Moeder

Ze wil naar huis, al weet ze niet precies meer welk huis.

Aleid Truijens

Wat leerde ik eigenlijk níet van haar? Pannenlappen punniken. Poppentruitjes breien, boontjes doppen, koekjes bakken. Rozen altijd schuin afsnijden. Intrekken, wijd, sluit, en als je zinkt word je opgevist. Fluiten in het donker als je bang bent. Jongens niet meteen hun zin geven. Kortom, alles waar het werkelijk om draait.

Mannen regeren de wereld, heette het, maar als ik naar mijn moeder keek, geloofde ik daar niets van. Zij bestierde met zachte, ijzeren hand het leven van mijn vader, mijn broers en mij. Ook als zij weg was, bewogen wij als poppetjes aan haar draden.

Vaders hadden niets in te brengen. Die sukkels vertrokken elke ochtend, als zij in negligé de krant las, naar een plaats die Het Kantoor heette, met een pakje brood onder de snelbinders. Grote broers moesten naar school. Als ze allemaal waren opgedonderd, begon ons feest. ‘Kom’, zei ze, en ze knoopte mijn jasje dicht. De hele dag schoof ik als een kleine schaduw achter haar aan. Ik raapte ballen op de tennisbaan, voelde stoffen in de Bijenkorf. We pasten krakende nieuwe jurken – ‘Niet tegen papa zeggen, hoor!’ – en prikten in een moorkop. ’s Middags gingen we theedrinken bij vriendinnen. Eerst spraken de vrouwen over recepten en patronen, dan lispelden ze over ziekte en ontrouw. Ik hield mij stil en onzichtbaar, spion in de geheime, volwassen wereld.

Tot ik naar school moest. Ik plette mij krijsend tegen het raam, maar zij liep weg en zwaaide luchtig. Daar ging ze, mijn zon, mij achterlatend in gevangenschap. Voor het eerst, na vier peuters, een ochtend voor zichzelf. Maar dat dacht ik pas dertig jaar later, toen ik zelf wegliep bij mijn krijsende kind. ‘Je kunt daar leuk met anderen spelen, dan ben je niet meer zo alleen’, had ze gezegd. ‘Ik kom vanmiddag terug, hoor!’ De ochtend duurde een eeuwigheid. Toen ze eindelijk kwam, was ik boos. Ik wilde geen krentenbol.

Nu is een hok van vier bij vijf haar huis, een gekrompen kopie van haar laatste woonkamer. Ik tref haar in de recreatieruimte, waar een aardige leidster spelletjes doet met tien vrouwen, wit en broos in enorme fauteuils, allemaal verschillend. Ooit pasten ze in interieurs, die stoelen, ooit hadden deze vrouwen een leven. Mijn moeder, de nieuweling, stelde zich bij aankomst voor, maar de meesten knikkebolden rustig door.

Ze is boos. Die koekjes kan ik houden. Ze wil naar huis, al weet ze niet meer precies welk huis. ‘Jullie sluiten me hier op’, zegt ze. ‘Maar hier ben je niet meer zo alleen’, echo ik haar. Ik leid haar, en mijzelf, af met een fotoalbum; even is zij terug in haar oude, drukbevolkte leven. Dan moet ik gaan. Ik zwaai luchtig en loop de gang uit, terug naar mijn eigen tijd. De zon lokt krankzinnig. Ze wendt zich af met haar rollater. Opgesloten en nooit meer opgehaald.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden