Misdaadpreventie voor de kleinsten - is dat wenselijk?

Het Amsterdamse Preventief Interventie Team screent en begeleidt 'risicokinderen' vanaf 6 jaar om te voorkomen dat ze op het slechte pad raken. Levert dat iets op? Charlotte Huisman keek een halfjaar mee.

Beeld Chris Malbon

Met zijn blik op de vloer gericht loopt Redouan (9) door de gang van zijn Amsterdamse basisschool. Uit niets blijkt dat veel leerkrachten en klasgenoten deze tengere, bedeesd ogende jongen met zijn Star Wars-rugzakje ervaren als onrustig en onhandelbaar, en soms zelfs agressief.

Twee jonge orthopedagogen van de Universiteit Leiden lopen met hem mee. Ze gaan Redouan deze ochtend in januari uitgebreid testen. Of hij, aan de hand van filmpjes, kan zien of iemand boos, blij of juist verdrietig is. Waarheen zijn ogen bewegen als hij de beelden krijgt voorgeschoteld; kijkt hij bijvoorbeeld naar het gezicht of naar de omgeving? En hoe is het gesteld met zijn eigenwaarde?

Redouan is de jongste in een gezin van vier kinderen. Zijn vader heeft een drukke baan, zijn moeder Bouchra kreeg haar eerste kind op haar 18de. Ze zit voornamelijk thuis met haar drie dochters en enige zoon.

Redouan is thuis vaak angstig. Hij heeft nachtmerries. Die zijn verergerd, vertelt zijn moeder, nadat hij tijdens Halloween had gehoord dat er horror-clowns in de buurt rondliepen. Ook kan hij zich slecht concentreren. En hij wordt gepest.

Zijn school heeft hem voor een screening aangemeld bij het Preventief Interventie Team (PIT) van de gemeente Amsterdam. Dat richt zich op kinderen van 6 tot 18 jaar die een verhoogd risico hebben om later problemen te krijgen en bijvoorbeeld in de criminaliteit te belanden.

Met de focus op de jongsten wil de gemeente Amsterdam de schooluitval en jeugdcriminaliteit verminderen. Doorgewinterde criminelen zijn moeilijk op het rechte pad te krijgen. Maar jonge kinderen met gedragsproblemen zijn nog bij te sturen in de goede richting.

De 34 Amsterdamse basisscholen die samenwerken met het PIT kunnen kinderen aanmelden over wie zij zich zorgen maken: jongens en meiden die onhandelbaar zijn, of zelfs agressief. Het PIT test de kinderen uitgebreid en kijkt hoe de situatie thuis en op school is. Aan de hand van de uitkomsten bedenken de PIT-medewerkers wat er moet gebeuren om het kind te helpen.

Je zou kunnen denken: moet de gemeente zich bemoeien met kinderen zonder dat hun ouders daarom vragen? Krijgen de kinderen niet het stempel van probleemkind terwijl ze nog niets verkeerd hebben gedaan?

Of vallen deze tegenwerpingen in het niet als juist de kinderen die het niet hebben getroffen met de omstandigheden waarin ze opgroeien door deze hulp kans krijgen op een beter leven?

Om antwoord te geven op die vragen opent het interventieteam de deuren. Gedurende een halfjaar mocht de krant meekijken bij schoolbezoeken, vergaderingen, huisbezoeken, screenings en informatieonderzoeken naar gezinnen. Soms bleef de deur gesloten als er PIT-medewerkers voor de deur stonden. Soms wilde een moeder alleen praten met de journalist als ze de absolute garantie kreeg dat ze niet herkenbaar zou zijn. Vanwege privacy zijn daarom namen en enkele omstandigheden die tot herkenning zouden kunnen leiden aangepast.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Beeld Chris Malbon

Agressief

'Je gaat oefeningetjes doen om te kijken waar je goed in bent, en waar je minder goed in bent', zegt PIT-medewerker Paul (42) tegen Redouan. 'Zo kunnen we zien hoe wij jou het best kunnen helpen. Heb je nog vragen?'

Redouan zwijgt. 'Misschien wil je nog weten wanneer je je boterhammen mag eten', zegt zijn moeder Bouchra (34), terwijl ze liefdevol naar haar zoon kijkt. Redouan knikt met een opgeluchte glimlach.

'Normaal praat hij wat meer', zegt Bouchra, als ze met Paul en zijn collega Marja naar een klaslokaal loopt voor een gesprek over haar zoon. Het gaat beter met Redouan sinds hij in het nieuwe schooljaar een andere juf heeft gekregen, vertelt ze. 'Hij vecht minder vaak met andere kinderen en is minder brutaal. Maar hij blijft erg onrustig.'

Soms is Redouan agressief. In de klas gooit hij met pennen en kan hij aan één stuk door praten. Naar de juf luistert hij vaak niet. 'Toen ik van de vorige juf hoorde dat niemand naast hem wilde zitten, barstte ik in tranen uit', vertelt Bouchra. 'Ze had de hoop opgegeven met hem. Ze zat met haar handen in het haar. 'Ik heb nog nooit zo'n kind meegemaakt', zei ze.'

Twaalfhonderd kinderen als Redouan heeft het PIT in zijn zesjarig bestaan in het vizier gehad. De resultaten zijn opmerkelijk. Van driekwart van hen is het gedrag na een jaar aanmerkelijk verbeterd. Een opvallende ingreep die effectief blijkt, is een training voor de kinderen om emoties op gezichten te leren herkennen. Een deel van hun lastige gedrag kwam doordat ze simpelweg niet begrepen wat volwassenen bedoelden.

Het PIT gaat ook langs bij de minderjarige broertjes en zusjes van de zogeheten Top600, de lijst met de beruchtste veelplegers van de hoofdstad. Amsterdam wil voorkomen dat de kleintjes het voorbeeld van hun grote broer volgen en opgroeien tot de criminelen van morgen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat kinderen met een criminele broer een grote kans hebben om ook veroordeeld te worden.

Deze doelgroep van 'brusjes' (broertjes en zusjes) van criminele jongeren is het lastigst. Twee PIT-medewerkers werden onlangs tijdens een huisbezoek met een mes bedreigd door een veelpleger van de Top600-lijst. En lang niet alle ouders van criminele jongeren zitten te wachten op hulpverlening voor hun andere kinderen.

Dat geldt bijvoorbeeld voor moeder Rachida, die deze middag bezoek krijgt van PIT-medewerkers Eva en Liselotte. Wantrouwend kijkt ze vanuit haar raam op eenhoog naar de twee blonde vrouwen die beneden hebben aangebeld. Ze aarzelt even en drukt op de knop die de portiekdeur voor hen opent.

Zuchtend zet Rachida het geluid van Arabs Got Talent zachter op de grote flatscreen-tv, als Eva en Liselotte plaatsnemen op de versleten bank. Haar oudste zoon Mustafa (19) is een veelpleger van de Top600-lijst. Woensdagochtend om halfacht stond de politie met zes man in de portiekwoning in Nieuw-West. Mustafa werd van zijn bed gelicht omdat hij een bejaarde vrouw op straat van haar tasje zou hebben beroofd. Zijn kleine broertje heeft zijn aanhouding meegemaakt. 'Hij stond te trillen in de badkamer', zegt Rachida. 'Ik heb tegen hem gezegd dat Mustafa een tijdje op vakantie is.'

Het was al de vierde keer dat Mustafa door de politie werd opgehaald. Rachida kijkt vertwijfeld. 'Tegen mij zegt hij dat die verdenkingen niet kloppen, dat hij onschuldig is...'

Liselotte: 'Maar het is nu wel al een aantal keer gebeurd en ook de rechter heeft geoordeeld dat hij dingen doet die niet mogen.'

Rachida: 'Misschien komt hij nu tot inkeer. Hij heeft mij naar de gebedstijden gevraagd, hopelijk gaat hij eindelijk bidden.'

Eva: 'Wij zijn hier voor uw jongste zoon Anouar. We willen graag dat het goed met hem gaat. Mogen wij contact opnemen met zijn basisschool?'

Dat wil Rachida niet. 'Anouar is vrolijk, sociaal. Hij speelt voetbal, er zijn geen problemen.' Ze trekt een gezicht dat uitdrukt dat het gesprek wat haar betreft is beëindigd.

Met een dubbel gevoel staan Eva en Liselotte even later buiten. Ze zijn blij dat ze mochten binnenkomen voor een eerste gesprek. Vaak wordt niet opengedaan.

Ze vinden het jammer dat deze moeder niet wil dat ze met de basisschool bespreken wat er in het gezin speelt. Uit schaamte, vermoeden ze. Dat zit nu de hulpverlening in de weg. Maar het PIT is van de lange adem. 'Binnenkort proberen we het nog eens', zegt Liselotte monter. 'Uiteindelijk gaat het lukken.'

Hersenontwikkeling

Het project onderscheidt zich van andere omdat het nieuwe wetenschappelijke inzichten over de ontwikkelingen van hersenen in de kindertijd als uitgangspunt neemt. De opgave is: hoe kun je de omgeving van een kind zo aanpassen dat zijn brein zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen?

'Bij een kind van 6 heb je meer kans iets te bereiken dan bij een kind van 14 of 15 jaar oud', zegt PIT-medewerker Fatima (41), voorheen leerplichtambtenaar. 'Je hoopt dat door de veranderingen die je teweegbrengt voor het kind zijn leven een andere, betere loop neemt. Bij de broertjes en zusjes van Top600-veelplegers zitten veel oudere kinderen. Die hebben vaak al jaren hulpverlening over de vloer gehad. En staan er daardoor minder voor open, ze zijn hulpverlenersmoe.'

De negentien hulpverleners van het Preventief Interventie Team komen veelal van andere organisaties als de kinderbescherming of jeugdzorgorganisaties. PIT-manager Rosaly Brandon was voorheen adviseur Jeugd en Veiligheid van de gemeente Amsterdam. In die hoedanigheid zag ze dat er veel geld omging in hulptrajecten voor risicojongeren. Telkens zag ze ook dezelfde jongens en meiden terug in het strafrecht.

Brandon: 'Als je ziet hoeveel interventies in de loop van de jaren op een jongere zijn ingezet, schrik je. Opsluiten brengt geen oplossing, maar hulpverlening kan bij deze jongeren ook geen wonderen verrichten. Minderjarigen krijgen vaak een tweede, derde en vierde kans als hun advocaat zegt: 'Hij is net weer begonnen met een nieuwe opleiding, met een beetje coaching gaat hij het nu echt anders doen.' Bij de hardnekkigste recidivisten hadden we het idee dat we water naar de zee aan het dragen waren.'

Met de gemeenteraad bedachten ze eind 2010 dat het roer om moest om deze cirkelgang te doorbreken. In die tijd hoorde Brandon over de theorieën van de Universiteit Leiden over neuropsychologie. 'Het kwartje viel. Volgens mij zit hier iets dat we over het hoofd zien. Zo kwamen we in gesprek met professor Hanna Swaab over hoe we de hulpverlening konden verbeteren met een wetenschappelijke basis.'

Nu onderzoeken ze eerst hoe het kind in elkaar zit. Voor het eerste huisbezoek aan een broertje of zusje van een Top600-veelpleger gaat een zogeheten informatiemakelaar van het PIT aan de slag. Is er een melding van huiselijk geweld geweest? Zijn ze bekend bij jeugdzorg of de kinderbescherming? Staan er nog anderen op het adres ingeschreven? Is er sprake van schoolverzuim? Werken de ouders? Op basis daarvan zoeken ze naar oplossingen. 'Zo laagdrempelig mogelijk en in samenwerking met de school en de ouders', aldus Brandon.

Overgehaald

Driekwart jaar duurde het voordat Bouchra zich liet overtuigen dat haar zoon Redouan hulp nodig had om zijn agressie te beteugelen. 'Ik gaf eerst de school de schuld van zijn slechte gedrag', zegt ze. 'Mijn familie zei ook: laat dat kind met rust, hij is gewoon een beetje druk.'

Daarbij was ze bang dat haar kind een negatief stempel zou krijgen dat hem de rest van zijn leven zou achtervolgen, dat ze hem zou schaden. 'Ik had het gevoel dat ik had gefaald als moeder.'

Redouans vader doet weinig aan de opvoeding van de kinderen. Anders had het PIT ook hem benaderd.

Het PIT bleef Bouchra bellen en vroeg: 'Wat is in het belang van Redouan?' 'Ze hebben me niet gepusht, maar wel overtuigd', zegt Bouchra.

Er speelde nog iets mee, geeft Bouchra toe: de schoolleiding had haar laten weten dat haar zoon alleen nog welkom was als hij begeleiding zou krijgen.

Veel ouders moeten door een ontkenningsfase als hun kind zich misdraagt. En als ze het probleem erkennen, is er vaak schaamte. Ook niet alle scholen willen openlijk uitkomen voor hun samenwerking met het PIT, onder meer uit angst voor een imago als 'probleemschool'.

Nicolette Schröder, adjunct-directeur van basisschool De Polsstok in Amsterdam-Zuidoost, praat regelmatig met PIT-medewerker Rivka. Ze schat dat 40 procent van haar leerlingen problemen heeft, thuis of op school. De kinderen zijn boos op alles en iedereen. 'Er is vaak armoede, geweld, verslaving en criminaliteit thuis. Ouders zitten zo in de problemen dat ze geen aandacht hebben voor hun kind.'

Zelf wil ze onderwijs bieden. 'Ik ben geen hulpverlener. Sommige kinderen gaan met meubilair gooien. Of ze gaan volkomen uit hun dak als ze niet de goede schoenen bij zich hebben voor gym. We willen niemand buitensluiten, maar veiligheid is het belangrijkst. Het beïnvloedt de sfeer in de klas als een kind altijd boos is.'

PIT-medewerker Rivka komt regelmatig langs om met Schröder de kinderen te bespreken. 'Sommige ouders zijn licht verstandelijk beperkt. Bij het woord jeugdzorg denken ze dat hun kind uit huis wordt geplaatst. Je hebt engelengeduld nodig. Sommige kinderen gaan na de testen van het PIT naar het speciaal onderwijs. Dan begeleiden we de ouders bij die overstap.'

De scholen zijn enthousiast over het gebrek aan bureaucratie, het persoonlijk contact met de medewerkers en vooral over hun 'gezond verstand': bij een moeder die zo depressief was dat ze vergat haar kind naar school te brengen, schakelde de PIT-medewerker de buurvrouw in, die een kind op dezelfde school heeft.

'Een van onze lastigste leerlingen bleek met zijn moeder en twee broertjes op twee kleine kamers te wonen. Het PIT oordeelde: regelen dat moeder een groter huis krijgt is zinvoller dan behandeling van het kind', vertelt een leerkracht van een basisschool in Amsterdam-Noord. 'Het is geen papieren toestand. Als ik ze 's ochtends een mailtje stuur, krijg ik 's middags antwoord. En ze doen niet meer dan nodig is.'

Vaak blijven PIT-hulpverleners jarenlang betrokken bij het gezin, als luisterend oor of vraagbaak. De hulpverlening gaat in tegen de nieuwe 'mode' in de hulpverlening, met kortlopende trajecten. 'Je moet iemand net zolang helpen tot het probleem is opgelost', zegt Rosaly Brandon. 'Door dit uitgangspunt ontstaat bij hulpverleners ook de prikkel om eerst degenen te helpen bij wie snel resultaat mogelijk is, en dat zijn juist niet de moeilijkere gevallen.'

Barre omstandigheden

Meelopend met de hulpverleners zie en hoor je hoe bar de omstandigheden kunnen zijn waarin kinderen opgroeien. Dat kinderen een verslaafde moeder kunnen hebben die vergeet ontbijt voor ze te maken en ze naar school te brengen. Dat ze op het schoolplein kunnen worden opgewacht door hun schizofrene vader, voor wie ze zich schamen tegenover hun klasgenootjes. Dat een kind op school zo boos kan zijn op alles en iedereen dat hij over een klasgenootje heen plast.

Misschien moeten we de vraag omkeren, vinden betrokkenen. Niet óf een gemeente zich zou mogen bemoeien met jonge kinderen met gedragsproblemen, maar of het niet juist de taak is van de overheid om zich in te spannen. Om juist deze kwetsbare jongeren net dat beetje extra steun te geven dat hun kansen op een betere toekomst doet groeien.

Eigenlijk is nietsdoen voor zo'n kind misdadig, vindt PIT-manager Brandon. Met relatief lichte hulp wordt veel ellende voorkomen, daarvan is ze overtuigd.

Daarmee zijn veel jeugdzorgdeskundigen het eens. Andere gemeenten kijken geïnteresseerd naar het Amsterdamse preventieproject. Sommige, zoals Schiedam, hebben het al overgenomen, andere zijn er mee bezig.

Ook criminoloog Henk Ferwerda is enthousiast. Ferwerda, gespecialiseerd in jeugdcriminaliteit, zegt dat onderzoek heeft aangetoond dat jongeren die risicogedrag laten zien later meer kans hebben om in de criminaliteit te belanden. 'Iedereen vindt een preventieve aanpak belangrijk, maar het probleem is dat in de praktijk moeilijk is aan te tonen hoeveel winst dat oplevert. Je kunt niet zeggen: door deze aanpak hebben we zoveel criminaliteit voorkomen.'

Het is voor politici gemakkelijker om een aanpak te introduceren die het aantal woninginbraken moet terugbrengen, zegt hij, met een duidelijk meetmoment voor en na de aanpak. 'Wij denken nu ook na over een onderzoek dat de effecten op de lange termijn duidelijk zou maken. We moeten nog bedenken hoe we dat ethisch kunnen doen.'

Stapje voor stapje

In maart, twee maanden na de screening van Redouan, zijn PIT'ers Marja en Paul weer op zijn school, om met zijn juf, zijn moeder Bouchra en de maatschappelijk werker van de school de uitkomst te bespreken.

Uit de resultaten blijkt dat zijn gevoel van eigenwaarde laag is. Hij is gemakkelijk te beïnvloeden, kan niet goed plannen en heeft geen overzicht over de gevolgen van zijn handelen. En hij raakt snel gefrustreerd. 'Hij doet stoer om erbij te horen, maar slaat vaak de plank mis', zegt Marja. 'Daarom wordt hij buitengesloten.'

De juf knikt. 'Als hij in een groepje een spelletje doet, wordt het altijd ruzie. De oudere hangjongens bij de coffeeshop vindt hij superstoer. Terwijl ik denk: ga maar niet met hen om.'

Paul tegen Bouchra: 'Hierin kun jij je kind begrenzen, hem zeggen dat hij niet met die grote jongens moet rondhangen. Hij is nog jong.'

Marja: 'Laten we een student zoeken die hem kan leren spelen, kan leren hoe je je kunt gedragen in een groep zonder dat het ruzie wordt. Gezien zijn intelligentie heeft hij veel mogelijkheden. Hij heeft alleen veel structuur nodig.'

De juf: 'Dan kan ik hem een keer een compliment geven voor de klas. Hij moet gewoon van zijn negatieve imago af.'

Bouchra kijkt zichtbaar opgelucht. 'Dit zal mijn zoon goeddoen. Ik ben zo blij dat ik er niet alleen voor sta.' Ze zegt dat ze andere ouders zeker zou aanraden om mee te werken.

In de klas gaat het drie maanden later iets beter met Redouan. Zijn juf weet nu hoe ze met hem kan omgaan. Niet dat meteen al zijn problemen zijn opgelost. Het gaat stapje voor stapje.

Hoe werkt het PIT?

Het Preventief Interventie Team (PIT) wil risicokinderen vanaf 6 jaar tijdig opsporen en door ingrepen in hun leefomgeving voorkomen dat zij afglijden in de criminaliteit of hun school niet afmaken. Bijzonder is dat de aanpak steunt op recent wetenschappelijk onderzoek van de afdeling neuropedagogiek en ontwikkelingsstoornissen van de Universiteit Leiden. Met een daarop gebaseerde screeningsmethode meten hulpverleners de risicofactoren bij een kind die kunnen leiden tot een anti-sociale ontwikkeling. Kan een kind bijvoorbeeld emoties herkennen in gezichtsuitdrukkingen? Kan hij zich verplaatsen in een ander? Kan hij zijn impulsen beheersen? Als hij een van deze dingen niet voldoende kan, leidt dit al jong tot gedragsproblemen.

Hersenen zijn rond het dertigste levensjaar uitontwikkeld. Het gaat er volgens hoogleraar neuropedagogiek Hanna Swaab van de Universiteit Leiden om ongunstige omgevingsfactoren van een kind zo vroeg mogelijk positief te beïnvloeden, om zo zijn sociale ontwikkeling te verbeteren. Bij baby's van een halfjaar oud is volgens haar al het verschil te zien tussen de invloed van een stabiele en een instabiele moeder. Hoe eerder je erbij bent, hoe meer kans je hebt dat je iets kunt veranderen. Tussen 6 en 12 jaar lukt dat het best, aldus Swaab.

Ontwikkelt een kind zich beter, dan neemt bijvoorbeeld de kans af dat het agressief gedrag vertoont. Want agressie is in de theorie van Swaab het gevolg van een 'niet goed gelukte sociale ontwikkeling': het kind heeft geen beschikking over alternatief gedrag en kan impulsen niet beheersen. Het PIT richt zich op kinderen bij wie het risico op zo'n haperende sociale ontwikkeling hoog is. Uit de metingen van de voortgang van de door het PIT aangemelde kinderen blijkt dat na een jaar driekwart van hen aanmerkelijk minder agressief is en dat ook hun overige gedrag minder problematisch is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden