Monumentaal acteur met magistrale tekst

Onder het melkwoud..

Serooskerke Het oogt zo simpel zoals ze daar neerstrijken: twee Vlaamse acteurs aan de kade van de Oosterschelde. Een knikje naar het publiek, de billen op een keukenstoel, het tekstboek op schoot of lessenaar. Achter hen kabbelt het water tot aan een smalle pier in de verte. Boven hen torent een ‘Arc de Triomphe’ van drie gestapelde roestgele zeecontainers. Onder hen glinstert het beton van de Zeeuwse kade (met af en toe een langsrennende zeerat). Om hen heen liggen wat broedlampen en ijzerwaren, speeltuig voor hoorspelgeluiden.

Beide mannen komen maar af en toe van hun plaats en toch heb je na afloop het gevoel met hen kraaizwarte straten te hebben afgeschuimd. De grijzende Jan Decleir (64) en de veertiger Koen De Sutter (44) lezen op verzoek van het Zeeland Nazomerfestival het magistrale toneeldicht van Dylan Thomas Onder het Melkwoud (1953) in de ongeëvenaarde vertaling van Hugo Claus uit 1957. Het ondeugende spelplezier dat ze daarin laten zien, is alleen grote vertellers gegeven. Samen nemen ze de meer dan zestig stemmen voor hun rekening, de verteller incluis, allen dorpsbewoners van het vissersplaatsje Llaregyb.

Decleir duikt met grote gulzigheid in het luisterspel dat klotst van de alliteraties. De Sutter vertelt met lichte spot. Sporadisch laten ze belletjes rinkelen en fietsbanden klapperen. Alsof de klokken luiden en meeuwen krassen.

Zittend dwalen ze door het ontwakende dorp waar ‘neuzen worden gesnoten, oren geslagen en kinderen naar school geschreeuwd’. Ze houden halt bij die even merkwaardige als herkenbare bewoners: de blinde Kapitein Kat met zijn verlangen naar de ‘sloepdobberende’ zee, de gewiekste postbode Willy Nilly die alle brieven openstoomt alvorens ze te bezorgen en het kijvende echtpaar Pugh dat niet met en niet zonder elkaar kan.

De acteurs genieten zichtbaar van ‘de nare bende die hier woont’, ze dollen met de personages. Decleir beklimt als dichtende dominee Eli Jenkens zijn wankele keukenstoel, bezingt als Polly Garter lieflijk haar verdronken minnaars en wrijft over zijn tepels als hitsige Mae Rose Cottage die tot ‘barstens toe wil zondigen’.

Dat is het mooie aan deze monumentale acteur met deze magistrale tekst: Decleir oogt op toneel als de vleesgeworden zondigheid, zijn volle lijf ademt in alles zinnelijkheid. Hij is een acteur die kan slapen, snurken en spelen tegelijk. Wie hem hoort vertellen over ‘de zon die ondergaat in haar kwabben’, over ‘schipbreuk lijden tussen de dijen’ en over gif dat zich mengt met moordgedachten krijgt een stil verlangen ook te willen zondigen. ‘Is het leven geen verschrikkelijk ding, godzijdank?’ vraagt Decleir zich retorisch af. Natuurlijk: het is banaal en goddelijk tegelijk.

Onder het Melkwoud kent geen plot, moraal of dramatische ontwikkeling, alleen het verstrijken van de tijd. Dat wordt prachtig gevat in de donker wordende lucht. De schittering van het woord valt fraai samen met de schittering van de Schelde.

In de schemering roepen de acteurs een morgenstond in herinnering vol perverse ochtenddromen en een middagzon die wulpse fantasieën verhit.

De gebeurtenissen die Decleir en De Sutter beschrijven, zijn willekeurig en alledaags: opstaan, thee zetten, stoep schrobben. Er is geen muzikant die er verheven muziektheater van probeert te maken. Ze slingeren zelf aan draaiorgeldoosjes en pakken de strijkstok om over piepschuim te raspen.

Je zou met deze twee acteurs en al hun gefantaseerde dekknechten, suikersoldaten en zeemannen naar het strand willen rennen om te kijken of de zee er nog is. Hier krijg je zin om te zondigen in Zeeland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden