Mislukkeling met toverlantaarn David Livingstone, Victoriaans stereotype van een held

In Edinburgh ruisen de Victoria-watervallen tussen het struikgewas. In vitrines bevinden zich de navigatie-instrumenten van David Livingstone, zijn petten, zijn medische instrumenten....

'EERST BRACHT de blanke man de Bijbel', beweerde de Afrikaanse vakbondsman J.H. Mphemba in 1929. 'Toen kwam hij met geweren, daarna met kettingen; later bouwde hij een gevangenis en ten slotte liet hij ons belasting betalen.'

In de gedachtengang van de Afrika-kenner Basil Davidson, die voor The Economist en The Times schreef, was dat ook de drijfveer van David Livingstone. De man die in de geschiedenisboeken wordt geportretteerd als 'a friend of the Africans' was volgens Davidson misschien geen botte racist, maar hij had wel een rassenvooroordeel - al wordt dat met veel verve weer ontkend in Schotland.

Hoog boven de ingang van de National Portrait Gallery in het Schotse Edingburgh, tussen het feestvierend volk op het Edingburgh Festival, hangt een spandoek, groen als de Schotse klaver, met de nog steeds onsterfelijke uitspraak van Henry Morton Stanley: Dr Livingstone, I presume.

In opdracht van de New York Herald was Stanley uitgezonden om Livingstone - die toen al zeven jaar was 'verdwenen' - op te sporen. 'Zoek dr Livingstone. Hij moet ergens in Afrika zijn.' Met een gezelschap van meer dan 160 man trok hij door de Afrikaanse binnenlanden op zoek naar de Schotse held. Toen hij na vele ontberingen Livingstones spoor had getraceerd, in Ujiji, trok hij een schoon flanellen pak aan, poetste zijn schoenen en witte zijn tropenhelm. Hij liep Livingstone tegemoet, nam zijn helm af en zei: Dokter Livingstone, als ik het wel heb?

'Toen ik hem langzaam naderde, zag ik pas hoe bleek hij was', berichtte Stanley. 'Hij zag er moe uit, met zijn grijze baard (. . .) Het liefst zou ik op hem zijn afgerend (. . .), hem hebben omhelsd, maar aangezien hij een Engelsman was, wist ik niet hoe hij dat zou opvatten.'

Het museum toont 'de mythe Livingstone' in David Livingstone and the Victorian Encounter with Africa, een verhaal over een Schot die als kleine jongen in de katoenspinnerij van zijn vader werkte, 's avonds studeerde en dokter werd en vele jaren door de binnenlanden van Afrika trok - eerst als missionaris en later als ontdekkingsreiziger.

Je hoort in Edinburgh de Victoria-watervallen, tussen het struikgewas, precies zoals meer dan honderd jaar geleden Livingstone ze hoorde. In vitrines liggen zijn navigatie-instrumenten, zijn petten en zijn doktersgereedschap. In een kast staat Livingstones toverlantaarn waarmee hij de 'wilden' instrueerde over de Gewijde Geschiedenis en de Here God. En pronkstuk op de tentoonstelling is een klein, in opdracht van Livingstone opgezet olifantje. Niets ontbreekt, alle eremedailles liggen er, de diploma's van de jonge Livingstone, zijn geschriften en notities, èn zijn leerboeken.

'Eerst de Bijbel, dan kanonnen.' Zo klonk het in het Britse imperium. Toch was Livingstone, anders dan Davidson zegt, geen pure kolonialist. Hij was integendeel - althans dat wil de tentoonstelling laten zien - iemand die opkwam voor het volkseigen van de Afrikaan. Hij werkte aanvankelijk als zendeling in opdracht van de London Missionary Society, een typisch Victoriaanse roeping.

David Livingstone and the Victorian Encounter with Africa is vooral een portret van de Victoriaanse visie op het Livingstone-verhaal. In een glazen kastje ligt Livingstones linker armbot met een duidelijk te herkennen blessure. De legende wil dat hij door een leeuw werd aangevallen. Er bestaan ontroerende gekleurde prenten van het voorval, schrikaanjagende taferelen van een moedige Livingstone die het gevecht aangaat met een leeuw.

Er bestaan vele van die hagiografische prenten, taferelen van heldenmoed, een Livingstone ploeterend in het moeras, dansend met de inboorlingen, uitgemergeld op een matrasje, stervend van kommer en kwel. Ze bieden een panorama van Victoriaanse heldencultus. Ze tonen die complexe 'apostle of empire' Livingstone en geven een beeld van wat negentiende-eeuwers dachten over het Afrikaanse continent.

Zijn portret toont een wat zorgelijk kijkende man, die zich bewust is van zijn taak. Livingstone is een veel afgebeelde held. In Engeland, maar ook op Afrikaanse bodem staan vele tientallen beelden van hem. Er zijn honderden biografieën over hem geschreven, allemaal in de trant van Stanleys zoektocht naar de spoorloze Livingstone, en de Schotse componist Hamish McCunn schreef een cantate Livingstone the Pilgrim. Voor veel negentiende-eeuwse Britten was Livingstone een Christlike hero.

Hij organiseerde missieposten, ontdekte en passant het Nyassameer, verkende de Zambezi en de Victoria-watervallen. Livingstone was een moeilijk man, geplaagd door aanhoudende aanvallen van razernij en bevangen door hallucinaties. Hij had voortdurend moeilijkheden met zijn assistenten en zijn dragers. Hij was onredelijk. Maar Edinburgh toont niet dat Livingstone-verhaal, maar het epos van de blanke held in de Afrikaanse binnenlanden - het plaatje met de leeuw.

IN 1873 blies dokter David Livingstone, de vriend van Afrika, op Afrikaanse bodem zijn laatste adem uit. Zijn Afrikaanse reisgezellen Tsjoema en Soesi vonden hem naast zijn veldbed, met het hoofd in de handen, alsof hij in gebed verzonken was. Hij was van uitputting bezweken.

Ze brachten zijn gebalsemde en in de zon gedroogde lichaam naar de kust, gewikkeld in boomschors en doeken. Toen ze de stoffelijke resten bij de Britse consul van het Oost-Afrikaanse stadje Bagamoio hadden afgeleverd, werd hun echter kortaf te verstaan gegeven dat ze konden vertrekken. Het was de geest van de tijd: Tsjoema en Soesi, die later nog naar Engeland reisden, waren 'zwarten'. Dat laat de expositie ook zien. Met schilderijen en prenten herinnert de tentoonstelling aan de tijd van de slavenhandel.

In 1806 - lang voor Livingstones reizen - had Engeland een begin gemaakt met de afschaffing van de slavenhandel. Livingstone zelf, schrijft Davidson - die over het droevige lot van Tsjoema en Soesi rapporteert in The Story of Africa, vond zichzelf een 'vertegenwoordiger van een superieur ras'. Zijn mensen waren 'dienaren van een regering die het lager ontwikkelde deel van de mensheid wil verheffen'. Wij zijn, meende Livingstone, 'aanhangers van een menslievende godsdienst en kunnen, door aanhoudend voorbeeldig optreden met wijsheid en geduld, voor dit radeloze en vertrapte ras een tijdperk van vrede inluiden'.

Op de mistroostige morgen van 15 april 1874, zware en vlokkige wolken hingen boven Southampton, liep een steamer de haven binnen. De Royal Horse Artillery paradeerde op de kade. Er klonken 21 kanonschoten, een eresaluut aan de Victoriaanse held dokter David Livingstone.

Wie een kijker had, kon op de boot de met de Union Jack gedrapeerde kist zien met het stoffelijk overschot van Livingstone. Zijn trouwe dienaren hadden zijn lijk, nadat ze er het hart uit hadden verwijderd en dat in Afrikaanse bodem hadden begraven, tijdens een lange tocht naar een Britse boot gebracht. Toen het schip in Southampton arriveerde, stak een zwarte jongen een bordje op: 'To the memory of Dr Livingstone, Friend of the African.' Livingstone was al tijdens zijn leven een van die Victoriaanse helden, een mythische figuur die triomfeerde in self-help, misschien wel een van de meest uitgesproken eigenschappen van een Victoriaanse 'held': je klimt, zonder hulp van je klasse of afkomst, naar de top.

Drie dagen later werd hij in Westminster Abbey begraven. Zijn begrafenis was een nooit geziene vertoning. Hij was in de ogen van zijn tijdgenoten 'the greatest man of his generation'. En toch was Livingstone, anders dan de geschiedenisboekjes ons doen geloven, een mislukkeling: hij was nooit een doeltreffend missionaris, hij was geen uitmuntend ontdekkingsreiziger - Portugezen en Arabische slavenhandelaars hadden lang voor hem het continent verkend, zijn door de regering betaalde tocht langs de Zambezi was een catastrofe, zijn zoektocht naar de bronnen van de Nijl was een illusie, en ook als vader en echtgenoot was Livingstone naar verluidt een absolute 'failure'.

'Pride in their port, defiance in their eye', klinkt het in het Engeland van 1851. 'We see the lords of human kind go by.' Livingstone was zo'n type dat Asa Briggs heeft beschreven in zijn Victorian People. In het boek van Briggs komt hij weliswaar niet voor, maar de karaktertrekken die daarin van Victoriaanse 'helden' worden aangehaald, slaan op de figuur van Livingstone: heldhaftig, gelovig, trouw aan het vaderland en uiterst plichtsbewust.

De Schot Livingstone - daarom eert Edinburgh hem - werd op 19 maart 1813 in Blantyre nabij Glasgow geboren. Hij werkte als kleine jongen, nauwelijks tien jaar oud, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat in de katoenspinnerij van zijn vader. Na het werk en op zondagen leerde hij Grieks en Latijn. Hij verhuisde naar Glasgow en studeerde er medicijnen en godgeleerdheid. Op zijn vijftiende nam hij het besluit zendeling te worden, in China of Zuid-Afrika.

Zijn vader was een koopman, die het - schrijven Livingstones biografen - 'niet naar den vleze ging'. Ze hadden het niet gemakkelijk. Tijdens zijn studententijd in Londen, waar hij zich bij een missievereniging had aangesloten, moest hij werken als kruier of schoenpoetser.

Hij vertrok als zendeling naar Kaapstad, naar een groot missiegebied in Koeroeman in Beetsjoeanaland, en werd er verliefd op de dochter van zijn 'leermeester', dokter Moffat. 'Eigenlijk moet een zendeling niet trouwen', wist Livingstone, 'maar ik hou van je en ik weet dat je mij begrijpt.' Ze heeft hem gevolgd, na een verblijf met de kinderen in Engeland, in donker Afrika.

'VADER ZAMBEZI, vader Zambezi, niemand weet waar je heen gaat, vader Zambezi, vader Zambezi, niemand weet waar je vandaan komt', zongen zijn roeiers - Makolo-negers die in Livingstone 'hun god' zagen. 'Ik wil de weg naar de binnenlanden van Afrika openleggen', zei Livingstone, 'of sterven en vergaan.' Toen Stanley de doodzieke dokter terugvond, weigerde die naar Europa terug te keren. 'Ik moet het grote raadsel van Afrika, de bronnen van de Nijl nog oplossen', zei Livingstone. 'Daarna kom ik terug.' Op weg naar de Bangeveld-eilanden, tijdens zijn expeditie naar de Nijl-bronnen, kreeg hij hevige koorts. Hij stierf op 1 mei 1873.

Hij was absoluut geen heilige, schrijft Tim Jeal in zijn bekende Livingstone-biografie uit 1973 - honderd jaar na zijn dood - 'geen filantroop, geen advocaat of zakenman'. He was more than all these. Toch blijft Livingstone, ook na Edinburgh en ondanks de Schotse flair, een 'contradictory hero', een Victoriaans stereotype van een held. Het was niet zozeer wat hij heeft gedaan dat van hem een held maakte, maar veeleer wat hij voor het Victoriaanse tijdperk representeerde.

Bij de Victoria-watervallen staat nu een beeld van hem. Hij noemde ze zo ter ere van zijn koningin.

'Afrika roept mij', zei Livingstone. Maar in wezen bleef hij, vooral een Victoriaanse Brit.

David Livingstone and the Victorian Encounter with Africa. Tot en met 6 oktober in de National Portrait Gallery in Edinburgh.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden