Monetaire unie kan doodskus zijn voor interne markt

NAARMATE de Economische en Monetaire Unie (EMU) met één Europese munt dichterbij komt, lijkt het enthousiasme ervoor af te nemen....

De grootste sceptici bevinden zich in Duitsland. Met een ijzersterke munt en de feitelijke macht over de Europese monetaire politiek in handen van de Bundesbank, lijkt Duitsland alleen maar te kunnen verliezen. Dat is natuurlijk niet zo. Met Nederland profiteren de Duitsers het sterkst van de toegenomen marktintegratie in de Europese Unie waarvan de EMU de bekroning moet worden.

Toch is juist de heilzame invloed van de EMU op de interne markt nog geenszins een gegeven. Een verkeerde afronding van de monetaire integratie zou zelfs het einde van de interne markt kunnen beteken. De reden is, dat niet alle vijftien landen die de interne markt vormen ook onmiddellijk lid van de EMU zullen worden.

Op 1 januari 1999 gaat de EMU waarschijnlijk van start met Frankrijk, Duitsland, de Benelux, Oostenrijk en Ierland. Groot-Brittannië en Denemarken kunnen waarschijnlijk wel meedoen, maar willen en hoeven niet. En de andere zes (Zweden, Finland, Spanje, Portugal, Italië en Griekenland) slagen niet tijdig voor het toelatingsexamen (vakken: inflatie, overheidstekort en overheidsschuld).

De verwachting is dat de EMU een zone van monetaire stabiliteit met een sterke munt zal zijn. De kosten van het aantrekken van kapitaal zullen laag zijn. De inflatie zal eveneens laag zijn, door de monetaire integratie zelf en doordat de Europese munt voor veel niet-EMU-landen wisselmunt en reservemunt zal worden. Dat betekent dat veel geld dat in de EMU in omloop wordt gebracht in ruil voor goederen of diensten naar het buitenland verdwijnt zonder dat de EMU-landen daarvoor een tegenprestatie (in goederen of diensten) hoeven te leveren.

Deze voordelen voor de EMU-landen betekenen echter meteen ook een nadeel voor de landen van de Europese Unie die voorlopig buitengesloten zijn. Zij hebben al een hogere inflatie en hogere overheidstekorten, en ze worden tegelijkertijd geconfronteerd met fors hogere kapitaalkosten.

Voor Denemarken en Groot-Brittannië, landen die wel kùnnen toetreden maar nu niet wìllen, kan dat aanleiding zijn alsnog toe te willen treden. Ook andere landen als Zweden en Finland en op den duur zelfs Italië, zullen op eigen kracht in staat zijn deze kloof te overbruggen en aansluiting te vinden.

Maar wat moet er gebeuren met Spanje, Portugal en Griekenland, en al die Midden- en Oosteuropese landen die op onze poorten bonken? Hoe kunnen zij aansluiting vinden bij een economisch harde kern als er niet sterke touwen zijn die deze drenkelingen aan boord kunnen helpen? Als Spanje, Portugal en Griekenland met hulp van het speciaal daarvoor bedachte cohesiefonds de economische aansluiting met de kern niet kunnen realiseren, hoe moet het dan na 1999, als de EMU bestaat en het cohesiefonds opgehouden is te bestaan? Om over de Midden- en Oosteuropese landen, die nog veel armer zijn dan het zwakke Griekenland, nog maar te zwijgen.

Het is te gemakkelijk voor Nederland en Duitsland om te denken dat dit het probleem van die landen is. Hoe lang houdt een interne markt van twee, of zelfs drie snelheden stand? Met name als de achterblijvers door regelmatige devaluaties op de been proberen te blijven? Wie helpt het bedrijfsleven uit de harde Europese muntzone tegen deze concurrentieverstoringen op één en dezelfde markt, zonder die markt weer op te splitsen?

Als wij in de sterke muntlanden waarde hechten aan het behoud van de interne markt, dan moet de solidariteit tussen EMU-leden en outsiders georganiseerd worden. Daarvoor moeten ook de EMU-leden offers brengen. Concreet gaat het dan om een systeem van monetaire solidariteit, waarbij de munten van de niet-EMU-landen gekoppeld zijn aan de Europese munt. Dit vraagt van de Europese Centrale Bank de bereidheid om desnoods onbeperkt te interveniëren als een munt wordt aangevallen. Voorts is financiële en economische steun, zoals het cohesiefonds, nodig.

Het probleem hierbij is dat de voordelen van de interne markt vooral toevallen aan bedrijfsleven en consumenten, terwijl de kosten van de solidariteit moeten worden opgebracht door de overheden en centrale banken. Dat dwingt overheden tot een keuze tussen verder bezuinigen of belasting verhogen. Bij het eerste zijn de grenzen wel ongeveer bereikt, terwijl op het tweede een taboe rust.

Gezien het belang van bedrijfsleven en consument bij redding en vervolmaking van de interne markt, lijkt het mij echter tijd voor doorbreking van dat taboe. Voor de organisatie van de solidariteit met de EU-landen die dan nog geen lid van de EMU zijn, mag het instrument van belastingverhoging worden gehanteerd. Wie daar niet toe bereid is, accepteert dat de armere EU-landen en de Midden- en Oosteuropese landen nooit lid van de EMU kunnen worden. Daarvan zal vroeg of laat de interne markt slachtoffer worden, zodat wat de bekroning had moeten worden voor de interne markt een doodskus zal blijken.

Alman Metten

De auteur is vice-voorzitter van de economische commissie van het Europese Parlement en lid van de PvdA-Eurodelegatie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden