'Mooi? Het is helemaal niet mooi'

Cherry Duyns behoort tot de grote documentairemakers van Nederland. Met zijn film De droom van de beer won hij onlangs de Prix Europa....

OF we bij een van de vergaderingen horen, vraagt de serveerster beleefd.

Cherry Duyns glimlacht vergenoegd vanuit de witlederen fauteuil. 'Welke heeft u voor ons vandaag?'

'GlaxoSmithKline en Endemol.'

'Doe maar Endemol', zegt Duyns. 'Joop weet ervan.'

Ze hadden hem geen groter plezier kunnen doen. Het is precies waar Duyns zo van houdt: licht absurde details. Dat de serveerster uitgerekend hém vraagt of hij bij Endemol hoort - in het hotel wordt vandaag de fotoshoot van het trouwprogramma Loveletters gehouden - is genieten geblazen voor de VPRO-documentairemaker die ooit bekend werd met zijn vreemde dialogen in het VPRO-programma Herenleed.

Niet veel later stopt er een auto voor de deur van het hotel. Het bruidje van Loveletters. Duyns wijst aan: de krullers die nog in het haar zitten, het verbeten trekje om de mond van de bruid, de zorgvuldig belegde witte kadetjes op de zilveren schaal. Graag zou hij de hele dag in dit hotel voor het raam willen zitten en alleen maar kijken. Zonder er iets bij te zeggen.

Cherry Duyns kijkt het liefst naar de wereld alsof hij er zelf niet bij hoort.

'Hmm', bromt hij ter bevestiging.

Vorig jaar maakte hij de De droom van de beer, een lange, weemoedige documentaire over de neergang van het Sovjet-circus, waarvoor hij onlangs in Berlijn de Prix Europa won. De film wordt in december bij de VPRO uitgezonden. Duyns sprak met coryfeeën van toen, zoals de clown Oleg Popov en de gebroeders Kantemirov, over het circus, dat werd gezien als propagandamiddel voor het communisme.

De film, voorzien van vele archiefbeelden, toont de tragiek van het Sovjet-circus: groots ten tijde van het communistische regime, maar in vrijheid zijn glans verliezend. Hoogtepunt is de reusachtige beer, ooit hét symbool voor de Sovjet-Unie, die gekleed in korte broek eenzaam staat te wachten op het rondje dat hij mag gaan maken in de piste.

'Ik hou van verhalen met een zekere dramatiek', zegt Duyns. Wat hij mooi vindt aan al die droefenis? 'Mooi? Het is helemaal niet mooi. Dat is een misverstand.'

Hij ziet er sober uit. Zwarte trui, zwarte broek, zilveren armband. Uit overtuiging, zo blijkt: 'Altijd alleen maar zwart en zilver', zegt hij. Zijn verschijning valt wel op: eeuwige pijp, grijze kuif, peilende ogen, donkere stem. Als hij praat, vallen er stiltes, en kijkt hij steeds even rond. Hij ziet mobiel telefonerende zakenmensen, roze overhemden, langsvliegende vogels, de zee, snoevende mannen en tuttige hondjes. Om steeds zonder problemen weer op het onderwerp terug te komen.

'Natuurlijk denk ik niet: gôh, is er nog een leuk droevig onderwerp? Dan zou ik duizend films per dag kunnen maken. Het is één grote droefheid, bij wijze van spreken. Maar het komt door de manier waarop ik naar dingen kijk. Die melancholie is mijn grondtoon. Het is iets wat in me zit. Ik zie de betrekkelijkheid van dingen. Zelfs van vrolijke onderwerpen weet ik door mijn melancholische geaardheid altijd een andere kant te vinden.'

Duyns (57) behoort tot de grote documentairemakers van Nederland. Daarnaast is hij schrijver, journalist, televisiemaker en acteur. Na veertien jaar voor de Haagse Post te hebben geschreven, stapte hij over naar de VPRO, waar hij nu 26 jaar werkt. Jarenlang maakte hij Herenleed met Armando en Johnny van Doorn.

In zijn documentaires keert één thema terug: de vergankelijkheid. Hij maakte de indrukwekkende documentaire Levensberichten (1986) over de afdeling oncologie van het VU-ziekenhuis, bekroond met de Nipkow-schijf, en interviewde in Laatste Getuigen (1990) joodse mannen die het concentratiekamp overleefden. In Gezicht van het verleden (1994) volgde hij de zoektocht naar de identiteit van een meisje dat wereldwijd symbool staat voor de kinderen die in WO II naar concentratiekampen werden getransporteerd.

Zijn hang naar het verleden en de vergankelijkheid ziet hij als natuurlijk. 'Ik ben opgevoed door mijn grootmoeder, een weduwe', zegt hij. 'Tijdelijkheid was een gespreksonderwerp.'

Hij werd geboren in Duitsland, maar zijn ouders namen hem na de oorlog mee naar Haarlem. Toen ze uit elkaar gingen, moest hij weer met zijn moeder naar Duitsland. Van daaruit werd hij uiteindelijk weer naar Nederland 'ontvoerd' door zijn vader, die tevergeefs bleef hopen dat zijn vrouw hem achterna zou komen. Cherry voelde zich destijds Hollander in Duitsland en Duitser in Holland.

'Als je als kind niet helemaal zeker weet of je wel op de mensen die het dichtst bij je staan kunt rekenen, dan heeft dat tot gevolg dat je denkt dat je het zelf allemaal moet doen', zegt hij. De rol van buitenstaander leerde hem kijken en bepaalde zijn houding als documentairemaker. 'Ik heb er een wat argwanende houding aan overgehouden. Je hebt de neiging je medemens in de smiezen te houden. Je denkt: ik hou het maar een beetje op afstand, dat volk, want het is levensgevaarlijk. Het loopt altijd anders dan je denkt. Al heb ik dat nooit als vreselijk rampzalig ervaren. Als het moet, laat ik mijn tanden zien.'

Zijn grootvader was circusartiest, en ook zijn vader was anders dan de andere vaders: een goochelaar. 'Aan de ene kant had ik ongelooflijke bewondering voor mijn vader. Heel veel vaders waren burgerturven met van die grote gulpen en lelijke stropdassen. Mijn vader was altijd heel mooi gekleed. Ik keek weleens naar hem tussen de coulissen. Dan zag ik hem in het licht staan, en als mensen klapten vond ik het prachtig. Maar ik vond het ook tamelijk ongegêneerd.'

Zijn vader gaf hem te verstaan dat hij totaal ongeschikt was voor het vak. Te onhandig om ook maar een bal te vangen. 'Toch wilde mijn vader het ontzettend graag. Ook toen ik al verslaggever was, kwam hij nog weleens langs. Dan zei hij: leg nou gewoon een koffertje met trucs onder je bed. Je weet het maar nooit.'

In drukke cafés en op recepties en premières komt hij niet. Te veel mensen die hij vragen moet stellen waar hij het antwoord eigenlijk niet eens op wil weten. Maar eenmaal aan het werk, vallen verlegenheden weg. 'De meeste tijd besteed ik aan het creëren van vertrouwen. Het is ook heel raar. Er komen van die brutale lui in spijkerbroek met camera en lampen aanzetten, en dan moeten mensen maar weer over zichzelf gaan zitten vertellen. Maar zodra die goede verstandhouding er is, probeer ik ze weer op armlengte afstand te krijgen. Als je mensen te dicht tegen je aantrekt, zie je ze niet meer.'

Zijn grenzen trekt hij bijna overdreven zorgvuldig. 'Ik wil geen situaties ensceneren. Ik zal zelden aan iemand vragen of hij iets nog eens opnieuw wil doen. Als de camera eenmaal loopt, dan loopt-ie.

'In Laatste Getuigen filmden we een man, Ernst Hacker, die nog nooit over zijn kampverleden had gesproken. Toen ik

's ochtends bij hem aankwam om te filmen, zag ik dat hij elk moment zou kunnen exploderen. Ik had tegen de cameraman gezegd dat hij niet mocht inzoo men als dat gebeurde. Die man barstte vervolgens in een gruwelijk gejank uit. Alle verdriet brulde hij door de kamer. Maar de camera stond roerloos.

'In Levensberichten kreeg iemand te horen dat hij een hersentumor had. Hij begon helemaal te wankelen. Ik gêneerde me buitengewoon. Het was zo pijnlijk voor die man. Ik ben dwars door het beeld heen gelopen om een glas water voor hem te halen. Ik dacht: ik zie wel in de montage wat ik daarmee moet.'

Maar hij is geen heilige, wil hij maar zeggen. 'Ik sta niet met mijn hoed in mijn hand op de achtergrond. Ik probeer altijd wel te krijgen wat ik wil. Ook ik deug natuurlijk voor geen cent. Je loert toch op de zwakheden van mensen. Ik vraag ook alles wat ik wil weten. Dat is het aardige van de werkelijkheid. Mensen hebben mooie én hufterige kanten. Die onvolkomenheden moet je laten zien. Ik heb mijn ogen niet in mijn zak.'

Dat hij met zijn trage, droefgeestige documentaires niet meer bij deze tijd zou passen, wuift hij weg. 'Wat moet ik dan? Een beetje snappy gaan zitten monteren in de hoop dat er acht veertienjarigen naar mijn documentaire gaan zitten kijken?'

Maar hoe melancholisch zijn verhalen ook zijn, steeds combineert hij ze met blijmoedigheid. Zo filmde hij op de kanker-afdeling van de VU hoe het leven buiten de kamers met stervende mensen doorging. De rammelende karren, de kopjes koffie, de bonbons. Alsof Cherry Duyns de rest van de wereld en vooral zichzelf er nog steeds van moet overtuigen dat het allemaal zo erg niet is.

'Cheer up, sprak hij wanhopig. Als je mij wilt samenvatten, dan is die zin het wel zo'n beetje.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden