Monden gapend vol rook Waarschuwende poëzie van Lidy van Marissing

Serge van Duijnhoven is als geëngageerde dichter in zijn jongste bundel Copycat op zoek naar een onderwerp. Als postmoderne (?) dichter wil hij betrokken zijn, maar typerend voor zijn generatie is dat hij niet weet waarbij....

GERT JAN DE VRIES

Kun je van Van Duijnhoven zeggen dat zijn woeste stuurloze engagement sympathiek overkomt, dan moet je bij Van Marissing wel teleurgesteld raken door de vertrouwde klaagzang die opstijgt uit haar werk. Ze appelleert in schrijnende beelden aan ons aller schuldgevoel door onze overdaad tegenover honger elders te plaatsen: 'Langs welke kant/ raapt men de resten bijeen?/ huizen, gebit en geheugen/ hersteld, de oorlog snel vergeten// (iemand trekt nog met een been, krabt/ gruis van zijn kop, een korrel/ zwart zand achter zijn oor)// op tafel een schaal vol karkas/ visgraten wit, tot schoon bot afgekloven geraamte van kip, leeg-/ geslurpte oesterschelpen.'

En ze klaagt burgerlijke ondeugden als nieuwgierigheid en roddelzucht aan: 'Gezichten ontcijferend overdwars/ en in de lengt rekt men zich// beklimt elkaar hele dagen/ glurend naar binnen// raakte zo verslingerd, danserderwijs/ in de breedte schudt men// zoetsappig het hoofd, cirkelvormig/ de mond vol geheim, een zwijgen// langs de randen van kamers drentelend/ raadsel is men, steeds z'n eigen spil.'

Geheel politiek correct (en zonder enige oplossing aan te dragen) signaleert Van Marissing voorts maatschappelijke problemen als overbevolking, de terreur van snelwegen, de haast in de samenleving, desinteresse in de medemens en de nog altijd ongelijke positie van man en vrouw. Dat laatste doet ze onder andere in het gedicht 'femina 2000' en in die huishoudbeurstitel klinkt onverwacht enige ironie door: 'Keert en keert zich/ wendt noch went zich ooit/ aan 's werelds loop// zij spreekt een mondje mee/ waarmee nog niets/ gezegd mag zijn, een eeuw// blijft zij de lakens vouwen/ door anderen uitgedeeld, de jeuk/ brandt in haar handen// straks weigert zij (een geeuw) en keert/ en keert tegen de krib/ haar veelgeprezen achterste.' Dat juist het veelgeprezen lichaamsdeel is uitverkoren om model te staan voor de ommekeer vind ik wel geestig.

Maar bij de woordspelige opeenvolging van 'keren', 'wennen' en 'wenden' gaat het mis: 'Zich wenden aan 's werelds loop' is grammaticaal onmogelijk en betekent niets. 'Wenden aan 's werelds loop' idem. 'Zich wennen aan iets' kan al evenmin. Speelsheid zonder beheersing. Vergelijkbare kritiek is op veel van de gedichten mogelijk, want Van Marissings techniek is allerminst vlekkeloos. Wat te denken van: 'Langs 's heren wegen/ schuimen de dames, takelend zich/ hoog ter been, makend zich/ op met bloedrode verf.'

'Takelend zich' is raar, 'makend zich op' is erg raar. Takelend en makend zijn slechts twee van de enorme hoeveelheid tegenwoordige deelwoorden die door Marissing als een gouden greep tot vervelens toe door de bundel heen worden gebruikt. In de titel van de bundel zit er ook een. De grootste ophoping is waarschijnlijk deze: 'Doortrekkend de winkelstraten, een menigte/ monden gapend vol rook, te vol/ te druk, veelkoppig zich rakelings scherend/ langs bont (met de nervatuur van vlees)/ aansturend, afvurend...' Et cetera.

Het is een trucje. In Marsmans beroemde regel 'Denkend aan Holland/ zie ik brede rivieren' was het tegenwoordig deelwoord nog een ideaal dichterlijk middel: kort, voor meer dan een uitleg vatbaar en generaliserend. In samenspel met de titel, 'Herinnering aan Holland', kon de lezer immers denken dat Marsman een keer in den vreemde aan Holland dacht en toen het beeld voor zich kreeg van die brede rivieren, maar evengoed dat dat Holland in dat ene beeld te vangen was. Zo was iets eenmaligs tegelijkertijd een algemene waarheid, en iets algemeens actueel, althans voor hem. Van Marissing gebruikt die dichterstruc voortdurend.

De combinatie van generaliseren en actueel maken, wordt in haar handen een middel tot moraliseren. Het gaat in haar bundel dan ook bijna nergens over individuele personen, maar steeds over de maatschappij, zo blijkt ten overvloede uit de titel die de eerste afdeling van tien gedichten meekrijgt: 'Kleine antropologie.' Maar het is krachteloos, klagerig moraliseren geworden, want Van Marissing kan geen alternatief bieden. Ze wijst af en waarschuwt, maar weet niet hoe het anders moet, want ze beseft het gevaar van grootse idealen. Ze geeft een gedicht waarin oorlogsleed centraal staat immers als titel een citaat van Nijhoff mee, 'Hoger honing', zo verwijzend naar de dwaze bijen die ver van de korven de dood vonden terwijl ze een ideaal najoegen.

Van Marissing besluit dat gedicht met: 'Altijd een geur van schroeiend vlees// brandende veren? Aan de horizon, toch/ vindt men daar het vuur weer uit.'

Lidy van Marissing: Ontcijferend de gezichten. Van Gennep, ¿ 24,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden