Moordaanklachten na ramp kledingfabriek Bangladesh

De autoriteiten in Bangladesh hebben vandaag 41 verdachten aangeklaagd voor moord vanwege hun aandeel in de dood van 1.137 mensen bij de instorting van de kledingfabriek Rana Plaza in 2013. Dat heeft de leider van het onderzoek, Bijoy Krishna Kar, laten weten aan persbureau AP.

Het ingestorte Rana Plaza (foto uit 2013). Beeld ap

Als de verdachten schuldig worden bevonden aan moord, kunnen zij de doodstraf krijgen. Voor dood door schuld is de maximumstraf zeven jaar gevangenis. Onder de verdachten zijn de eigenaar van het gebouw, Sohel Rana, diens ouders, verscheidene overheidsvertegenwoordigers en de eigenaren van de vijf fabrieken die in het gebouw gevestigd waren. Rana werd vier dagen na het instorten van Rana Plaza aangehouden op de grens met India, waar hij naartoe probeerde te vluchten.

De autoriteiten overwogen aanvankelijk de verdachten te vervolgen wegens nalatigheid, maar vanwege de ernst van het ongeluk hebben zij besloten de aanklacht te verzwaren. Tijdens het onderzoek bleek dat Rana, diens medewerkers en de managers van de vijf fabrieken, arbeiders hebben gedwongen bij het pand naar binnen te gaan, ook al durfden die dat niet omdat een dag eerder barsten waren ontstaan in de muren van het gebouw.

Op 28 juni vindt er een hoorzitting plaats, waar het verdere verloop van de zaak zal worden besloten.

Inwoners van Dhaka verzamelen zich rondom de plek waar het Rana Plaza stond, tijdens de herdenking van het ongeluk. Beeld epa

Illegale fabrieksruimtes

De verdachten worden in een afzonderlijke zaak ook vervolgd voor overtreding van de veiligheidsvoorschriften. Op het oorspronkelijk vijf verdiepingen tellende gebouw, dat in eerste instantie bestemd was voor winkels en kantoren, waren extra etages gezet, die later illegaal werden veranderd in fabrieksruimtes.

Bij de instorting van Rana Plaza even buiten de hoofdstad Dhaka raakten ongeveer 2.500 mensen gewond. In het politierapport werd gesproken van een 'massamoord'. De ramp vestigde de aandacht op de slechte arbeidsomstandigheden in de Bengalese kledingindustrie. Door de lage lonen (sommige werknemers verdienen slechts 38 dollar per maand) laten veel bekende merken en winkelketens hun kledingproducten liever in Bangladesh maken dan in China of andere ontwikkelingslanden.

De kledingindustrie is een belangrijke bron van inkomsten voor het arme Bangladesh, dat jaarlijks ruim twintig miljoen euro aan de export naar voornamelijk Europa en de Verenigde Staten verdient. De kledingbazen worden in Bangladesh dan ook zelden vervolgd, wat deze aanklacht des te opvallender maakt.

Beeld ap
Beeld reuters
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.