Molukker met een Belgisch paspoort

Simon Tahamata is een 38-jarige Belg, maar wat is een paspoort meer dan een stukje papier? 'Ik ben in de eerste plaats Molukker.' Hij houdt rekening met een nieuwe uitbarsting van geweld in de Molukse gemeenschap en klaagt over het gebrek aan artisticiteit in het moderne voetbal....

PAUL ONKENHOUT

SIMON Tahamata is een voetballer van vroeger.

'Een eind! Mijn eerste training bij Ajax ben ik nooit vergeten. Ik kwam vanuit Tiel op het Amstelstation aan en dacht: nou, de rest loop ik wel even. Maar een eind! Die hele Middenweg af.

'Ik was vijftien jaar en Ajax was alles voor me. Dat was me een reis, hoor. Ik zat tot vier uur op school en moest iedere keer weer rennen om op tijd op de training te zijn. We speelden meestal op zaterdag, om tien uur. Dan gebeurde het wel eens dat je op Voorland kwam en hoorde dat het was afgelast. Verschrikkelijk was dat.

'Ik moest gewoon contributie betalen, 125 gulden. Onkostenvergoedingen bestonden niet. Ik kreeg tweehonderd gulden kledinggeld en daar moest ik alles van kopen, een shirt, een broekje, kousen en schoenen. En dan ook nog eens iedere keer die reis van Tiel naar Amsterdam. Dat geld was dus snel op. Mijn hele familie moest in het begin bijspringen.'

Zijn eerste contract leverde hem en zijn familie vijftienduizend gulden op. Per jaar. Dat is dus bijna een kwart eeuw geleden.

'En nu, nu lopen jochies van zeven, acht jaar in een trainingspak van de sponsor. En ze hoeven alleen een schone onderbroek en een handdoek mee te nemen naar de club. En spelers als Koeman en Rijkaard kunnen op hun dertigste zeggen: het is mooi geweest zo, ik stop.'

Simon Melkanius Tahamata woont in een mooi, groot huis in Tongeren, in Belgisch Limburg, samen met zijn vrouw en twee zonen. Het is zijn beloning voor twintig jaar profvoetbal bij Ajax, Standard Luik, Feyenoord, Beerschot en Germinal Ekeren. 'Het is een huis voor de rest van mijn leven.'

Tahamata is van lang geleden, uit de tijd dat Ajax nog werd geleid door de knorrige voorzitter Harmsen, Ivic trainer was en heel Nederland wilde knuffelen met die kleine Zuidmolukker. Hij was klein en donker en, werd gezegd, verlegen.

Maar wat hem nog meer van de anderen in Amsterdam onderscheidde, was zijn spel. Hij was altijd de ranke, dartele aanvaller met de Zuidamerikaanse inslag, de pingelaar die poging op poging waagde zijn tegenstander te passeren.

Maar Tahamata zou te licht zijn voor de top, te naïef bovendien. Toen Ajax in 1980 een goede prijs voor hem kon krijgen, liet de club hem voor zes ton vertrekken naar Standard Luik. Hij was pas 24 jaar. Oudere fans van Ajax kunnen er nòg kwaad om worden.

Hij komt er nog wel eens, bij Ajax. Dat zal wel altijd zo blijven, ook al is zijn neef, Ignacio Tuhuteru, inmiddels verhuurd aan RBC. 'Als er wat leuks is, bel ik Bobby Haarms en gaan we kijken. Met het gezin. Leuk dagje uit.'

Maar zijn club is Standard Luik. Daar zal hij, als hij zijn loopbaan beëindigt, in dienst treden als jeugdtrainer. Zijn hart ligt elders, op de Molukken, maar Sclessin, het stadion, is een redelijk alternatief. Tahamata schitterde er jarenlang, ook dank zij de trainers Happel en Goethals die beseften dat hij niet in een taktisch keurslijf gedwongen mocht worden.

Het einde was niettemin asgrauw: een omkoopschandaal en een schorsing van een half seizoen. Ook Tahamata had een aandeel in de affaire die België jarenlang beroerde. Toch zegt hij, zijn carrière overziend: 'Ik heb nergens spijt van.'

In 1984 trok hij naar Feyenoord, maar altijd wist hij dat hij ooit naar België zou terugkeren. Met een rode kaart in zijn slotwedstrijd in de Kuip en in tranen verliet hij Nederland in 1987.

Op het braakliggende stuk grond dat hij ooit in Tongeren had gekocht, liet hij een huis bouwen. Hij betrok het in 1987 en nam de afstand naar Beerschot, zijn vierde club, voor lief. De dagelijkse tocht naar zijn vijfde en laatste club, het dorpse, maar wel in de hoogste klasse spelende Germinal Ekeren, vergt ongeveer net zo veel tijd, krap anderhalf uur over 120 kilometer.

'Maar', zegt Tahamata, de 38-jarige, 'ik ben nog nooit met tegenzin in de auto gestapt.'

En dus begint er wéér een seizoen, zijn negentiende op het hoogste niveau, met wéér een nieuwe trainer: Herman Helleputte, een naam die veel over de drager ervan prijsgeeft. Tahamata kent hem nog uit de tijd dat Helleputte nog bij Lierse speelde.

'Het was een schopper. Dus toen ik hem hier voor de eerste keer zag, zei ik: hé, schopper. Voor de grap natuurlijk, maar tjonge, tjonge, wat was dat een schopper.' Niet dat het er wat toe doet. Dat laconieke gevoel krijg je als je al zoveel trainers hebt meegemaakt.

Hij had dit jaar zes weken vakantie. Het wereldkampioenschap volgde hij in Tunesië, zonder dat hij er veel plezier aan beleefde. Met vrouw en kinderen maakte hij uitstapjes naar Maastricht en Hasselt, en hij werkte wat in zijn tuin. 'Erg plezant allemaal. Maar dat is niet mijn gewone leven. Dat begon op 4 juli, de dag van de eerste training. Mijn leven is het leven van een beroepsvoetballer.'

Inmiddels is hij Belg, zonder dat hij zich Belg voelt. Zoals hij zich eigenlijk ook nooit Nederlander heeft gevoeld, zijn 22 interlands ten spijt. Op aandrang van de toenmalige trainer van Beerschot, George Heylens, die kampte met een overtal aan buitenlandse spelers, liet Tahamata zich in 1989 tot Belg naturaliseren.

'Ach, zo'n paspoort, wat is dat nou meer dan een stukkie papier? In ben in de eerste plaats Molukker. Mijn hart is Moluks.' Zijn ogen schitteren.

Het is een kant van Tahamata die in Nederland zelden duidelijk werd belicht. Hij is een vurig en overtuigd aanhanger van het Molukse ideaal, een vrije, onafhankelijke republiek op Ambon en de andere eilanden van de Molukken.

Het vuur brandde altijd al, maar de laatste jaren brengt hij in interviews het onderwerp zelf ter sprake. 'Bijvoorbeeld als ik tot man van de wedstrijd ben uitgeroepen en er journalisten naar me toe komen. Wat moet ik zo langzamerhand nog over een wedstrijd vertellen? Jammer van die bal op de paal. Het ging wel lekker ja, ja, veel kansen gemist, volgende keer beter, enzovoort. Dat weten de mensen nu allemaal wel.'

Dan praat hij liever over zijn afkomst. 'Ik ben er toe in de gelegenheid, dus ik draag de boodschap uit.' Hij doet het in het militante jargon van de fanatieke idealist.

Simon Tahamata werd geboren in het opvangkamp Lunetten bij Vught, en groeide met zes broers en vijf zussen op in Tiel. Met zijn vrouw, ook een Molukse, spreekt hij Maleis en hij leert zijn kinderen de taal. 'Want ook de taal moet worden doorgegeven. Als ik een landgenoot ontmoet die geen Maleis praat, geef ik hem een beuk. Nou ja, een beuk. Ik beschouw hem als een vreemdeling, laat ik het zo maar zeggen.

'Onze generatie is verplicht de strijd voort te zetten. Ik vertel mijn kinderen over de treinkaping in 1977 en de dood van die zeven jongens. Dat màg niet worden vergeten. Ik moet dat vertellen. Als ik het niet doe, als anderen het niet doen, worden we een volk zonder identiteit.

'Ik zeg ze waarom ze het deden. En voor wie. Ze deden het voor ons, voor onze zaak.'

Hij bezoekt zoveel mogelijk manifestaties van Molukkers 'om me op te laden en me te warmen'. Het steekt hem dat de televisie tegenwoordig niet eens meer de moeite neemt om aandacht te schenken aan de viering van de Molukse onafhankelijkheidsdag op 25 april.

Het vuur brandt nog wel in de Molukse gemeenschap, maar niet meer zo hevig als in de jaren zestig en zeventig. Dat erkent hij. 'Er is meer begrip nu, wederzijds respect ook. Maar nog niet genoeg. Ja, ik houd er rekening mee dat het geweld uit de jaren zeventig een vervolg krijgt. Niemand moet vreemd opkijken als er nieuwe uitbarstingen komen.

'Nog te vaak worden we over één kam geschoren met Turken, Surinamers en Marokkanen. Maar wij zijn hier in feite op dienstbevel van de Nederlandse regering.

'Wij hadden 44 jaar geleden geen andere keus dan naar Nederland te komen. KNIL-soldaten van twintig jaar hebben hun leven gegeven voor de Nederlandse driekleur. Dat mag door ons, de jongeren, nooit worden vergeten. Anders hebben we niets om voor te leven. Dan is alles voor niets geweest.

'Alles is mogelijk. Kijk naar het uiteenvallen van het Oostblok. Dat was ook onmogelijk, werd altijd gedacht.

'Ik ben twee keer op vakantie geweest op de Molukken, in 1978 en '88, tijdens het WK in Argentinië en het EK in West-Duitsland. Toen heb ik veel met broers en zussen van mijn ouders gesproken. Nee, niet over de onafhankelijkheid, dat is daar veel te gevaarlijk.

'Ik was blij, vooral de eerste keer. Ik ben als voetballer overal geweest, ben vliegtuig-in-vliegtuig-uit gegaan, maar het was nooit ergens zo mooi als toen. We vlogen op een gegeven moment boven het moederland en ik dacht: daar kom ik vandaan, daar is mijn thuis, niet in Nederland of België, maar daar.'

- Voetbal als bijzaak.

'Nee, toch niet. Ik verdien er het brood voor het gezin mee. Het is mijn beroep en mijn hobby. Mijn geluk dank ik voor een groot deel aan het voetbal.'

En met dat voetbal, zegt hij, gaat het niet goed. Tahamata mist ze, de dartele spelers die net als hij louter op intuïtie spelen. Er zijn niet zoveel spelers meer voor wie hij bereid is 's nachts op te staan. Hij noemt, denkend aan het WK, Romario, Bebeto en Maradona.

'Ik zie zo langzamerhand alleen nog maar grote, sterke spelers. Dribbelen mag bijna niet meer. Voetbalwedstrijden worden steeds vaker conditieslagen. De ploeg met de meeste kracht wint. Er is nauwelijks nog plaats voor creatieve spelers. Doodzonde.'

Een passeerbeweging, ook een mislukte, is mooier dan een breedtepass, zo dacht hij er altijd al over. Hij vertelt het nu aan de miniemen van Tongeren, de groep tien- tot twaalfjarigen die hij twee maal per week traint. 'Ik laat ze lekker hun gang gaan. Ze moeten iets met een bal kunnen. Anders heeft voetbal voor mij geen zin.'

Maar zelfs dan, als hij ze na de vakantie vraagt wat ze hebben gedaan, blijkt driekwart van de jongens vooral achter de computer te hebben gezeten. 'Dat stemt mij somber. Mijn jongens hebben ook een computer, natuurlijk, dat hoort bij deze tijd. Maar na een tijdje gooi ik ze de straat op. Om te voetballen.

'Als ik die jongens train, denk ik vaak aan mezelf. Hoe ik als jongen altijd met een bal bezig was, buiten, maar ook binnen, in mijn slaapkamer, in de gang. Als je wilt voetballen, is er altijd ruimte. Dat zeg ik ook altijd tegen die kinderen.'

Het klimaat is guur voor spelers zoals hij. Tahamata denkt hardop aan zijn neef Ignacio Tuhuteru, eveneens een lichtgewicht en door Ajax voorlopig afgestoten. Toen hij bij Ajax speelde, negen jaar lang, woonde hij in Koog aan de Zaan bij de familie Tuhuteru in.

'Ik ben veel ouder, maar we stonden urenlang in de gang te voetballen. Ivic zag het in mij zitten. Dat geluk heeft Ignacio niet met Van Gaal. Te klein? Ach, hoe groot is Marc Overmars dan? Die is ongeveer net zo lang als hij.

'Van mij werd ook altijd gezegd dat ik te klein was. En kijk me nu eens. Een mooi huis, een fantastisch gezin en ik speel al sinds 1976 in de hoogste afdelingen. Ja, ik ben zeer gelukkig.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden