Minister van Alle Zaken

Aan een decennium regeren zonder christelijke partijen kwam een abrupt einde, honderd jaar geleden. Protestanten en katholieken (de 'rechterzijde') wonnen de verkiezingen van juni 1901....

KUYPER WAS een bouwer en een breker. Hij had de ARP opgericht en de Vrije Universiteit en hij splitste in 1886 de gereformeerden af van de hervormden door de Nieuwe Kerk in Amsterdam binnen te dringen ('paneelzagerij'). De jonge koningin Wilhelmina mocht hem alleen al daarom niet.

Maar een plannetje om de brave baron Aegidius Mackay weer premier te maken (zoals in 1888-'91 in het eerste confessionele kabinet) faalde op de bescheidenheid van deze ex-Schotse edelman. Hij schreef aan de Vrij-Antirevolutionair jhr. A.F. de Savornin Lohman, naast Kuyper ministerskandidaat voor zo'n kabinet-Mackay: 'Ik aan het hoofd, gij en Kuyper onder mij, het zou zijn Mercurius die de raad der goden presideert'.

Lohman had zeven jaar eerder pijnlijk gebroken met Kuyper en zou later de CHU beginnen. Hij bleef wijselijk buiten een kabinet van de dominante theoloog, intussen twijfelend aan diens staatsmanskunde. Hij heeft het kabinet-Kuyper wel steeds loyaal gesteund, zonder dat er geestverwanten van hem inkwamen.

Drie katholieke ministers vulden de ARP'ers aan, want er was een nauwe samenwerking met de katholieke leider mgr. Schaepman ontstaan (die zelf als priester buiten het kabinet bleef). De gemiddelde kwaliteit van de ploeg viel tegen. Rechts had te weinig regeerervaring gehad. Kuyper moest het vooral zelf doen - wat hem het beste lag - maar wel steeds rekening houdend met de conservatieve meerderheid in de Tweede Kamer.

Kuyper wilde toen al algemeen kiesrecht maar Lohman praatte hem dat, vanwege die meerderheid, uit zijn hoofd. De premier wilde meer sociaal beleid (in navolging van het voorgaande progressief-liberale kabinet-Pierson/Goeman Borgesius) maar Lohman mopperde over de kosten. De premier heeft nog flink wat sociale wetsvoorstellen ingediend, maar die waren aan het eind van de rit nog niet eens toe aan parlementaire behandeling. Kuyper was geen man voor minutieuze wetgeving en kon niet goed opschieten met zijn voornamelijk liberale ambtenaren.

Het ontbreken van sociale vernieuwing is Kuyper door de historici nagedragen. Positief was eigenlijk alleen de Drankwet, die een veel scherpere controle op 'bier- en melkhuizen' regelde en uitbetaling van loon in herbergen verbood. En inderdaad: het drankgebruik daalde in tien jaar van 8 naar 5,3 liter per persoon. Lohman overwoog overigens een totale drooglegging van Nederland.

De premier, die eerder juist met de 'dubbele namen' van zijn partij gebroken had wegens zijn te sociale koers, werd vrij plotseling de arbeidersvijand. De Spoorwegstaking van begin 1903 was aanvankelijk een overwinning voor de stakers en de bonden. Maar Kuyper, op heftige aandrang van Lohman, antwoordde met de 'Worgwetten', die zulke stakingen verboden en tot veel ontslagen leidden. Kuypers wetgeving was een solistische onderneming, want minister Loeff van Justitie was tegen, evenals andere ministers.

Maar de wetten gingen vlot door het parlement, zij het niet niet zonder schreeuwpartijen tussen Lohman en de SDAP'er J.H. Schaper. Een algemene staking werd een droeve mislukking en leidde tot akelige intern-socialistische ruzies. Kuyper triomfeerde, zelfs te veel. Hij liet de koningin in de Troonrede spreken van 'misdadige woelingen' - waar zij het zelf van harte mee eens was. Maar velen vonden dit overtrokken en onnodig grievend. De haat tegen Kuyper zou in socialistische kring nooit meer wegzakken.

Ook de liberalen kregen een beurt, en minstens zo principieel. Kuypers 'Hooger Onderwijswet' gaf de confessionele gymnasia en hogescholen (ook Kuypers eigen VU) ruime financiële verbetering, zij het nog geen gelijkstelling. Ook werden hun diploma's erkend.

De liberalen, die het openbaar onderwijs domineerden, vreesden dat de bijzondere scholen regel zouden worden en hun eigen scholen uitzondering. Zij voelden zich veilig bij de gedachte dat een niet-confessionele meerderheid in de Eerste Kamer, eens in de drie jaar voor een-derde ververst, de zaak zouden afstoppen.

DAT GEBEURDE inderdaad, maar Kuyper was er klaar voor. Hij liet de vorstin (niet zonder moeite) in 1904 de senaat ontbinden. Staatsrechtelijk was dat zeer hachelijk want de senaat was er nu juist voor om 'de waan van de dag' te weren, zo voerden liberalen en socialisten met verve aan. De gemoederen liepen weer hoog op, maar Kuyper trok zich daarvan niets aan. De nieuwe senaat had wel een confessionele meerderheid en de omstreden wet kwam alsnog in het Staatsblad.

Het humeur van de liberalen werd nog beroerder door de vele confessionele benoemingen in ambtenarij en bestuur. Overigens had 'rechts' wel wat in te halen. Boven de Moerdijk waren in 1901 539 liberale burgemeesters en slechts 67 christelijke.

Abraham Kuyper, 'Minister van Binnenlandsche en eigenlijk álle zaken', toonde ook in het parlement een grote prominentie. Hij kon heel sarcastisch zijn, maar ook lyrisch, zonder te galmen, te daveren of domineesrethoriek te gebruiken. Als hij begon te spreken stroomde de koffiekamer leeg. Bij schelle aanvallen van de oppositie bleef hij wonderlijk kalm. De liberalen brachten (vergeefs) de oude Sam van Houten in de Tweede Kamer terug om welluidender te kunnen opponeren.

De premier had ook een grote internationale belangstelling, vermoedelijk te veel. 'Minister van Buitenlandse Reizen' was een andere bijnaam en hij nam niet de moeite om zijn zwakke minister van Buitenlandse Zaken, Baron Melvil van Lynden, op de hoogte te houden. Zelfs niet van vage bemiddelingspogingen in Londen bij de Boerenoorlog. Toch al een wat vreemde zaak omdat Kuypers anti-Engelse instelling bekend was.

Kuyper ergerde zich steeds meer aan de schuchtere conservatief op BZ. Hij zette een 'diplomatiek adviseur' naast Van Lynden, W. van Weckherlin. Van Lynden was diep beledigd en nam zelfs alle diplomatieke en ambtelijke stukken mee naar huis zodat Von Weckherlin, maar ook de ambtenaren, tot passiviteit waren gedoemd. Deze curieuze situatie eindigde pas met de ontslagaanvrage van Van Lynden. Kuyper, evenzeer beschadigd door de rel, benoemde Van Lyndens zwager, die het wél kon.

Het was inmiddels 1905 en de reguliere kamerverkiezingen kwamen er aan. Kuyper had geen kans onbenut gelaten om socialisten én liberalen te vernederen en de noodzaak van een meer christelijke samenleving te onderstrepen: de antithese.

Tegelijk hield zijn beleid een behoorlijk rechtse teneur, om zijn coalitie in stand te houden. De confessioneel-conservatieven hadden geen bezwaar tegen het kabinet en het beleid, maar wel tegen Kuypers uitdagende stijl. De parlementaire geschiedschrijver en latere liberale leider Pieter Oud schreef in Honderd jaren: 'Kuypers antithese drijft de wig veel dieper dan nodig en nuttig is in ons volksleven'.

De antithese leek principiëler en minder tactisch bepaald dan de polarisatie tussen progressieven en christen-democraten in de jaren zeventig. Kuyper kreeg zijn trekken thuis, hebben latere liberale geschiedschrijvers met genoegen geconstateerd. De 'linkse' woede op Kuyper was enorm. Het Vrije Volk: 'Om Dr. Kuyper te weren moet desnoods op den duivel worden gestemd'.

De arbeiders stemden, anders dan in 1901, wél op ook zeer behoudende liberalen en de liberale kiezers kregen het advies liever op de SDAP te stemmen dan op een confessionele kandidaat. Dit gold voor de tweede stemming in het toen nog geldende districtenstelsel, waarbij de twee kandidaten overbleven die in de eerste ronde de meeste stemmen hadden gehaald.

Die tweede ronde werd een nederlaag voor Kuyper. Links kreeg 52 van de honderd zetels. De nieuwe premier van een kabinet zonder christelijke partijen werd de liberaal De Meester. In de Kamer kende alleen Schaper hem, want die had ooit diens plafond gewit. Wilhelmina was blij van Abraham Kuyper af te zijn. Haar afkeer was nog verdiept, omdat de bevlogen premier haar nauwelijks inlichtte en raadpleegde en haar verder als een vaag achternichtje behandelde. De vorstin nam zich voor om Kuyper, zo enigszins mogelijk, niet meer tot het premierschap toe te laten.

Pas na 1909 was ze op dat punt veilig. Toen werd onthuld dat Kuyper in 1903 een lintje had toebedeeld aan een Amsterdamse zakenman die flinke bedragen in de AR-kas had gestort. Kuyper ontkende het verband en wees op de verdiensten van de zakenman, maar hij gaf wel toe te onvoorzichtig te zijn geweest: 'Het boetekleed ontsiert den man niet'.

Oud constateerde dat het na deze 'lintjesaffaire' met de invloed van De Geweldige was gedaan. Hij bleef nog wel formeel leider, maar jongere AR-prominenten trokken zich weinig van hem aan, iets waar de oude reus zich onophoudelijk over beklaagde. De antithese verdween geruisloos en weinig geschiedschrijvers hebben het kabinet-Kuyper bewonderd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden