Moeten wetenschappers zich vaker begeven in mediastormen?

Ionica zag een getal

Foto de Volkskrant

'Wetenschapper, spreek!', schreef Rosanne Hertzberger vorige week in NRC. Ze verzuchtte dat ze graag meer wetenschappers in mediastormen zou zien - mensen die de modellen maken waar de discussie over gaat, degenen die met hun voeten in de al dan niet spreekwoordelijke modder staan. Volgens Hertzberger is het probleem echter dat de meeste academici 'opgesloten zitten in hun ouderwetse organisaties'.

Ik was blij dat ze niet 'ivoren toren' schreef, want als ik op mijn kleine universiteitskamer zonder daglicht zit, vraag ik me weleens vertwijfeld af waar die sjieke, ivoren werkplekken zijn. Ik geloof überhaupt niet dat wetenschappers opgesloten zitten in hun organisatie. Uit een reeks internationale vragenlijsten bleek steeds dat minstens 60 procent van de wetenschappers de afgelopen drie jaar rechtstreeks contact had met een journalist.

De afgelopen weken zaten in Nederlandse talkshows ook onderzoekers als Martijn Katan, Erik Scherder en Peter Kuipers Munneke die volop met hun voeten in het lab dan wel de modder hebben gestaan. De wetenschappers in de mediastormen zijn er wél, maar het zijn vaak dezelfden en er zouden er wel wat meer mogen zijn.

Terecht benoemt Rosanne Hertzberger als probleem dat wetenschappers op tijdelijke contracten zitten, op zoek naar geld om hun eigen baan te financieren. Ze worden in de praktijk nauwelijks beloond als ze zich mengen in het maatschappelijk debat. Sterker nog, collega's zullen eerder honend lachen als je één klein detail wegliet en mopperen dat je je avond beter aan echte wetenschap of een subsidieaanvraag had kunnen besteden.

Hertzberger denkt ook dat wetenschappers gemuilkorfd zijn door centraal communicatiebeleid. Dat beeld herken ik niet. Volgens mij is het probleem eerder dat wetenschappers aan hun lot worden overgelaten als ze zich in de buitenwereld wagen. De Leidse Amerikanist Sara Polak beschreef vorig jaar in een blog hoe ze moederziel alleen voor een draaiende camera belandde en tevergeefs aanklopte bij de universiteit voor training: 'Mijn promotor sprak me bemoedigend toe ('wees gewoon jezelf').' Zelf kwam ik als promovendus ook totaal onvoorbereid op televisie en ik hoor Joost Prinsen nog vloeken omdat hij met zulke amateurs moest werken.

Het is ook niet makkelijk om voor een algemeen publiek te spreken over een onderwerp waarvan jij jarenlang één minuscuul detail hebt bestudeerd. Je moet terugschakelen naar het grotere plaatje, ingaan op vragen waarvan je niet eens had bedacht dat buitenstaanders ze konden hebben en dat alles zonder te vervallen in het jargon waaraan je gewend bent. Bovendien weet je helemaal niet hoe media werken. Eén collega vroeg opgewekt aan een hijgerige talkshowredactie of een onderwerp in plaats van die avond misschien volgende maand zou kunnen, dan had ze genoeg tijd om zich in te lezen. Een ander was verbaasd dat een krant zijn aangeboden artikel van vier kantjes niet zomaar afdrukte.

Daar zou centraal communicatiebeleid juist bij kunnen helpen. Met training en ondersteuning voor wetenschappers die zich graag in het maatschappelijk debat wíllen mengen, maar absoluut niet weten hoe. Met tips die verder gaan dan 'lekker jezelf zijn' als een wetenschapper om hulp vraagt voordat ze op televisie komt. En het zou ook goed beleid zijn als universiteit om onderzoekers die zo geëngageerd zijn als Rosanne Hertzberger te omarmen.