Monsterparade

De Barcelonese Señor Roca trok ten strijde tegen losbandige seks in zijn ‘anatomisch museum’ van misvormde geslachtsdelen. In Gent wordt nu, voor het eerst sinds 1935, zijn griezelkabinet getoond....

Een opgezet kalf met twee koppen stond naast het afgietsel van een ten voeten uit gemodelleerde dwerg en een vrouw met zes borsten. Je zag er wassen beelden van verwilderde gezichten met één oog, vervormde monden en neuzen, met wratten bezaaide penissen en vagina’s. In het bizarre ‘anatomisch museum’ van Señor Roca, in het hart van de prostitutiewijk van Barcelona, kregen de bezoekers een droevige ‘parade van de monsters’ te zien, tientallen en tientallen vitrines, een griezelig patrimonium, tot dan toe eigenlijk uitsluitend voorbehouden aan medische faculteiten.

Met zijn collectie, die ook op kermissen en in circussen was te zien, trok Roca ten strijde tegen ‘risicovolle seksuele of sociale praktijken’. Wie deed wat God verbood, stonden zulke narigheden te wachten: etterende puisten over het hele lichaam, gezwollen tongen en schurftige neuzen, lichaamsdelen die verschrompelden of anderszins uitgroeiden tot fabuleuze afmetingen. Niets bleef bezoekers bespaard, alle ‘monstruos deformaciones de la naturaleza’ werden open en bloot getoond, van uitgezette hoofden tot elefantiasis van het scrotum.

Nog diep in de vorige eeuw kon je er skeletten en mummies zien, foetussen en afgestroopte huiden. In de barakken stonden schokkende kijkkastjes en hingen al even onthutsende prenten over allerlei ziektes. Meestal kregen volwassenen, in een apart zaaltje, instructie over de verschrikkelijkste venerische ziektes. Voor sommigen was het louter vermaak, voor anderen perverse fantasie, voor weer anderen waren het ongeziene fenomenen waar het publiek maar al te graag geld voor neertelde. Het ging maar zelden over echte kennis.

‘Hoe zou het er nu uitzien als iemand een gat maakte in zijn schedel en daar een grote kurkentrekker indraaide?’, vroeg Rudy Kousbroek zich een keertje af in een hilarisch krantenstuk over de al even beruchte wassen beelden van dokter Pierre Spitzner, ‘of met een schaar een vierkant gat knipte in zijn wang?’ Dat anatomisch kabinet van dokter Spitzner gaf, net als de kijkkasten van Roca, antwoorden op zulke vragen.

Dat komt, schreef Kousbroek, omdat het meest opvallende effect van zo’n uitstalling van medische wasafgietsels ‘een gevoel van bevreemding’ is, ‘zoals bij het bekijken van een goed gemaakte fotomontage’. Het kan niet, denkt de argeloze bezoeker, maar het is toch echt. Je kunt weliswaar geen kurkentrekker in je schedel en hersens draaien, maar hier kan het juist wel.

Nog tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kon je op kermissen het Grand Musée Anatomique et Ethnologique van dokter Spitzner bezoeken, een grote kraam met anatomische preparaten, geraamten en foetussen, en – weliswaar in een afzonderlijk ietwat weggestopt kabinetje – uitbeeldingen van allerlei afgrijselijke geslachtsziekten. Op een podium bij de ingang lag, onder een doek, een wassen beeld van een slapende vrouw. Door een ingenieus mechaniekje in haar borst leek het alsof ze ademhaalde.

Spitzner had sinds 1856, toen zijn rariteitenmuseum in Parijs opende, al tientallen van die wonderbaarlijke zaken verzameld. Vooral het beeld van een Siamese tweeling, de gebroeders Baptisto en Giovanni Tocci, trok op de kermissen de volle aandacht van de bezoekers – ook van Kousbroek, toen hij dat beeld later in Brussel onder ogen kreeg.

De broers, geboren in 1877 in Locarno op Sardinië, beschikten gezamenlijk over maar één onderlijf, twee hoofden op één romp, met niet meer privébezit dan een paar eigen armen. Als kind hadden ze fortuin gemaakt door zich op kermissen in al hun glorie te etaleren. Op 20-jarige leeftijd traden ze in het huwelijk met twee zusters. Het werd voltrokken in een vierpersoonsbed, wat bij Kousbroek de prangende vraag opriep hoe zij het verschil maakten tussen ‘dijn’ en ‘zijn’, hoever hun gezamenlijk zenuwstelsel zich uitstrekte, of, zoals hij in zijn artikel schreef: ‘Wiens erectie is dit, de jouwe of de mijne?’

Een foto van die gebroeders hangt nu op de expositie Kermis of kennis – Wassen beelden uit de Roca-collectie in het Gentse Museum Dr. Guislain. Net als Spitzner verzamelde Señor Roca sinds 1860 een reeks attracties die in de Calle Nou te zien waren in zijn collectie ‘gruwelijkheden uit de Barrio Chino’, vlak bij de Ramblas.

Zijn Barcelonese museum was een afschrikwekkende sortering van wassen en gipsen beelden, opgezette menselijke lichaamsdelen en in formol geconserveerde anatomische stukken. Het was gestoeld op een vorm van therapeutisch angst aanjagen: met afgietsels van gezwollen gezichten, aangevreten geslachtsdelen en met puisten overdekte rompen wilde het museum bezoekers waarschuwen voor ‘het hele erge’, voor ‘de besmettelijke tirade tuberculose, alcoholisme en syfilis’. Het griezelkabinet, dat nu in Gent is ‘gereconstrueerd’, compleet met het wassen beeld van een ‘kermisroeper’ (‘Komt dat zien!’) toont die door losbandig leven veroorzaakte vreselijke letsels en lichamelijke gesels.

In het hospice van Gent, de psychiatrische kliniek waar het museum is gevestigd, is voor het eerst sinds 1935 de Roca-collectie weer te zien. Tot in de jaren tachtig bleef de verzameling opgeborgen in het huis van de eigenaars, om later nog te worden doorverkocht. Uiteindelijk is de hele ‘parade van de monsters’ – de vitrinekasten, affiches en andere documenten – bezit geworden van een Antwerpse verzamelaar.

Langs de wanden zijn de kijkkasten opgestapeld, net als in een kermistent, met wassen uitbeeldingen van de verschrikkelijkste aandoeningen. Op pancartes die vroeger in het Barcelonese museum hingen, staan waarschuwingen te lezen: ‘Voor het welzijn van de mensheid (*) en in uw eigen belang, blijft het Roca-museum bezoeken, met de zekerheid dat u, zodra u er buitenkomt, een ander mens zult zijn.’

De vertoning vermengde vroeger die morele raadgevingen met zowel anatomische belangstelling als met sensatiezucht. De verzameling ging rondreizen, van kermis naar kermis, zoals een predikant van kerk naar kerk gaat, ‘ter lering en ter vermaak’, maar ook om mensen te stichten. Roca had voorstellingen laten maken van zwangerschap en geboorte, om jonge mensen daarover te instrueren, maar tegelijk ook als een vermaning tegen abortus.

Hij was een zedenpreker die met ‘angstwekkend beeldmateriaal’ de meestal nog ongeletterde Spanjaarden weghield van verderfelijke seks, maar tegelijk was hij ook bezeten door alles wat pervers was. In zijn museum had hij een cinemazaaltje ingericht, een nieuwigheid, waarin 25 ‘wetenschappelijke’ projecties werden gepresenteerd. Hij vertoonde films over zwangerschap en het bevallen, maar ook over syfilislijders.

Niet alles evenwel is weerzinwekkend. In het Gentse museum staat onder een glazen huls een reeks van zes skeletjes en op een schap een aantal in potten bewaarde foetussen. Ze doen denken aan de preparaten en skeletten uit de Wunderkammer van de Amsterdamse ‘doodskunstenaar’ Frederik Ruysch. Diens belangrijkste verdienste was het acceptabel maken van de anatomie. Hij was beroemd om de schoonheid van zijn preparaten, die in plaats van walging of schrik juist alom bewondering en vertedering opriepen.

In honderden glazen flessen en potten bewaarde de vermaarde Ruysch delen van kinderlichamen, handen, voeten, hoofden, soms ook hele lijkjes. Hij maakte tafereeltjes, anatomische capriccio’s, kabinetjes met skeletjes van foetussen en lichaamsdelen, met rotsen gemaakt van blaas-, nier- en galstenen, met kunstig tentoongespreide organen, ook vagina’s en penissen, en nog veel andere soms wel heel bizarre rariteiten.

In zijn museum, schreef Luuc Kooijmans in zijn boek De doodskunstenaar – De anatomische lessen van Frederik Ruysch, trachtte hij ‘het beschouwen van zijn verzameling aantrekkelijk te maken door een beroep te doen op de emoties van de bezoekers’. Sommige kinderskeletjes gaf hij speelgoed in de handen, aan de rechterhand van een 5-jarig kind bevestigde hij aan een zijden draadje een gebalsemd hartje, een meisjesskelet droogde met een zakdoek haar ogen.

Het mocht niet al te huiveringwekkend worden geëtaleerd, Ruysch ‘was er in de eerste plaats op uit om zijn anatomische werk voor iedereen aanvaardbaar te maken’. De taferelen werden kleine toneeltjes, de kabinetjes waren voorzien van vanitas-symbolen en spreuken. ‘Ontijdig ben ik verworpen, maar tijdig heeft mij de balsem aangegrepen’, liet Ruysch een kind zeggen, zodat ‘bederving mijn ontijdige dood niet zoude vervangen.’

Nog steeds kijken mensen met veel verbazing en ook wel lichtgelovigheid naar zulke wonderbaarlijkheden. Ook al zien we op kermissen allang niet meer zulke attracties als Roca of dokter Spitzner, omdat die verzamelingen nu ‘museaal’ zijn geworden, toch is die belangstelling voor griezelige curiosa nooit ver weg. In steeds meer steden vind je musea over seks en tortuur. De dood wordt in musea steeds zichtbaarder gemaakt, vaak ook op een aanstootgevende manier.

Veel kunstenaars worden daarbij gedreven door een fascinatie voor het macabere, het morbide en het extreme. Het onbehouwen versnijden van kadavers in een publieke snijzaal, zoals ‘lijkenkunstenaar’ Gunter von Hagens ook op televisie doet, is een heel gewoon spektakel. Zijn exposities trekken duizenden toeschouwers. Mensen zijn altijd op zoek naar dat ‘gevoel van bevreemding’ waar Kousbroek het in zijn krantenstukje over had: wat ze zien kan niet, maar in hun verbeelding is het toch allemaal echt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden