Mondstukken zo wijd als de IJ-tunnel Saxofonist Sonny Rollins wil een bewegend doelwit zijn

Zet een plaat op van een willekeurige jonge saxofonist en de kans is groot dat je Sonny Rollins hoort. De 64-jarige tenorsaxofonist wordt achtervolgd door zijn verleden....

ALS SONNY ROLLINS op het podium staat, staat er een groot stuk geschiedenis achter hem. Sterker dan welke levende muzikant ook personifieert hij de Jazzlegende, net zoals het beeld van Rollins die 's avonds laat z'n tenorsax bespeelt op een brug in New York een Amerikaanse culturele mythe belichaamt: de jazzmusicus als buitenstaander en rebel. Wat een merkwaardige typering is voor een kunstenaar wiens concerten zo in trek zijn.

Rollins heeft inderdaad geoefend op de Williamsburg Bridge tussen Manhattan en Brooklyn, rond 1960; hij was op zoek naar een plek waar hij kon spelen zonder z'n buren te storen. En hij heeft zich er al lang bij neergelegd dat dit kleurrijke verhaal hem zal blijven achtervolgen. In tegenstelling tot wat F. Scott Fitzgerald schreef, hebben Amerikaanse levens wel degelijk een tweede akte, maar wie durft te hopen zo'n act te overtreffen? Het zou zoiets zijn als de eerste man op de maan, die op een kantoorbaan solliciteert als alle heisa voorbij is.

Vijfendertig jaar later is Rollins nog altijd volop bezig. Hij treedt 30 mei op in het Amsterdamse Muziektheater, zijn eerste concert in Nederland sinds vijf jaar. Het bewijs dat hij een levend kunstenaar is, geen legende. Geen enkele jazzmusicus, behalve Wynton Marsalis, wil een instituut zijn, en Rollins doet z'n best om een bewegend doelwit te blijven. Hij is niet geïnteresseerd in het herhalen van oude successen. Maar je niet laten vastpinnen is geen onverdeeld genoegen, voor hem noch voor ons.

Toen ik Rollins eind vorig jaar in New York sprak, was hij geprikkeld door een biografie die hij pas gelezen had in een festivalprogramma. 'De eerste regel was: ''Sonny Rollins is sterk geworteld in de stijl van Lester Young en Coleman Hawkins.'' Maar dat zijn volstrekte tegenpolen. Speel ik dan het ene nummer zoals Lester, en het volgende zoals Coleman? Het is misleidend, en ergens ook denigrerend. Als je de informatie over de andere jongens leest, dan staat daarin wat ze allemaal gedaan hebben, maar als ze bij mij komen weten ze niet wat ze moeten zeggen. Een tijd lang hadden ze het over ''de grootste levende saxofonist'', maar daar zijn ze ook van afgestapt.'

Hij is te bescheiden: veel jazzfans en critici noemen Rollins nog altijd de grootste levende jazzmusicus, laat staan saxofonist. Als ze daarmee bedoelen: van alle jazzgroten is hij de enige die nog leeft, kun je het daar niet mee oneens zijn. Het staat buiten kijf dat Rollins een aantal van de beste jazzplaten aller tijden heeft gemaakt. Een kort lijstje zou moeten beginnen met wat opnamen uit eind jaren vijftig, met alleen bas en drums, een trioverband waarin je je nergens kunt verstoppen: A Night at the Village Vanguard (twee delen, op dezelfde dag opgenomen), The Freedom Suite, en Way Out West, met de beroemde hoesfoto van William Claxton: Rollins uitgedost als revolverheld, met een Selmer in z'n handen in plaats van een Colt.

Maar wat die fans eigenlijk bedoelen is: Rollins is de grootste jazzmusicus die nu actief is. En met alle respect voor een idool van mij en elke andere jazzfan, dat standpunt is minder goed te verdedigen. Zelfs z'n meest toegewijde bewonderaars geven toe dat hij niet altijd op de toppen van z'n kunnen speelt; ze willen er gewoon bij zijn op de avonden dat het wonder geschiedt. Ik heb concerten bijgewoond van de saxofonisten Dewey Redman en Evan Parker die alles wat ik Rollins heb zien doen in de schaduw stelden (maar dat wil evenmin zeggen dat een van hen 'de grootste' is). Ik heb Rollins wel aardig zien spelen, ik heb hem ook heel, heel goed zien spelen.

De tegenstanders staan altijd klaar met telkens dezelfde reden waarom Rollins van zijn voetstuk is gevallen: zijn groep. In vroeger tijden, met alleen een bassist en een drummer, ging hij een wisselwerking aan met de andere muzikanten, op ritmisch en ander gebied. Sinds de jaren zeventig geeft hij de voorkeur aan grotere en minder interactieve ritmesecties, inclusief elektrische bas en (meestal) gitaar. Het is bekend dat hij drummers prefereert die een solide beat vasthouden, in tegenstelling tot een kneedbare puls. (Rollins-volgers waren dolblij toen hij een aantal jaren geleden de explosief spelende Reggie Nicholson voor een tournee inhuurde; Nicholson werd niet teruggevraagd.) Op de dag dat ik Rollins sprak was zijn grootste compliment voor zijn trouwe begeleider Bob Cranshaw, die met tussenpozen al sinds de jaren zestig voor hem werkt, dat hij 'een betrouwbare bassist' is.

ROLLINS is de oude tijden van het trio niet vergeten, hoewel zijn fans er hem veel minder over aanspreken dan je zou denken. 'Ik speel gewoon liever met meer muzikanten. Als ik goede kan vinden, natuurlijk. Het biedt me wat meer bescherming, ik sta wat minder open en bloot te spelen.

'Ik heb graag het gevoel dat ik alles kan spelen wat ik wil, en dat kan niet als de ritmesectie me volgt. Want het komt voor dat ik een beetje voor het ritme uit speel, of er achteraan. Zij moeten dit vasthouden' - hij slaat een gelijkmatig ritme op zijn been - 'zodat ik iets heb om tegenin te spelen.' Soms lijkt het zelfs dat hij zich omringt met zo veel muzikanten - de laatste keer dat ik hem zag, had hij een gitarist, een pianist, een drummer en een percussionist - om hen bezig te houden: als ze elkaar moeten ontwijken hebben ze geen tijd om hem voor de voeten te lopen.

Het is verleidelijk om psycholoogje te spelen, en parallellen te trekken tussen zijn afstandelijkheid op het podium, of zijn neiging af en toe a cappella te spelen (op een brug of tijdens een concert) en zijn houding van Vaak Herkende Beroemdheid. Hij vertelt dat hij op een avond naar de Newyorkse jazzclub en muzikantensoos Bradley's ging om trompettist Roy Hargrove te horen. Rollins stond achterin, in de schaduw, te hopen dat hij niet herkend of in elk geval niet aangesproken zou worden. Een groot contrast met zijn belevenissen in Chicago, eind jaren veertig, of New York, begin jaren vijftig. Toen snakte hij naar contact met andere muzikanten, en smeedde zijn stijl in het hete vuur van nachtelijke jamsessies, trachtend zijn generatiegenoten van het toneel te blazen. Ook wat dat betreft heeft hij het leven van een jazzlegende geleid.

'In Chicago had je destijds clubs die de hele nacht open bleven, en waar je kon gaan jammen. Je ging bijvoorbeeld om vijf uur 's ochtends naar binnen, en ging meedoen met de ritmesectie. Ik herinner me dat ik Lester Young zag jammen in zo'n onooglijke club, in de kleine uurtjes. In New York waren er ook van die wegspeel-sessies - ik heb in Minton's Playhouse gejamd, in de Paradise, een paar andere clubs - maar in Chicago gebeurde het de klok rond. Je kon altijd wel ergens spelen.'

Volgens de overlevering was Rollins al een kluizenaar in de tijd van de Brug, toen hij twee jaar lang ophield met optreden, de eerste van meerdere 'sabbaticals'. Maar hier zit de legende ernaast: het was niet zo dat niemand wist waar hij woonde, en hij geen boodschappen durfde te doen. Hij lacht als hij deze fabel doorprikt: 'Nee, zo erg was het niet. Er kwamen mensen bij me op bezoek, en dat soort dingen. Het was echt niet zo'n enorme toestand, dat is er later pas van gemaakt.'

Nu, daarentegen, kan hij vreemd afstandelijk lijken, zelfs in zijn piepkleine appartement in Manhattan. Op de donkere, regenachtige middag dat ik hem ontmoet verschuilt hij zich achter een zonnebril, zijn inmiddels grijze haar aan het oog onttrokken door een wollen muts. In het eerste half uur van het interview zegt hij uit zichzelf weinig, tot hij besluitt dat ik misschien wel deug. (Hij staat erg wantrouwig tegenover critici, vooral als ze schrijven voor het jazztijdschrift Down Beat, dat hij ziet als een broeinest van anti-Rollins gevoelens.)

Rollins komt uit Harlem, maar Manhattan is niet echt zijn thuis meer. Als hij niet toert brengen hij en zijn vrouw Lucille de meeste tijd door in hun huis op het platteland, een paar uur ten noorden van New York. Ze houden hun flat in lower Manhattan nu zo'n twintig jaar aan, maar die ziet er niet uit alsof ze alle spullen al hebben uitgepakt. Er slingeren overal kartonnen dozen. Van op een boekenkast kijkt een beeldje van Louis Armstrong neer op de rommel.

En toch, volgens eigen zeggen leeft Rollins voor de momenten dat hij zich blootgeeft voor een publiek, als hij zijn inventiviteit op de proef stelt, en misschien zelfs zichzelf verrast: 'Als ik op het toneel sta, dat zijn de belangrijkste momenten van m'n leven, elke keer weer.'

Net als andere jazzmusici, met name tenorsaxofonisten, heeft hij door de decennia heen zijn eigen interesse gaande gehouden door te schaven aan zijn toon. Voor andere tenoristen van zijn generatie (zoals Jimmy Heath, Benny Golson en wijlen Clifford Jordan), betekende dat een steeds dieper, meer gepolijst en sonoor timbre.

Maar Rollins heeft, net als zijn vroege idool Coleman Hawkins, zijn toon juist rauwer gemaakt. In de jaren vijftighad hij een groot en wollig geluid, hoewel hij er door het manipuleren van de toonhoogte een excentriek tintje aan gaf. Misschien wel meer dan enig ander illustreerde hij Ornette Colemans uitspraak dat je iets te hoog of te laag kan intoneren zonder 'vals' te klinken. Door die grillige intonatie waren zijn ballads hartverscheurend, en tegelijkertijd grotesk. (Wie de laatste jaren tenorist Von Freeman uit Chicago heeft gehoord, kent het effect.) Tegenwoordig is Rollins' toon harder en metaliger, hoewel niet minder meedogenloos dan in zijn hoogtijdagen.

EEN DEEL van de verandering heeft fysieke oorzaken: in september wordt hij 65. Rollins gebruikte vroeger rieten zo dik als boomstammen, en een mondstuk zo wijd als de IJ-tunnel, materiaal dat alleen iemand met ijzeren kaken durft te gebruiken. Maar dezer dagen werkt hij met een zachter riet, en een nog altijd wijd maar niet gapend mondstuk, het gereedschap van eenvoudige stervelingen. 'Ik word helaas ouder, en je aangeboren uitrusting begint na een aantal jaren achteruit te gaan. Maar in de muziek kun je altijd wel iets doen. Het hoeft niet iets te zijn wat je deed toen je eenentwintig was. Je ervaring stelt je ertoe in staat iets te spelen wat even bevredigend is.'

Net als bij Hawkins zijn de veranderingen tevens een reactie op een bijzondere uitdaging: hoe hou je vast aan je eigen identiteit als de helft van de tenoren in de wereld probeert te klinken zoals jij? Draai maar eens een eigentijdse plaat met tenor-bas-drums van om het even wie (Steve Grossman, of Craig Handy, Karl Denson, Willie Williams, Pee Wee Ellis van de J.B. Horns - vrijwel iedereen behalve het Nederlandse unicum Ab Baars), en de kans is levensgroot dat hun Rollins-invloeden luid en duidelijk overkomen.

Niet dat die echo alleen te horen is in triobezettingen. Op Rollins' eigen plaat uit 1989, Falling in Love with Jazz, spart de tenorsaxofonist en stilistische kameleon Branford Marsalis met Sonny in For All We Know. Op een spookachtige manier klinkt hij nog meer als de klassieke Rollins dan Rollins zelf.

Al heeft Rollins' stijl zich ontwikkeld, het is niet zo dat hij aan het verleden kan ontsnappen, zelfs al zou hij dat willen. Elke keer dat hij zijn sax oppakt, komt het tevoorschijn. Tijdens concerten speelt hij nog altijd calypso's, die hij als kind gehoord heeft in Harlem, met zijn bloeiende Westindische gemeenschap. (Zijn moeder is afkomstig van de Maagden Eilanden.) Aan het eind van een nummer speelt hij vaak een lange solo-cadens; daarin klinken de onbegeleide improvisaties door waar zijn voorbeeld Hawkins de pionier van was, en die Rollins zelf ook af en toe heeft vastgelegd. (Hij nam zijn eerste a cappella-stuk op in 1957, en bracht in 1985 het live opgenomen The Solo Album uit.)

HIJ IS een spitsvondig citeerder, en strooit flarden van lang vergeten melodieën door z'n improvisaties, die je eraan herinneren dat hij altijd een zwak heeft gehad voor ongebruikelijk materiaal. (Op Way Out West brengt hij bijvoorbeeld I'm an Old Cowhand en Wagon Wheels.) En hij blijft een meester van het ritme, om de beat heen dansend als een vol adrenaline gepompte bokser om een versufte tegenstander.

En bovenal brengt zijn uitbundige frasering die pure vreugde over, die jazz tegenwoordig minder vaak uitstraalt dan in zijn beginjaren. In dat opzicht is het goed dat hij zich niet heeft ingelaten met de grauwe nuchterheid van al te veel 'Jonge Leeuwen'. Hij maakt zich zorgen dat de mensen hem frivool vinden vanwege de bizarre liedjes die hij soms speelde, maar hij koos ze altijd omdat hij ze leuk vond, niet om te choqueren. 'Als je geniet van wat je doet, draag je dat over op het publiek. Dan zullen ze jouw plezier navoelen, omdat je met meer pit speelt, of met meer wat dan ook.'

Dat is een afspraak met zichzelf en zijn luisteraars waar Sonny Rollins zich aan houdt. Dus als hij zich afzijdig lijkt te houden van de veranderingen in de jazzwereld, en zelfs van zijn collega's op het podium: als hij zich daarbij op zijn gemak voelt, is dat in het belang van elke fan - zelfs de fan die basgitaarsolo's haat. Als Rollins (of welke grote jazzsolist dan ook) loos gaat, echt loos, is het of de bliksem inslaat.

De trouwe aanhangers hebben gelijk: je wilt erbij zijn, voor het geval het gebeurt.

vertaling Frank van Herk

Sonny Rollins treedt dinsdag 30 mei op in het Muziektheater in Amsterdam.

Recente cd's:

Old Flames. Milestone MCD 9215-2 (1994).

Here's to the People. Milestone MCD 9194-2 (1991).

Falling in Love with Jazz. Milestone MCD 9179-2 (1989).

Dancing in the Dark. Milestone MCD 9155-2 (1987).

G Man. Milestone MCD 9150 (1987).

The Solo Album. Milestone MCD 9137 (1985).

Sunny Days, Starry Nights. Milestone MCD 9122 (1984).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden