Moord op een gevel

Berlijn heeft meer geschiedenis dan een stad aankan. In zijn boek Boze geesten van Berlijn schetst ex-correspondent Philippe Remarque hoe de Duitsers worstelen met de erfenis van keizer, Führer en Muur....

Het is zomer en ik kom met de familie terug van vakantie.Terwijl ik de geplette bananen van de autostoelen afbik en detassen naar binnen sleep, trekt op de stoep een kleine, bezweteman, type Randy Newman, mijn aandacht. Het is een Amerikaansejood. Hij is in Berlijn op uitnodiging van het stadsbestuur, datelk jaar uit de stad gevluchte joden of hun afstammelingen naarde stad haalt bij wijze van Wiedergutmachung.

De man legt uit dat zijn grootmoeder en haar familie in mijnhuis hebben gewoond, tot ze eind jaren dertig de nazi-terreurontvluchtten met de boot naar de Verenigde Staten. Ik laat hemmijn appartement zien. Hij is onder de indruk van de weeldewaarin zijn oma is opgegroeid. Het wordt nog beter als ik hemnaar het appartement op de vierde verdieping breng, want daarheeft ze daadwerkelijk gewoond. 'Kijk maar op de foto', zegt hij,'hier leunt ze over het balkon.' Ik kijk en zie niet alleen hetelegant geklede meisje, maar ook de versierde gevel met zuiltjesom haar heen. 'Weet u wel zeker dat het nummer 58 was?' informeerik voorzichtig, want mijn huis heeft een tamelijk strakke gevel.In het buurhuis, daar hebben ze zuiltjes. Maar de man heeft thuisde documenten: het is 58, zonder twijfel.

Zou mijn huis dan ook...? Ik weet dat ze in Berlijn in dejaren vijftig massaal de versieringen van de gevels hebbengeramd, daar kregen huiseigenaren zelfs subsidie voor van hetstadsbestuur. Die gemordete Stadt was de titel van hetverontwaardigde boek dat de prominente architectuurcriticus enuitgever Wolf Jobst Siedler al in de jaren zestig schreef overdeze kaalslag en andere rampen, zoals de aanleg van autowegendoor mooie wijken. Het nadenken kwam op gang, en vanaf de jarenzeventig begonnen de Berlijners in te zien wat voor schade wasaangericht. Als ik met de langjarige stadsconservator HelmutEngel spreek over de beeldenstorm van na de oorlog, is zijnconclusie bondig: 'Vanuit het heden gezien niet teverontschuldigen.'

Ik besluit naar het bouwarchief te gaan. Daar toon ik eenbrief waarin de huiseigenaar mij het recht geeft het dossierLeibnizstrasse 58 in te zien. Even later komt de ambtenaaraansjokken met een onwaarschijnlijk uitpuilende map. Ik ga in hetleeszaaltje zitten. Als ik de map opensla, bevangt mij eenonredelijke spanning, of ik nu staatsgeheimen te zien krijg diede regering ten val zullen brengen.

De architect van mijn huis blijkt Arthur Johnke te heten,woonachtig op de Kurfürstendamm. Ik vind een briefwisseling uit1905 tussen hem en de Königliche Polizeidirektion van de StadtCharlottenburg. Er zijn vellen met eindeloze berekeningen, eengoedkeuringsbewijs van de Schornsteinfegermeister en eenliftbedieningsvergunning voor de Fahrstuhlführer JohannScholtussek. Het was in die tijd meestal de huismeester die hetnieuwe verschijnsel lift voor de bewoners bediende. Debouwplannen uit 1906, getekend op dik okerkleurig karton, zittener opgevouwen in. Op plattegronden met fraaie sierletters herkenik mijn woning. In het kamertje naast de keuken staat deafkorting M.K., Mädchen-Kammer.

Als ik het volgende dikke karton openvouw, kan ik een kreetniet onderdrukken, die galmt door het zwijgende zaaltje. Ik zieeen prachttekening van de voorgevel van mijn huis: vol metversieringen, reliëfs van vrouwenhoofden en, inderdaad,zuiltjes. Boven op het dak prijkt een koepeltje op zuilen, metdaar weer bovenop een trotse Nikè met vleugels en lauwerkransin de hand.

Is het echt zo geweest? Er staat een groot rood kruis door hetkoepeltje. Zelfs in die tijd van overdaad werd het gepronk deheren van het bouwtoezicht regelmatig te gortig. Al te frivoleof opvallende torentjes en koepeltjes vielen ten slachtoffer aanhet rode potlood.

Maar de rijke gevel eronder is uitgevoerd, dat staat vast.Onverdraaglijk dat er bijna niets van over is. Wat is er gebeurd?Ik werk me door de map heen of het een oude moordzaak betreft.Het nationaal-socialisme kondigt zich aan met een nieuweondertekening onder de brieven: 'Mit deutschem Gruß'. Dieper inde jaren dertig wordt dat eenvoudigweg 'Heil Hitler!' Nu is deoorlog voorbij, onder de brieven staat weer 'Hochachtungsvoll'.

Daar heb ik het! Het corpus delicti, het bewijs van de moord:een klein briefje slechts, van het stadsplanningsambt, met eenstempel van de Baupolizei Abteilung Charlottenburg. Er staatéén zin in. 'Tegen de vernieuwing van het gevelstucwerk innatuurkleurige kiezelstuc bestaan stedenbouwkundig geenbedenkingen.' Getekend door stadsplanner M. Andersch op 13augustus 1955. Eindeloze briefwisselingen hebben huiseigenarenen instanties gevoerd: over een kolenluik in de kelder, over hetgebruik van een appartement voor bedrijfsdoeleinden of over eenreclamebord van de kapperszaak beneden.

Maar voor deze grote vernieling had de stad genoeg aan éénbriefje ter grootte van een krantenwikkel. Ook de mannen die deexecutie hebben uitgevoerd, zijn in de archiefmap te vinden.Bauunternehmung Karl Klenke, die twee tekeningen van de kalenieuwe gevel laat goedkeuren. En Baugeschäft Otto Pallaschke,voor al uw metsel- en stucwerk, die de gruweldaad in zijn briefjesamenvat in de plompe woorden die Berlijn in de jaren vijftigvoorgoed hebben veranderd: 'Abklopfen und neuputzen.' Je hoorthet edele steen naar beneden vallen. Dit was normaal in de jarenvijftig, sterker nog, het was gewenst. Het was een tijd vanwederopbouw en vooruitgangsgeloof, en dat hebben de oude stedenin heel Europa geweten. De Amsterdamse gemeenteraad nam in diejaren bijna een plan aan om ten behoeve van het autoverkeer degehele grachtengordel te dempen, inclusief Heren-, Keizers- enPrinsengracht. Voor de Berlijnse gevelmoord bestond ook eenpraktische reden. De oude huismeester Kühnauer weet nog tevertellen hoe het stucwerk na de oorlog naar beneden viel, op destoep, zodat de voetgangers gevaar liepen. Er moest ietsgebeuren, en het half kapot gebombardeerde Berlijn had wel watbeters te doen dan alle versieringen nauwkeurig in hun oudeluister te herstellen. 'Abklopfen und neuputzen' was hetgoedkoopst.

Wat verloren ging, werd door de meesten als oude troep gezien.'Laat ze ineenstorten, de gebouwde rotstreken,' zeiavant-gardistische architect Bruno Taut al in 1919. In de jarentwintig waren sommige overdadige gevels uit de keizertijdverwijderd. Architecten en kunstenaars hadden er een grondigehekel aan.

De oorlog schoot te hulp. Niet alleen waren midden in hetcentrum talloze kale plekken ontstaan die moesten wordenopgevuld, ook was de architectuur van vroeger nu definitief indiskrediet gebracht. Hadden de nazi's niet ook protserig enclassicistisch gebouwd? De oude pronkgebouwen kregen zo bijna deschuld van alle Duitse ellende, vertelt de directrice van hetHeimatmuseum Charlottenburg. 'Deze Wilhelminische hybris heeftons in het verderf gestort, zei men.' Het grootste deel van debeschadigde gebouwen werd afgebroken. Wie in Berlijn wilvliegeren, profiteert daar nog steeds van. De wind is hetgunstigst op de Teufelsberg, een kunstmatige berg van duizendenvrachtwagens vol Berlijns oorlogspuin in het bos Grunewald.Raampartijen en engeltjes liggen hier voorgoed begraven naasttrappenhuizen en kachels. Er groeien bomen op. De meestedagjesmensen met hun vliegers hebben geen weet van het dramaonder hun voeten.

Nu was het de beurt aan de klare lijn en strakke vormen vande moderne architectuur. Gelukkig hebben de modernisten niethelemaal hun zin gekregen, want hun ideeën hadden van Berlijnniet veel overgelaten. Neem Hans Scharoun, een vooraanstaandmodernistisch architect uit de Weimar-tijd die nu in hetBerlijnse stadsbestuur de leiding kreeg over bouwzaken. Hij wildeBerlijn opdelen in units van ongeveer vierduizend bewoners,doorsneden door een net van autowegen door het groen. Wie wilweten hoe heel Berlijn eruit had gezien als Scharoun zijn zin hadgekregen, moet eens door het Hansa-Viertel lopen aan de rand vanhet stadspark Tiergarten. Waar ooit een voornameGründerzeit-wijk had gestaan, bouwde in de jaren vijftig hetpuikje van de internationale architectenwereld flatgebouwen,schijnbaar willekeurig neergezet in het groen. Het is er rustigwonen, zeker, fijn voor de hond ook, maar dat je je hier in eenstad bevindt, valt nergens uit op te maken.

Net als in Amsterdam kreeg de oude stad nieuwe waardering inde jaren zeventig. 'En nu moet elke kruimel worden bewaard, hetliefst ook nog met een bordje ervoor,' spot de directrice van hetHeimatmuseum Charlottenburg.

Ze bespeurt een regelrechte angst voor moderne architectuur,volgens haar een teken van de conservatieve tijdgeest. Dat zalwel zijn. Toch vind ik het beter zo, denk ik, terug in deGründerzeit-sferen van mijn eigen huis. Jammer dat dieverschrikkelijke klopboor bij de bovenburen zo'n herrie maakt.De volgende dag is het lawaai er nog steeds. Ik loop even binnenin het appartement, dat een kopie is van het mijne.

Het staat leeg na het vertrek van onze buren, maar nu wordthet woonklaar gemaakt voor een terugkerende diplomaat van hetministerie van Buitenlandse Zaken. Het geklop blijkt uit debadkamer te komen. Een arbeider met een drilboor in de hand kijktenigszins verwilderd op. Onder hem liggen de Jugendstil-tegelsin stukjes op de grond. Hij doet zijn stofkapje af en moppert:'Dat bad in de grond valt nog niet mee, je blijft boren.' Dezebadkamer was nog gaver bewaard gebleven dan de onze, de vorigeburen koesterden hem als een kleinood. 'Mijn vrouw vond het ookwel jammer,' verklaart de diplomaat, licht gegeneerd als hij mijnontzetting ziet. 'Maar wij wilden een behoorlijke douche, en datkan alleen zo, zeiden ze.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden