Moedwil en misverstand

Je hebt Vlamingen. Je hebt Walen. Maar heb je ook Belgen? Nauwelijks, ontdekte Bart Dirks toen hij correspondent in België werd....

Het was een merkwaardig interview in 2003 op de radio. Een Belg vertelde dat hij zich na zijn dood wilde laten invriezen. Een firma zou hem pas ontdooien als de medische wetenschap ver genoeg was gevorderd om zijn lichaam, verjongd en wel, weer tot leven te wekken.

Maar stel dat u plotseling op straat doodgaat, informeerde de ondervraagster, hoe weten de omstanders dan wat te doen?

Geen punt: als hij binnen twee uur bij zijn begrafenisondernemer werd gebracht, kon het invriesproces tijdig beginnen: ‘Dat lukt altijd, want zo groot is Vlaanderen ook weer niet.’

Ik was net van Amsterdam naar Brussel verhuisd en verbaasde me. Niet over de invrieswens van de man (elke gek zijn gebrek), maar over het feit dat hij enkel Vlaanderen tot zijn actieradius rekende. Had hij geen vrienden in Luik? Ging hij nooit winkelen in Namen? Een weekendje naar de Ardennen? Of bestond België voor hem überhaupt niet?

Nederlandstalige Belgen hebben het zelden over België. De media melden opgelucht dat ‘er geen Vlaamse slachtoffers zijn gevallen bij de aardbeving in Peru’. Tom Boonen is een Vlaamse wielerheld en Kim Clijsters was een Vlaamse tennisster. Pas als het niet anders kan, gaat het over Belgische sporters (Justine Henin, Rode Duivels). Gaat het expliciet over België, dan zeggen nieuwslezers liefst verdoezelend ‘ons land’.

Veel Vlamingen valt het niet eens meer op. Twee weken geleden hoorde ik een gesprek met Sylvia Kristel. De Nederlandse actrice van de Emanuelle-films zei zich meer in België thuis te voelen dan in haar geboorteland. Ze vertelde dat ze aardig wat Belgische geliefden had gehad.

‘Belgische of Vlaamse minnaars?’, zo onderbrak ondervrager Pat Donnez haar.

‘Euh, Vlaamse’, was haar enigszins verbaasde antwoord. Daarna ging het gesprek gewoon verder.

‘Of ik daarmee iets bedoelde? Wat een rare vraag!’, zegt Donnez aan de telefoon. ‘Geen idee. Misschien verwees ik onbewust naar Het verdriet van België van Hugo Claus. Kristel was immers met hem getrouwd. En hier op de redactie ging lang het gerucht dat ze iets met een collega had. Verder zou ik het niet weten.’

Misschien ben ik al te gevoelig geworden voor ‘Vlaamse reflexen’; ik ging die zondag trouwens naar de IJzerwake, de ultrarechtse betoging voor Vlaamse onafhankelijkheid. Daar vergeleek een spreker de verfransing van de Vlaamse gemeenten rondom Brussel met de Gazastrook!

Natuurlijk, dat zijn de extremisten die diepe haat koesteren tegen Wallonië, België en het koningshuis. Maar ook gematigder vrienden waarschuwen me: ‘Denk niet dat alles weer bij het oude wordt als deze storm gaat liggen. Eindelijk durft Vlaanderen nee te zeggen tegen de Franstalige arrogantie. We willen meer bevoegdheden, omdat alles wat federaal gebeurt in het honderd loopt.’

Vlaanderen radicaliseert. Volgens een peiling in Het Nieuwsblad is 38,8 procent vóór een onafhankelijk Vlaanderen. Weliswaar is ruim de helft tegen, maar zij vormen een zwijgende meerderheid.

Maar hoe zit het in Wallonië? Bezuiden de in 1963 vastgelegde taalgrens is men fier op zijn bossen, rivieren en la cuisine du terroir, de streekkeuken. Ernstig wordt er gesproken over het Marshallplan voor Wallonië, dat het gewest moet helpen aan la relance, de economische heropleving. Maar de woordkeus vernauwt zich zelden tot Wallonië: België is en blijft de maat der dingen. Zo is er een krant met de naam La Libre Belgique en de dienst die toeristen naar de Ardennen lokt, heet Belgisch Verkeersbureau. Misleidend is dat wel: voor het noorden is concurrent Toerisme Vlaanderen bevoegd. Brussel doen ze allebei.

Amper 12 procent van de Walen spreekt zich nu uit voor een onafhankelijk Wallonië, niettemin ongebruikelijk hoog. De ratachisten, zij die zich willen aansluiten bij Frankrijk, zijn op de vingers van een hand te tellen. Bijgevolg moeten de Walen het met België en dus óók met de Vlamingen doen. Toch is de ergernis over les Flamands snel gewekt. In een parkeergarage van luchthaven Zaventem draait een man zijn raampje open. ‘Monsieur, c’est quoi, oet?’ Hij wijst op een bordje met het woord ‘out’.

‘Ça veut dire sortie, uitgang’, leg ik uit Andermaal neemt de man de drie letters in zich op. Dan foetert hij in het Frans: ‘Bespottelijk dat het er enkel in het Vlaams staat. Het is ook óns vliegveld.’ Het halfbakken Engelse compromis ontgaat hem. Net als het feit dat de nationale luchthaven, op Vlaamse grond, even neutraal als lelijk Brussels Airport heet.

Is het anekdotische bewijsvoering? Misschien. Maar als ik dinsdagavond aan het Brusselse Flageyplein enkele Belgische pinten drink met Waalse vrienden (de een uit de welvarende provincie Waals-Brabant, de ander uit het armlastiger Henegouwen), schrik ik van hun toon. ‘We zijn het racisme van de Vlamingen beu!’, stellen ze meer dan eens. ‘Wallonië was 150 jaar de rijkste helft van België. Wij wilden nóóit van Vlaanderen af in die tijd. Nu zijn zij rijker en hebben ze genoeg van ons.’

Over de Vlaamse taalstrijd halen ze hun schouders op. ‘De Gentse bourgeoisie koos er toch zelf voor om Frans te spreken? Dat was vroeger de taal van de elite, tot in Rusland. Het is eerder toeval dat de Walen ook die taal van de bovenklasse spreken.’

Veel van mijn Vlaamse vrienden zouden van deze uitspraken rode vlekken in hun nek krijgen. Ze zouden vertellen dat een Vlaming in Luik wel Frans spreekt, maar een Waal in Antwerpen geen Nederlands. Een enkeling zou er de Vlaamse frontsoldaten uit 1917 bijslepen, die koning Albert I vergeefs vroegen om Nederlandstalige regimenten.

In het café aan Place Flagey (om ook de Franse naam te noemen) zuchten mijn Waalse vrienden diep. ‘Altijd weer die mythen over de Guldensporenslag en de Eerste Wereldoorlog! Ze hebben toch hun taal, hun gewest en hun minister-president gekregen? Waar houdt het op? Natuurlijk zijn de Brusselse straatbordjes tweetalig, maar laten we eerlijk zijn: wie spreekt hier Vlaams?’

Fijngevoelig is het bepaald niet. Maar feitelijk onjuist evenmin. Ik ken genoeg Vlamingen die zich nooit in Brussel wagen, maar wél verwachten dat ik er mijn koffie in het Nederlands bestel.

Is het ieder voor zich, en Brussel voor ons allen? Zo lijkt het, want in en om het hoofdstedelijk gewest is de botsing het meest manifest. De ‘strijd’ gaat al tientallen jaren om de gemeenten rond Brussel. Vlamingen noemen dat de Vlaamse rand, Franstaligen la périférie bruxelloise. In die woordkeus schuilt een wereld van verschil.

In sommige van de Vlaamse randgemeenten, zoals Sint-Genesius Rode, is wel 80 procent van de bevolking Franstalig. Voeg die gemeenten bij het gewest Brussel, zeggen de Franstaligen. Handen af van de taalgrens, antwoordden de Vlamingen; de Franstaligen inwijkelingen hadden maar Nederlands moeten leren.

Om het ‘Vlaamse karakter’ van de Rand te onderstrepen, doen morgen naar verwachting honderdduizend fietsers en wandelaars mee aan de 27ste ‘Gordel’; een even sportief als politiek evenement. Vroeger legden boze Franstaligen op ‘de Tofste Zondag’ punaises op het wegdek, of verhingen de routebordjes. Sinds drie jaar is er een Promenade verte/Groene Wandeling in Brussel, ook nu zondag. Hoewel beide taalgroepen welkom zijn, vinden de Gordelaars het een pure provocatie van de Franstaligen.

Goddank worden de Belgische conflicten uitgevochten met fietstochten en plaagstoten. Niemand roept op tot bloedvergieten. Maar de verongelijktheid kent aan beide zijden van de taalgrens geen einde. De staatshervormingen hebben geleid tot twee gescheiden maatschappijen met eigen publieke opinies, waardoor misverstanden gemakkelijk de overhand krijgen. België is wel het enige land ter wereld genoemd met twee onderdrukte meerderheden.

Van de ‘tegenstander’ wordt een karikatuur gemaakt en die gaat men vervolgens te lijf. De Vlamingen en Franstaligen krijgen in hun eigen media een grotesk beeld van elkaar voorgeschoteld. Zo veralgemeniseert de Franstalige publieke omroep (RTBF) gemakkelijk krasse separatistische taal van enkele Vlaamse politici als Filip Dewinter tot ‘het Vlaamse standpunt’.

Veel kritiek uit Vlaanderen kreeg ook het ‘nepjournaal’ van de RTBF. Dat meldde in december 2006 dat Vlaanderen de onafhankelijkheid had uitgeroepen. De nieuwslezer zei dat het Vlaamse parlement daartoe had besloten met une majorité écrasante (een overweldigende meerderheid). Er volgden beelden van juichende mensen op de Grote Markt van Antwerpen.

Nous en avons marre ( We zijn het beu) schreef de hoofdredacteur van De Standaard in zijn commentaar op deze nepdocumentaire met de naam Bye Bye Belgium.

Maar de Vlaamse media schuwen de clichés evenmin. Als Wallonië er al aandacht krijgt, dan gaat het over vriendjespolitiek, corruptie en werkloosheid. ‘De uitgebreide aandacht voor de schandalen rond de Parti Socialiste in Charleroi is niet onlogisch’, stelt de Antwerpse politicoloog Dave Sinardet. ‘Maar het weegt zwaar op de beeldvorming in een context waarin nauwelijks andere berichtgeving over Wallonië wordt gebracht.’

Bij gebrek aan Belgische media en Belgische politieke partijen creëren de landsdelen hun eigen realiteit. De Vlaamse media vragen vooral Gentse of Antwerpse politicologen om duiding van de politieke crisis; de Franstalige media halen de mosterd bij de Université Libre de Bruxelles. In de polarisatie worden gematigde stemmen nauwelijks nog boven het gekrakeel uit. Moedwil en misverstand gaan hand in hand.

De kloof is dieper geworden en de toon vijandiger. Maar gaat België eraan ten onder? Al vaker werden ondenkbaar geachte compromissen gesloten. Opvallend is dat de Vlamingen en de Franstaligen elkaar verwijten België in gevaar te brengen: de Vlamingen door te veel te eisen bij weer een staatshervorming (vinden de Franstaligen), de Franstaligen door op al die eisen categorisch ‘non’ te antwoorden (stellen de Vlamingen). Kennelijk durft bijna niemand de verantwoordelijkheid van een splitsing op zich te nemen.

Het is een schrale troost voor koning Albert. Er zijn nog onderdanen die om zijn verscheurde land geven. Maar mocht België barsten, dan is het evengoed door onverschilligheid, als door extremisme.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden