Moddervette spierbundels en stevige ledematen

Botero schildert al veertig jaar lang rondingen en onderkinnen. Waarom? Het gaat de Colombiaanse schilder, die exposeert in het Haagse Gemeentemuseum, om sensuele monumentaliteit, niet om een nieuwe taal....

Het gaat Botero, zegt hij zelf, om de volheid van de vorm, om sensualiteit, om monumentaliteit. Al in 1957, hij was toen 25 jaar, vond hij zijn beeldentaal. Hij was uit Colombia naar Europa gekomen, bestudeerde daar zijn grote voorbeelden (Velazquez, Goya, Rubens), maar vond geen aansluiting bij de heersende kunststromingen. Pas terug in Latijns-Amerika, in Mexico, waar hij de invloed onderging van Diego Rivera, Frida Kahlo, Orozco en Siqueiros, realiseerde Botero zich welke kant hij opwilde. Voor zijn Stilleven met mandoline uit 1957 vergrootte hij opzettelijk het volume van het instrument.

Op de tentoonstelling die het Gemeentemuseum in Den Haag momenteel aan Botero wijdt, hangt de tekening van een Stilleven met viool. Ook van die viool is de klankkast buitenproportioneel kort en dik.

De tekening dateert uit 2002 – als je Botero i ¿ ets moet nageven is het de hoge mate van consistentie in zijn werk. Een Botero is altijd herkenbaar als een Botero, of het nu om een schilderij gaat of om een beeld. In het gemeentemuseum zijn kleinere beelden te zien, terwijl buiten, in de museumvijvers, een reusachtige Adam en Eva en een liggende vrouw te zien zijn. Ook op de beeldenroute Den Haag Sculptuur 2003 staat werk van Botero.

Om vernieuwing is het hem niet te doen. Botero haakt bewust aan bij de Westerse picturale traditie, al is het op zijn eigen manier. In Den Haag hangt zijn dubbelportret Naar Piero della Francesca uit 1998, onmiddellijk herkenbaar als geënt op de portretten die de Italiaanse renaissanceschilder maakte van de graaf en gravin van Urbino, en evenzeer herkenbaar als werk van Botero, door die opgeblazen hoofden en nekken, de kleine mondjes en uitdrukkingsloze oogjes. Hetzelfde geldt voor Prinses Margaretha naar Velazquez, die een tonronde Boteriaanse vorm heeft gekregen en datzelfde uitdrukkingsloze, opgeblazen gezicht.

Botero heeft een eigen wereld met eigen regels geschapen en wijkt daar al meer dan veertig jaar niet vanaf. Kritiek daarop verwerpt hij. Om vernieuwing gaat het hem niet. 'Ik ben geen experimenten aan het doen, ik zoek geen nieuwe taal', zei hij in de jaren negentig in NRC Handelsblad. 'Ik kijk naar de oude meesters. Het nieuwe verveelt snel. Piero della Francesca, Rafael of Manet nooit.'

Botero leeft van zijn beeldhouwwerk en verkoopt zijn schilderijen weinig. De tentoonstelling in Den Haag bestaat voor het grootste gedeelte uit werken uit zijn collectie, gemaakt in de afgelopen vijftien jaar. Daar zitten religieuze thema's bij: Adam en Eva in de museumvijver, en ook een dubbelportret van een naakte Adam en Eva op het moment van de zondeval, Eva met een aangebeten appeltje in haar hand, reikend naar een appel aan de boom der kennis; Adam die de appels om de oren vallen, alsof Eva er nooit de hand in had dat hij van de appel at. Er is een Maria met een kindeke Jezus dat net zo is gekleed als een van de zoontjes van de weduwe op een schilderij uit 1997, er is een tamelijk wanstaltigeJezus aan het kruis (Crucifix, 2000).

Voor het gemeentemuseum koos Botero ook uitgesproken vreselijke taferelen die hij in de afgelopen jaren maakte, van verminkte lijken, doodgeschoten burgers, marteling en mishandeling. Op de documentaire die in Den Haag wordt vertoond, is te zien dat Botero niet meer in Colombia kan verblijven zonder een gewapend escorte dat hem voortdurend in de gaten houdt. In 1994 is geprobeerd hem in Bogotá te ontvoeren, een jaar later werd een van zijn grote beelden in Medelli ¿ n opgeblazen. Het voortdurende geweld in zijn vaderland is aanleiding geweest voor deze schilderijen, die Botero heeft geschonken aan het Museum voor Schone Kunsten in Bogotá.

Wat op deze gewelddadige taferelennog meer dan op de schilderijen van zittende naakten, rokende mannen of hoogwaardigheidsbekleders opvalt, is de zielloosheid van Botero's werk. Zes doodgeschoten mensen op de grond en een zevende die dodelijk wordt geraakt (bloedbad in Colombia, 2000), een man met geweer die zijn voet op een lijk heeft gezet (De Jager, 1999) of een lijk dat door de gieren wordt aangevreten (Zonder titel, 1999) – het is allemaal even erg, en het roept allemaal even weinig op, omdat Botero's figuren er toch altijd uit blijven zien als opgeblazen poppen. Vakbekwaam geschilderd of gemodelleerd, maar zo levensloos dat ze geen enkele compassie oproepen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden