Miskende literatuur

In 2002 publiceerde Marita Mathijsen een vrij omvangrijke studie, De gemaskerde eeuw, een geschiedenis van, kan men zeggen, maatschappelijke toestanden, van zeden en gewoonten in de 19de eeuw in Nederland....

Twee grote achtergronden dus. De voorgrond van alles is natuurlijk de literatuur zelf tussen 1820 en 1880. Dat monument van ongelezenheid. In alle studies uit haar jongste boek zij is vaak beter in de dichte strikte studies dan in de open vrijere essays weet Mathijsen mij ervan te overtuigen hoe interessant de geschiedenis van die literatuur is, de biografische geschiedenissen van sommige auteurs niet minder, dat de gedetailleerdheid in het onderzoek zelfs tot inzichtrijk amusement leidt.

Er staan literair-historische schitterstukken in het boek, over het postume romantische beeld van de jonggestorven schrijver Aernout Drost bijvoorbeeld, over Bilderdijk als voor jongeren voorbeeldige dichter Bilderdijk spookt door het hele boek heen , over literaire tijdschriften ven rond De Gids, planeten die aandacht verdienen, een scherpzinnige historische interpretatie van het verhaal 'Waanzinnig Truken' van Kneppelhout, over leesgewoonten in de 19de eeuw. Fascinerende achtergronden allemaal. Maar de voorgrond, de literatuur zelf, blijft onzichtbaar. Johannes Hasebroek bijvoorbeeld is op veel plaatsen in het boek actief, maar waarin heb ik zijn werk miskend?

Ik ben bereid te erkennen veel schrijvers en dichters onderschat te hebben, mits mij iets van hun ongewone kwaliteiten wordt getoond. Niemand leest ze, maar wat missen wij als we ze niet lezen? Ik wil Marita Mathijsen in haar eenzaamheid met Tollens best gezelschap houden, maar wat is toch de allure van die dichter, die volgens haar hardnekkige opvatting even groot is als Victor Hugo (toch, 'helaas', de grootste dichter van de Franse literatuur)? We worden allang door Marita Mathijsen achtervolgd om onze miskenning. Waarom dan bijna nooit de machtsverheffing van een 19de-eeuwse romancier of dichter?

Ik weet het: de wetenschap hoeft niet te overtuigen, zij missioneert niet. Maar als zij waarden voortdurend benoemt, wil iedereen die wel beargumenteerd zien, op de wijze waarop Mathijsen zelf het werk van De Schoolmeester zijn gedichten en, op een meer dan schoolmeesterlijke manier, zijn brieven heeft gepresenteerd in haar dissertatie.

Op gelijke wijze als bij het werk ontbreekt de voorgrond ook bij het verschijnsel dat blijkens de titel centraal staat in het boek: de romantiek. Ook hier wordt ons heel veel onbegrip aangewreven sommige geschiedschrijvers van de letterkunde niet minder. We mogen het begrip misschien duiden, maar zeker niet koesteren, laat staan voor een tijdvak verabsoluteren. Maar hoe dan de geest van die eeuw wel samengesteld is geweest, met name in Nederland, dat had een afzonderlijk essay verdiend. We krijgen wel enkele studies rond wat je romantische bewegingen kunt noemen, en dat is het dan. Een tijdperk wordt geproblematiseerd heel goed maar wij blijven toch met de knopen achter. Bij sommige terechtwijzingen ga ik me schuldig voelen, ik weet alleen niet waaraan.

Wat wij zeker door dit boek afleren: het beeld van burgerlijke saaiheid van de 19de-eeuwse letterkunde. In kleinere groepen ging het er heel levendig toe men leze de korte stukken 'Kritiek op de romantiek' en 'Jong Holland' en soms krijg ik een vroegere indruk bevestigd, dat veel 19de-eeuwers beter en geestrijker waren in het afbreken van werk van tijdgenoten dan in het zelf maken van proza en poe. Wellicht maakt de 19de eeuw dat opvallende kenmerk van de Nederlandse literatuur, het essayistische, al heel goed zichtbaar. De brede weg van de dominees gaat vooraf aan het smalle pad van de grootste essayist van de 19de eeuw: Multatuli en de stevige kritiek van Potgieter bereidde de sierlijke scherpte van Mulatuli voor. Wie Nederlandse literatuur in de negentiende eeuw goed leest, kan zelf een kleine literatuurgeschiedenis schrijven, tot voorbij Tachtig zelfs.

Een boeiende afdeling van het boek is de tweede: 'Beeld versus beeld'. Er staan vier stukken in. Een oproep tot terugkeer naar de mythe de tekst van Mathijsens in 2000 gehouden inaugurale rede als hoogleraar in de moderne Nederlandse letterkunde. Hierin werden, kan men zeggen, de twee achtergronden van de twee boeken synthetisch toegepast op de literatuur van de 19de eeuw. Het tweede stuk handelt over de minachting voor de 19de eeuw, zoals die ook in literatuurgeschiedenissen blijft voortgepraat. Het stuk is een fraaie illustratie van het overschrijven als een vorm van gelijk. Het derde stuk handelt over het poedebat zoals dat tussen 1825 en 1840 werd gevoerd, na welke polemiek de polders vol lijken van dichters lagen. Het interessantst is het vierde stuk, 'De Belgische opstand als spelbreker voor het nationaal editeren'.

De 19de eeuw is ook de eeuw van ontelbare nieuwe edities van oudere teksten. Aanvankelijk werden vooral middeleeuwse teksten uitgegeven. Die waren van oorsprong bijna alle Zuid-Nederlands en katholiek. Toen Belgiich losmaakte van Nederland, was de middeleeuwse, Zuid-Nederlandse letterkunde niet meer ons nationale erfgoed. De tekstbezorgers gingen over naar die grote nationale eeuw van de Noordelijke Nederlanden: de Gouden Eeuw. De Vondel-verering kwam op gang; de laatste kaarsen in diens kapel werden pas na de Tweede Wereldoorlog uitgeblazen.

Het is het lot van verzamelingen: men wordt door de delen vaak meer gefascineerd dan door het geheel. Dat is ook hier het geval.

Achter het boek liggen de grote verschijnselen als de romantiek en de literatuur van de 19de eeuw. Verkeerd gekend en miskend. Helaas, nog altijd, ook na lezing van deze studies.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden