Mooie kunst doet hersens kraken

Het is wel degelijk mogelijk na te gaan waarom iemand een kunstwerk mooi vindt. Zeven aspecten, waaronder logica, fantasie en anticipatie, bepalen het oordeel en zijn te meten, zo blijkt....

PSCHYCHOLOOG Kees van Driel vond de film The Sixth Sense 'briljant'. En dat verraste hemzelf, zegt hij. Hij was halverwege bijna gestopt met kijken, omdat het verhaal over een jochie dat doden kan zien, plots 'weerzinwekkende horror' bevatte. Maar de wending aan het eind maakte alles goed. 'Achteraf bleek de film haast een feel good movie. En het klopte ook nog.'

Dat klinkt als een enthousiaste, vrij objectieve beschrijving door een filmliefhebber. Van Driel weet echter als geen ander dat dat niet waar is. Zijn uitspraken beschrijven de film niet wetenschappelijk, ze zitten immers vol subjectieve waardeoordelen ('briljant', 'weerzinwekkend') die maar weinig zeggen over welk effect de film precies heeft teweeggebracht, en waarom.

Als psycholoog die wil weten wat er in iemands hoofd omgaat die een esthetische ervaring ondergaat, heeft Van Driel er niks aan. Hij heeft waardevrije, verduidelijkende woorden nodig. Woensdag promoveert hij aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Psychology of Entertainment, waarin hij na uitgebreide testen een paar van die woorden aanreikt.

Hoe komt iemand tot de conclusie dat een cultureel product, een boek, een film, 'mooi' is of juist 'bar slecht'? In psychologentaal: hoe ziet 'het waarnemingsproces' eruit? Om die vraag te beantwoorden, zegt Van Driel, ontwierp en testte hij op basis van psychologische theorieën een 'waarnemingsmodel'. Hij deelde daarvoor de kluwen gedachten waarmee een oordeel meestal wordt gevormd, op in zeven stukken. 'Drie bewustzijnsdomeinen en vier waarnemingsprocessen', aldus de promovendus.

Dat klinkt moeilijker dan het is, voegt hij snel toe. De drie 'bewustzijnsdomeinen' zijn manieren van denken die een kunstwerk aan kan wakkeren. De eerste, 'het rationele domein', spreek het logische denkvermogen aan - denk aan wat een detectivefilm doet. 'Het affectieve domein' omvat de gevoelens - de tranentrekker speelt hier sterk op in. En het 'imaginaire domein' heeft betrekking op de fantasie - The Lord of the Rings is een voorbeeld.

De 'waarnemingsprocessen' beschrijven meer specifiek wat er gebeurt op deze gebieden wanneer iemand bijvoorbeeld naar een film kijkt, legt Van Driel uit. Zo kunnen mensen bij een spannende scène voorúit gaan denken, zich indenken wat er staat te gebeuren. Dat noemt de psycholoog 'anticipatie'. Een filmkijker kan ook gestimuleerd worden tot 'vergelijking': met andere films, met voorgaande scènes, of zelfs met zijn eigen leven.

'Modificatie' slaat op het feit dat iemand soms door een boek of film zijn eigen ideeën, verwachtingen en gevoelens aanpast. Dat kan heel simpel zijn (een personage blijkt helemaal niet sympathiek) of heel ingrijpend: iemand besluit door een boek zijn leven te veranderen.

'Prestatie', tenslotte, beschrijft in hoeverre iemand heel algemeen in staat is een kunstwerk 'te volgen'. 'Ulysses van James Joyce is voor veel mensen te moeilijk, zij komen daardoor niet eens aan bijvoorbeeld anticipatie toe. Een kunstwerk kan ook te makkelijk zijn, waardoor het waarnemingsproces onvoldoende wordt geactiveerd. Iemands prestatieniveau hangt af van zijn leeftijd, levenservaring, opleiding, de tijd waarin hij leeft - hier zit dus een belangrijk deel van het persoonlijke oordeel.'

Samen met psycholoog Harry Vorst heeft Van Driel zijn model uitgebreid getest op vijfhonderd mensen, zegt hij. Deze proefpersonen moesten vragenlijsten invullen over zelfgekozen boeken en films. Ze moesten bijvoorbeeld aangeven in hoeverre ze het eens waren met opmerkingen als: 'De spanning in de roman deed me nadenken over hoe het verhaal zich zou ontwikkelen', en: 'De gebeurtenissen waren nauwelijks te volgen.'

De antwoorden vertelden Van Driel of hij inderdaad kon spreken van bijvoorbeeld 'rationele anticipatie' (de eerste vraag) of 'affectieve prestatie' (de tweede vraag). Met behulp van statistische analyses concludeerde de promovendus dat zijn zeven factoren goed van elkaar waren te onderscheiden: ze maakten inderdaad iets duidelijk over hoe mensen tot hun oordeel komen.

De belangrijkste test volgde daarna. Als proefpersonen hogere scores invulden op de vragenlijsten, dus als ze bijvoorbeeld erg werden geprikkeld om te vergelijken en vooruit te kijken, hadden ze dan ook een positiever oordeel? Dat bleek inderdaad te kloppen.

Van Driel liet twee groepen van 45 personen naar twee films kijken. De eerste film, Cinema Paradiso (1988) van Giuseppe Tornatore werd door critici hoog gewaardeerd en krijgt op de filmsite www.imdb.org hoge cijfers van kijkers. Even cowgirls get the blues (1993) van Gus van Sant wordt over het algemeen matig beoordeeld. De proefkijkers moesten de vragenlijsten invullen, opgedeeld naar verschillende elementen van de film zoals plot en camerawerk. Daarna moesten ze cijfers geven.

Cinema Paradiso scoorde zoals verwacht het hoogst. En dat oordeel bleek goed overeen te komen met de mate van 'hersenactiviteit' die de proefkijkers rapporteerden op hun vragenlijsten, zegt Van Driel. 'Dat gold zelfs bij vergelijkingen tussen verschillende kijkers van dezelfde film: iemand die Cinema Paradiso een laag cijfer gaf, rapporteerde ook minder activiteit dan iemand die de film wel heel goed vond.'

Het model blijkt dus een goede indicator van het mechanisme dat aan een esthetisch oordeel voorafgaat, zegt Van Driel. 'Hoewel de factoren nog verder uitgesplitst kunnen worden; dit zijn ze niet allemaal.'

De vraag is: wat heb je aan zo'n model? De promovendus ziet verschillende mogelijkheden. Om te beginnen, zegt hij, zouden recensenten en literatuurwetenschappers zijn vragenlijsten kunnen gebruiken. 'De woorden die zij gebruiken om kwaliteit te beschrijven, zoals ''nieuw'', ''origineel'', ''oppervlakkig'', zijn niet waardevrij en dus wetenschappelijk eigenlijk ongeschikt.

'De vragenlijsten kunnen hen helpen beter inzicht te krijgen in de oorzaken van het effect dat een werk sorteert. Literatuur- en filmwetenschappers die zich op lezers- en kijkersonderzoek richten, kunnen daar iets aan hebben.'

Ook filmmakers zouden de vragen daarom kunnen gebruiken, oppert hij. 'Een testpubliek wordt nu vaak alleen gevraagd of het een film, of elementen daarvan, goed of slecht vindt. Met de psychologische vragenlijst komt een regisseur erachter wat nog voor verbetering vatbaar is en waarom.'

De regisseur van The Sixth Sense bijvoorbeeld, balanceerde met zijn manipulaties op een zijden draad, zegt Van Driel. De psycholoog vond de film eerst weerzinwekkend omdat de horror zijn imaginaire en affectieve gebieden overstimuleerde: 'Ik presteerde daardoor emotioneel niet goed.'

Maar de genrewending aan het eind plaatste, aangezet door 'een terugredenerende anticipatie op het rationele vlak' het hele verhaal in een ander licht. 'Daardoor ging ik affectief vergelijken en mijn emoties aanpassen, modificatie dus.' Kortom: 'bijna alles trad in werking', de meters sloegen uit. 'Briljant'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden