Moskou opent de schatkamers van tsaristische textielbaronnen

Wat vroeger niet kon, kan blijkbaar nu wel. De schatkamers van Rusland gaan eindelijk open. Het Moskouse Poesjkin Museum laat in het Haags Gemeentemuseum Franse Meesters zien....

Van onze verslaggever

Paul Depondt

DEN HAAG

Het merendeel was vroeger bezit van de rijke Russische verzamelaars en ondernemers Sergei Sjtsjoekin en Iwan Morozow. In 1918, na de revolutie, werden hun schilderijen staatsbezit. De Staat, zo zei Lenin, 'roofde wat ooit geroofd was'. Ook hun huizen, die ze tot privé-musea hadden omgetoverd, werden in beslag genomen. Sjtsjoekin kreeg de dienstbodenkamer toegewezen en mocht rondleidingen geven in zijn eigen paleis. Morozow werd assistent van de directeur van het museum dat de kunst herbergde die hij zelf nog had gekocht. In 1948 verdeelden de Sovjets de buitgemaakte kunstwerken tussen de Hermitage in het voormalige Leningrad en het Moskouse Poesjkin Museum.

Rusland is door die 'onwettige' nationalisatie-operaties in het bezit gekomen van schitterende werken van Edgar Degas, Camille Pissarro, Pierre-Auguste Renoir, Fernand Léger en Georges Braque. In Den Haag hangen de Man met pijp en een zelfportret van Cézanne, het bekende Jaguar die een paard aanvalt van Henri Rousseau, Van Goghs portret van Félix Rey, de goudvissen van Matisse en de waterlelies van Monet. Het is maar een greep uit de vele meesterwerken die, na een succesvolle expositie in het Milanese Palazzo Reale, alleen nog in Nederland worden getoond.

De erfgenamen willen de geroofde kunst terug. Drie jaar geleden schreef Sjstjoekins dochter Irina, die in Parijs woont, een brief aan president Jeltsin waarin zij de schilderijen van haar vader opeiste. Eerst wil ze de werken terug; pas daarna wil ze de 450 schilderijen die haar vader bezat, en door de communisten zijn 'gestolen', aan de stad Moskou schenken.

De meest geliefde en drukst bezochte afdeling van het Poesjkin is zonder twijfel die van de Franse impressionisten, post-impressionisten en fauvisten. Daar krijg je in het Haags Gemeentemuseum maar een glimp van te zien. Van Monet tot Matisse, geeft met zestig doeken een beeld van de Franse kunst in de periode tussen de Frans-Pruisische oorlog (1870-1871) en de Eerste Wereldoorlog, de tijd van de Belle Epoque, toen het mondaine leven van Parijs tot in Moskou en St. Petersburg hoogtij vierde.

Het leven van de Morozovs en Sjtsjoekins leest als een roman van Leo Tolstoj of het memoriaal van Konstantin Paustovskij. Sergei Sjtsjoekin kwam uit een vermogende koopmansfamilie. Zijn oudere broer Pjotr bracht in de tweede helft van de negentiende eeuw een belangrijke historische verzameling bijeen en liet er in Moskou een museum voor bouwen. Iwan, een van van zijn broers, nam gif in toen hij hoorde dat zijn El Greco's vervalsingen waren. Een ander schoot zich, na een bezoek aan het Parijse atelier van André Derain, een kogel door het hoofd. De geschiedenis van de Morozows is een aaneenschakeling van petites histoires en theater. Iedere Morozow was als het ware een romanpersonage in een heldenepos. Ze klommen op van straatarme lijfeigenen tot textielbaronnen. In 1890 had de clan bijna 40 duizend arbeiders in dienst; aan het begin van de Eerste Wereldoorlog ruim 54 duizend.

Het waren kleurrijke en ook vrijgevige types. Sawwa Timofejevitsj, een vriend van Maxim Gorki, gaf duizenden roebels aan de revolutionairen maar pleegde na een mislukte coup zelfmoord. Arseni, die door Tolstoj in zijn roman Opstanding als een domoor is vereeuwigd, woonde in een dolkomisch paleis in Moorse suikerbakkerstijl en liet een kleiner paleisje bouwen voor zijn tientallen honden. Zijn oudere broer Michaël was een verspiller, een uitgesproken dandy en bon-vivant die als gokker en gentleman figureert in een of ander vergeten negentiende-eeuws theaterstuk. En Iwan, zijn jongere broer, was mecenas en verzamelaar.

'Mijn blik rustte met vreugde op de schilderijen die aan de wanden hingen en mijn hart sloeg als bij een ware openbaring', schreef een Moskouse kunstenares toen zij aan het begin van de eeuw de verzameling van Sjtsjoekin zag. 'Aan het eind van het bezoek was ik gegrepen door een soort koorts.' De huizen van Sjtsjoekin en Morozow bestaan nog. Het waren toen nog weelderige paleizen met Perzische tapijten en veel snuisterijen. De Sjtsjoekins ontvingen in hun salons Wassily Kandinsky en Kazimir Malevitsj; Rachmaninov en Skrjabin musiceerden er. Na de revolutie werd het een museum, maar toen de collecties onder Stalin naar de depots van de Hermitage en het Poesjkin verhuisden, werd het paleis door de 'kameraden' opgeëist.

Het huis van Morozow is nu de Moskouse academie. Ook zijn paleisje was na de revolutie eerst museum. Op foto's is nog te zien hoe de schilderijen in de salons van de huizen van Sjtsjoekin en Morozow hingen. Het zijn bonbonnière-kamers met veloursbehang, de muren vol werken zoals op de negentiende-eeuwse Salons, van vloer tot plafond, als legstukjes van een puzzel. Ze hingen overal, de Matisses in de traphal, de Gauguins in de eetsalon of de Pierre Bonnards in aparte roze en blauwe achterafkamertjes.

Er waren in Rusland nog meer belangrijke collectioneurs. De Tretjakovs, oprichters van de Moskouse Tretjakov-Galerie, verzamelden realistische en romantische kunst, schilderijen van Russische 'socialistisch realisten' - niet te verwarren met het zogenaamde 'sociaalrealisme' uit het Stalin-tijdperk - of romantische kunst. Ze hielden van schilders als Camille Corot en Théodore Géricault en van de Franse School van Barbizon. De verzamelaars Sjtsjoekin en Morozow echter waren veel avontuurlijker.

De zestig schilderijen in het Haagse Gemeentemuseum weerspiegelen hun voorkeuren. Sjstjoekin hield vooral van Monet en Matisse. Hij bezat niet minder dan veertig Matisses. De lievelingsschilder van Morozow was Alfred Sisley. Ze kochten hun schilderijen bij de Parijse kunsthandelaars Paul Durand-Ruel, Ambroise Vollard en D.-H. Kahnweiler. Sjstjoekin was een bevlogen verzamelaar, die snel en avontuurlijk kocht, terwijl Morozow een bedaard type was. De een koos voor het experiment, de ander voor zekerheid. Matisse, die de beide verzamelaars goed kende, vergeleek ooit eens hun temperamenten: 'Wanneer Morozow bij Vollard kwam, zei hij: ik wil graag een zeer goede Cézanne zien. Sjtsjoekin, daarentegen, wilde alle werken van Cézanne zien en bepaalde dan zelf zijn keuze.'

'Men vraagt zich af waarom er juist in Rusland, waar de schilderkunst van oudsher doordrongen was van een bij uitstek socialistisch realisme, een dergelijke levendige belangstelling bestond voor deze nieuwe en onbevangen westerse kunst', schrijft de directeur van het Poesjkin Irina Antonova in de catalogus. Het antwoord is niet eenvoudig te geven. 'Er was een sterke wens om het menselijke bestaan nieuwe inhoud te geven, het te transformeren, afstand te doen van achterhaalde principes. Van deze wens waren alle bereiken van de Russische cultuur van vóór de revolutie doordrongen.'

In 1918 decreteerde Lenin dat alle genationaliseerde kunstwerken die van grote culturele betekenis zijn, het land niet uit mochten. Maar onder Stalin verkocht de toenmalige Sovjet-Unie kunstwerken aan buitenlanders om de staatskas te spijzen. Een speciaal daartoe opgerichte organisatie - 'het antiquariaat' - verkocht schilderijen van oude meesters, van Titiaan, Rubens of Hals. De Newyorkse galerie Knoedler trad op als bemiddelaar. Door de oorlog kwam er een eind aan die handel.

Alexander Gerassimov, de eerste directeur van de nieuwe naoorlogse Academie voor Beeldende Kunst en schilder van potsierlijke portretten van 'Lenin op het spreekgestoelte', zei ooit 'dat wie het waagde schilderijen van Picasso op te hangen, zelf zal worden gehangen'. In de zalen van het Poesjkin Museum, waar ooit de modernen hingen, werden sinds de jaren dertig vooral de geschenken aan 'vadertje' Stalin uitgestald. Picasso en zijn tijdgenoten kwamen in het depot terecht. Gerassimov hield geen blad voor de mond: de modernen waren, in vergelijking met de grote Russische 'socialistisch realisten', verderfelijke en staatsgevaarlijke kunstenaars die helemaal niet wisten wat schilderen was. Pas sinds de laten jaren zeventig zijn, ter gelegenheid van Paris/Moscou in het Centre Pompidou, de namen van de grote Russische verzamelaars Sjtsjoekin en Morozow weer boven water gekomen. Voor het eerst sinds de revolutie hingen op een tentoonstelling hun portretten bij de werken die zij rond de eeuwwisseling hadden gekocht, als een hommage aan de wegbereiders van de moderne kunst in Rusland.

Het is een verrukkelijk mooie tentoonstelling. Het licht in het gebouw van Berlage is bijzonder. Het is het juiste licht. 'De ideale zomerse dag in het Haags Gemeentemuseum', zegt directeur Hans Locher.

'De tentoonstelling markeert de start van een andere aanpak', zegt Locher. Het museum wil zich op een groter publiek richten. In Milaan bezochten een half miljoen mensen Da Monet a Picasso in het Palazzo Reale. Het museum wil, na de lage bezoekcijfers van de afgelopen jaren, 'het feest van de herinnering' niet langer negeren. Het museum, meent Locher, 'beschouwt het als zijn taak om een zo breed mogelijk publiek te bereiken.'

Van Monet tot Matisse, Franse Meesters uit het Poesjkin Museum in Moskou. Van 13 juli tot en met 13 oktober in het Haagse Gemeentemuseum.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden