar een mysterieuze man met een Kaukasisch accent en valse Amerikaanse papieren, die door de Gestapo werd gezocht: Essad Bey.

Deze moslim Bey was in zijn tijd een vermaard oriëntalist, die een wereldwijde opstand van de militante islam voorspelde. Een man die ten tijde van de Weimar-republiek in Berlijn en Wenen indruk maakte met zijn verschijning als Kaukasische krijgsheer, de dolk altijd paraat aan zijn riem. Door zijn anti-bolsjewistische denkbeelden genoot hij bewondering in kringen rond Mussolini en Goebbels. 'Maar onder zijn monarchistisch-fascistische politieke ideeën, zijn Turks-Arabische namen en zijn wilde woestijnuitdossingen', schrijft Reiss in zijn nawoord, 'was zijn echte naam eigenlijk Lev Nussimbaum en was hij een jood.'

Een jood die in 1937 in Berlijn furore maakte met een roman over twee gelieven uit strijdende etnische groepen. Een jood die, terwijl de Duitse uitgeverswereld systematisch werd gezuiverd van joodse schrijvers, doodleuk het ene boek na het andere publiceerde. Een jood met fascistische fantasieën die het hart van de macht opzocht. Geen wonder dat de gedaanteverwisseling op den duur zijn enige, ware identiteit werd. Totdat de dekmantel doorzichtig werd: Lev Nussimbaum weigerde Europa te verlaten en vond in 1942 de dood.

Tussen twee culturen, wat heet. In het boek, dat waarschijnlijk deels geïnspireerd is door Levs eigen jeugd in Bakoe - zo overtuigend bezingt hij zijn liefde voor de dorre woestijn, de weerbarstige steengrond en het onverdraaglijke klimaat - wemelt het van de identiteiten en culturen. Ali Khan is een moslim edelman, spreekt Russisch, Tataars, Arabisch en Turks, zit op een Russische school waar de tsaar wordt verheerlijkt en de Europese geschiedenis wordt ingestampt, wordt verliefd op de Georgische Nino, een prinses, want dochter van een of andere ondervorst, die naar de nonnenschool in Bakoe gaat.

Als Ali en Nino samen de bazaar van Tiflis bezoeken, zien ze daar 'Armeense handelaren, Koerdische waarzeggers, Perzische koks, Ossetische priesters, Russen, Arabieren, Ingoesjen, Indiërs'. Verhit maken sjacheraars en waarzeggers ruzie over de wandaden van de doden: 'Toen mijn voorouders jouw voorouders naar de Babylonische gevangenschap brachten. . .'

De slimme, westerse Nino verwijt Ali, haar barbaar, soms ook zijn afkomst. Ze haat de minachting van de moslims voor vrouwen, hun vreselijke harems, hun misselijke eunuchs, hun viriele bloeddorst en hun hysterische rituelen voor Allah. Zij is een kind van bossen en weilanden, hij van steen en zand, en ze weet dat die werelden nooit samengaan. Maar ze houdt van Ali. 'Zonder overgang kan Nino huilen en lachen, liefhebben en haten. Ze vergaf me alle veldtochten van Djingiz Chan en hield weer van me.'

En dan is er nog de oorlog, de Grote Oorlog van 1914, die langzaam dichterbij kruipt. Van de Russen moet Ali het niet hebben, en ook Nino niet, als ze met toestemming van hun wijze ouders toch zijn getrouwd. De Turken? Maar die zijn, hoewel moslim, toch weer van het verkeerde geloof. En de Perzen? De ingeslapen, verzen kwelende, zich met snoep volproppende laffe Perzen, een volk in verval?

Wat Ali en Nino zo'n schitterende roman maakt, is de loepzuivere stijl, zoals die tenminste in het mooie, rustige Nederlands van vertaalster Gerda Meijerink tot ons komt. De toon is gelaten. Zo was het nu eenmaal, zucht de hardnekkig verslag doende verteller, een zooitje. En groot was de liefde, daar konden die twee niets aan doen. De zinnen zijn simpel en helder, op het kinderlijke af. Dat maakt van Ali en Nino ook een argeloos, zoet Franny en Zooey-achtig verhaal. Maar die argeloosheid moet bevochten worden op de geschiedenis die de twee in dit deel van de wereld, in die tijd, in de tang hield.

Juist door die voortdurende verwarring van de smoorverliefden geloof je in de echtheid van aandriften die in een andere roman potsierlijk of krampachtig exotisch zouden aandoen. Er zijn bizarre scènes. Ali die in wilde galop de auto achternazit waarin Nino zit, ontvoerd door een Armeniër. Om zijn paard sneller te laten gaan, bijt het heet hoofdig tiepje het in de hals, wat hij even later met zijn rivaal zou doen, alvorens een mes door zijn hart te drukken. Onteerde Nino wordt als een zak zand door een vriend van Ali over het zadel geworpen. Het heeft allemaal een hoog B-filmgehalte voor ons, nu. Maar juist omdat Nino hem bekent dat zij er eigenlijk wel iets in zag, in die ontvoering, eventjes, vergeeft hij haar, hoewel hij weet dat hij haar als goede moslim zou moeten doden. Want Ali is een vechtlustige macho, hij gelooft in Allah en eert zijn vader, heus, maar als het erop aankomt is hij vooral een jongen die zijn meisje niet wil verliezen.

Die verwarring is ontroerend én geestig, op alle niveaus in de roman, of het nu gaat om oorlog en krijgshaftigheid - voor wie moet beschaafde Nino zijn? Voor haar strijdlustige Ali natuurlijk! -, of om huiselijke ruzietjes. Als Nino in Perzië in een harem wordt opgesloten door een eunuch die haar als een paard steeds het gebit wil inspecteren, is Ali solidair. De hele dag zit ook hij in de harem en doet spelletjes met haar, tot hoon van de Perzen.

Terug in het ogenschijnlijk bevrijde Bakoe draagt Nino triomfantelijk Europese bedden met lakens het huis in, en hangt Engelse landschapjes aan de muur. Zo wordt het huis ook uitermate geschikt voor de Europese bezoekers die Ali, inmiddels een gewichtige ambtenaar op Buitenlandse Zaken, moet ontvangen. Nino speelt het kittige gastvrouwtje. De baby in Nino's buik is een 'Europeaantje', weet Ali, en hij berust erin. Samen moeten ze erom lachen. Dit is niet hun wereld. Hun wereld, die waarin hij haar kon helpen met haar sommen, het Azië ín Europa, bestaat niet meer.

Ali stierf op het slagveld, en Lev Nussimbaum trok nog een paar decennia vermomd door een verwarde wereld. Misschien wordt Kurban Saids roman nog in het Servisch vertaald, of het Kroatisch, als troost voor de Ali's en Nino's die daar leven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden