Minister van Jute trots op jute visitekaartje

GAAT HET GOED met de wereld? Wat de Amerikaanse journalist P.J. O'Rourke betreft wel. 'Dit is een moment van hoop in onze geschiedenis', zo opent hij zijn nieuwste, zevende boek: All the Trouble in the World - The Lighter Side of Famine, Pestilence, Destruction and Death....

We leven niet langer onder de de dreiging van een atoomoorlog, zoals vijftig jaar lang het geval was, want de Sovjet-Unie is uiteengevallen tot een reeks 'ruziënde landen met te veel k's en z's in hun namen - gewapende Scrabble-medeklinkers'.

Een andere grote vijand, communistisch China, is op de commerciële toer gegaan. Kortom, de slechte politieke ideeën die onze eeuw hebben beheerst - fascisme, communisme en Ted Kennedy for President - zijn op de terugtocht.

Samengevat: 'Het gaat beter dan ooit. Het gaat beter dan een paar jaar geleden. De zaken staan er zelfs beter voor dan om half tien vanmorgen, dank zij tylenol en twee Bloody Mary's.' En voor wie nog niet is overtuigd, voegt hij daaraan toe: 'Zelfs de slechte dingen zijn beter dan vroeger. Slechte muziek is bijvoorbeeld veel korter geworden. Een uitvoering van Wagner's Ring duurt vier dagen, terwijl Mmm Mmm Mmm Mmm van de Crash Test Dummies nauwelijks meer dan drie minuten duurt.'

Het is duidelijk: O'Rourke is een bijzonder citeerbare verslaggever die de cynische oneliner niet schuwt. Dat bewees hij in zes eerdere boeken, en dat onderstreept hij nog eens in All the Trouble in the World. Opmerkelijk is daarbij dat zijn wisecracks leuk blijven. Meer nog dan een goed journalist - en dat is hij ook - is hij een stilistisch begaafd humorist.

Om zijn humor vergeef je hem zijn soms tendentieuze berichtgeving, zijn blinde bewondering voor Ronald Reagan, zijn al even blinde haat jegens Bill Clinton en zijn boosaardige omschrijvingen, die bijvoorbeeld van de Bengalese hoofdstad Dhaka 'de jachtclub aan de Styx-rivier' maken, en van de doorsnee Somaliër 'de man in de goot'.

O'Rourke zet zich krachtig af tegen het gejeremieer over zaken als overbevolking, honger, armoede, ziekte, milieuvervuiling en etnische tegenstellingen - dat acht hij sterk overdreven. Daar waar wel problemen zijn, zijn die het gevolg van politiek wanbeleid.

In het hoofdstuk 'Famine' (Hongersnood) wijst hij op het feit dat Botswana en Zimbabwe halverwege de jaren tachtig met een veel grotere teruggang in de voedselprodukte te kampen hadden dan Sudan en Ethiopië. Toch heerste er toen in de laatste twee landen honger en in de eerste twee niet. 'De reden was dat Sudan en Ethiopië het niet erg vonden dat bepaalde lastige delen van hun bevolking de hongerdood stierven, en Botswana en Zimbabwe wel.'

O'Rourke reisde voor zijn boek (en voor Rolling Stone) naar Bangladesh, Somalië, het Amazonegebied, Rio de Janeiro, voormalig Joegoslavië, Haïti en Vietnam.

In het straatarme, altijd in de eerste plaats met rampen geassocieerde Bangladesh spreekt hij er zijn verbazing over uit dat het in een land waar de mensen zo weinig te eten hebben, 'zo ontzettend naar stront kan stinken'.

Diepgravender is zijn analyse van de juteproduktie in het land. Ooit was jute een nuttig produkt, maar inmiddels hebben synthetische stoffen het volstrekt achterhaald gemaakt. Toch blijven de boeren in Bangladesh jute verbouwen, want dank zij de jaarlijkse anderhalf miljard dollar buitenlandse ontwikkelingshulp kan de regering hen volop subsidiëren.

O'Rourke heeft een gesprek met de minister van Jute, die hem trots zijn uit jute vervaardigde visitekaartje overhandigt, 'keurig gedrukt op verkreukeld, bobbelig, bruin, verkleurd karton'. Jute is ook zeer geschikt om tapijten van te maken die net van wol lijken, vertelt de minister. Maar als O'Rourke omlaag kijkt, ziet hij een merkwaardige substantie die bezig is onder zijn voeten weg te rotten.

In Somalië verbaast hij zich over de jaren-zestig kleding waarin de bevolking rondloopt: weggevertjes van het rijke Westen. 'Als je iets wilt doen voor de waardigheid van de mensen in de landen ten zuiden van de Sahara, hou dan op charitatieve instellingen broeken met wijde pijpen te laten sturen.'

In het Amazonegebied maakt hij zich boos op de zeer met hun eigen politieke correctheid ingenomen 'eco-toeristen', wier uitstapjes veel schadelijker zijn dan ze denken, en in Rio ergert hij zich aan de ontvangst van Fidel Castro, 'een bosjestiran en ideologisch insekt die de inwoners van zijn eigen land soep laat koken uit stenen', maar op de milieutopconferentie wordt binnengehaald als de kampioen van het milieu.

Terug op de Miami University in Ohio, waar hij ooit studeerde, is O'Rourke getuige van discussies over het verwerpelijke woord nigger in Huckleberry Finn en de vraag of de bijnaam 'Redskins' voor een sportteam wel acceptabel is.

O'Rourke toont zich in All the Trouble in the World een welsprekend bestrijder van modieuze opvattingen en ideologische prietpraat. Dat hij in zijn bevlogenheid de nuance wel eens uit het oog verliest, is daarbij vrijwel onvermijdelijk. Wie hem leest op zoek naar oplossingen voor de grote wereldvraagstukken, zal op teleurstellingen stuiten. Maar een met veel humor doorspekte bijdrage aan de discussie levert hij wel.

Hans Bouman

P.J. O'Rourke: All the Trouble in the World - The Lighter Side of Famine, Pestilence, Destruction and Death.

Atlantic Monthly Press, import Novelty; ¿ 48,40.

ISBN 0 87113 580 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden