Moord in een gezellige buitenwijk

Bullet Park Road heet de veilige haven waarin de Drapers van Mad Men zich uit de hectiek van Madison Avenue terugtrekken. Het is een ode aan John Cheevers roman Bullet Park, over wanhoop en waanzin onder het plaveisel van suburbia.

Na het succes van de tot vervelens toe geprezen tv-serie Mad Men, waarin de jaren zestig ineens mooi, vermakelijk en tragisch leken in hun rol van onschuldig-glamoureuze vooraankondiging van de commerciële en morele verwording die ons bestaan thans definieert, lijkt het tijd voor allerhande heruitgaven van romans die (bijna) vergeten waren. Bullet Park van John Cheever is er zo een. De roman, die uit 1969 stamt, werd door Van Gennep onlangs heruitgegeven en door Guido Golüke opnieuw vertaald.


Cheever, briljant schrijver van vooral korte verhalen en slechts een paar romans (waarvan The Wapshot chronicle, The Wapshot scandal, Falconer en Bullet Park de bekendste zijn), wordt steeds minder gelezen, maar behoort (hij won in 1979 nog de Pulitzerprijs) tot de literaire giganten, en wordt vaak in een adem genoemd met John Updike, al claimen zijn bewonderaars dat Cheever met veel minder woorden veel méér kon dan Updike.


De overeenkomst behelst (en beperkt zich tot) hun beider blik, die zich vooral lijkt te hechten aan de bewoners van suburbia - de onaandoenlijke en zeer ón-drukke buitensteden met hun gelijkvormige straten en huizen, waar men tot slechts één ding veroordeeld is: wonen - niet alleen de grote stad, maar ook gewone winkels, supermarkten, bioscopen, alles bevindt zich elders en apart van de suburbs. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond een niet eerder vertoonde bouwgekte van dergelijke suburbs in de VS en die zijn daarmee dan ook onlosmakelijk verbonden met de Amerikaanse droom: de 'bevrijding' uit de drukte en smerigheid van de stad - een 'ideale' plek en tevens een suïcidaal stemmend brandpunt van eenvormigheid en verveling.


Ook de Drapers, de hoofdpersonen uit Mad Men (de titel is de al in die tijd bekende afkorting van Madison Men, ofwel: de mannen van Madison Avenue, de sjieke Upper East Side straat in New York waar de reclamebureaus gevestigd waren) wonen in de suburbs, en wel in Ossining, Westchester, NY, op... Bullet Park Road. Het is een niet bestaande straat, maar wel een reverence naar John Cheever. Ook de Drapers hebben cosmetisch een prachtig bestaan, maar van die serie genieten we toch ook vooral om het contrast met de lijken en spoken en glibberige uitwassen van dat bestaan die we onder de gladde, glanzende buitenkant naar boven zien piepen.


In Cheevers Bullet Park gaat het eveneens om die tegenstellingen - die tussen de opgelegde glans en opperste tevredenheid enerzijds en de wanhoop, weerzin en haat anderzijds.


Het is een van de vreemdste en ontoegankelijkste romans die ik in lange tijd las, hoe helder, hilarisch en simpel alle gebeurtenissen die erin beschreven staan ook lijken, en eerst dacht ik nog dat dit met de verafgelegen verschijningsdatum te maken had - meer dan 43 jaar geleden dachten, spraken en schreven de mensen vast anders, en zeker in Amerika. Maar na herlezing en na bestudering van een fors aantal recensies en lezersreacties, maar ook van interviews met Cheever zelf, begrijp ik dat ik in die vervreemding niet alleen sta - niet toen en niet nu. Het ís een bizarre roman, wrang, geestig en schijnbaar onsamenhangend. Hij deed me meer denken aan het geniale maar o zo zwartgallige Laughter in the Dark van Nabokov dan aan de Rabbit-reeks van Updike, al boemelt de commutertrain in deze roman nog zo op en neer van New York City naar Bullet Park en terug. Niet door het thema, wel door de volstrekt in de vertelling ingeweven ironie - die je als lezer eigenlijk pas na het hele boek te hebben gelezen voor aap zet.


Alleen het begin al: 'Schilder dan maar een klein spoorwegstationnetje voor me, tien minuten voor het donker wordt.' Hoe vreemd is dat? Vooral dat 'dan maar' - alsof de schrijver moeite heeft iets te zeggen en ten slotte, in arren moede en na een aantal pogingen eindelijk de voorstelling heeft waarmee hij in elk geval kan beginnen. Dan zegt hij ook: 'Het decor lijkt op de een of andere manier de kern van de zaak te treffen.' Welke kern? Welke zaak? We tasten (nog) in het duister. Ik hou me vast aan een schitterend Cheever-citaat: 'A good narrative is a rudimentary structure, rather like a kidney.'


We zijn in elk geval op het perron van Bullet Park waar ene Paul Hammer zijn makelaar ontmoet - hij zoekt er een huis. Zodra we dat weten kijken we hoopvol mee, want we verwachten dat de verteller wiens decor we zo gewillig zijn binnengestapt, ons via Paul Hammer met Bullet Park laat kennismaken. Maar vrijwel meteen al blijken we dan een hulpeloze speelbal van Cheevers grillen en als hij vindt dat we ineens vier krankjoreme pagina's lang over het overladen sociale leven van de Wickwires moeten lezen, een familie uit Bullet Park over wie we in het gehele boek nooit meer iets zullen horen, dan is dat zo. Daarna leidt de verteller ons alsnog als een reisleider rond en krijgen we een wat verstikkend beeld van deze buitenplaats. Paul Hammer besluit er om onbekende redenen bovendien een onaantrekkelijk huis te kopen.


Het volgende deel gaat over Elliot Nailles, uit te spreken als nails, en daarmee een vreemd complementair artikel voor de eerder genoemde 'Hammer'. Nailles vindt alles in zijn leven in Bullet Park, met zijn vrouw Nellie, en zijn zoon Tony, geweldig. Het enige wat hem een beetje pijnigt is zijn beroep: hij maakt als afgestudeerd chemicus reclame voor een bepaald soort mondwater (Spang), maar legitimeert zelfs deze smet op zijn blazoen van respectabiliteit door te stellen dat goed mondwater de wereld uiteindelijk een hoop zorgen, kosten en oorlogen bespaart. Dan weigert zijn zoon op een kwade dag uit bed te komen. Alles waar Nailles in gelooft en gelukkig van wordt, lijkt niet voor Tony te gelden. Hij is te gedeprimeerd.


Tony deed me een beetje denken aan een ander 17-jarig personage: Ricky uit American Beauty, dat contemporaine 'suburb-verhaal' uit 1999. Ricky die voortdurend iedereen en alles filmt, een dromer, die overal de hypocrisie van inziet, een beetje zoals J.D. Salingers Holden Caulfield dat doet. Het is een onschuldige jongen, zo zal blijken, en het hoogtepunt van zijn filmwerk is de dans van een plastic zak in de wind, een willoos aan het lot overgeleverd sliert vuil.


Hetzelfde beeld vond ik (toeval?) terug in Bullet Park, waar Elliot Nailles zijn zoon niet kan troosten nadat hem een groot onrecht is aangedaan, maar in plaats daarvan zegt: 'Ik vind het mooi bladeren door de lichtbundels te zien waaien. Ik weet niet waarom. Ik bedoel, het zijn gewoon dode bladeren, nergens goed voor, maar ik vind het mooi ze door het licht te zien waaien.' Kennelijk is er in dit soort levens, en in dit soort verhalen, een grote behoefte aan toeval en terloopsheid als contrast met verstikkend geordend en uitgestippeld. En toevallig en terloops is er veel in deze roman.


De figuur van Paul Hammer zal pas in het laatste deel terugkomen, (de roman bevat drie delen) en in tegenstelling tot het deel over Elliot Nailles, waarin we op talloze zijpaden gezet worden en in allerlei dagelijkse beslommeringen betrokken, horen we van Paul Hammer alleen zijn getroubleerde herkomst en zijn zoektocht naar verlossing van zijn zogenaamde cafard - een gedeprimeerdheid gepaard gaande met drankzucht die in wezen nogal schijnt te lijken op de somberte van Tony. Een tijdje na aankomst in Bullet Park ontwikkelt Hammer (wiens geestestoestand scherp contrasteert met het eeuwig goede humeur van zijn buurman Nailles) een bizar plan: Tony vermoorden.


Het is een wending die zo uit de lucht komt vallen dat je afvraagt of de schrijver eigenlijk wel serieus bezig is. Als Elliot Nailles zijn zoon op het laatste moment weet te redden met behulp van een kettingzaag en wel uit de 'Kerk van Christus' waar Hammer hem heeft opgesloten (en wil offeren op het altaar) drijft die twijfel niet meteen over. Maar als je dan bedenkt dat dit alles (wat tevens alles is wat maar een beetje naar zogenaamde handeling zweemt) zich op de laatste twee (!) pagina's afspeelt, weet je het: je las niet wat je las. Cheever lijkt de roman zelf een knalharde schop onder zijn kont te hebben gegeven. Het effect is een beetje alsof je een gedicht gelezen hebt en van beeld naar beeld geschopt bent. Ik citeer Cheever zelf maar even: 'Fiction is experimentation. Every sentence is an innovation.'


Het boek eindigt als volgt:


'Tony ging op maandag weer naar school en Nailles ging - gedrogeerd - naar zijn werk en alles was weer even geweldig, geweldig, geweldig, geweldig als voorheen.'


Zeg nu zelf: staan we nu voor aap of niet?


John Cheever: Bullet Park.

Uit het Engels vertaald door Guido Golüke.


Van Gennep; 227 pagina's; € 17,90.


ISBN 978 94 616 4055 0.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden