Minister Pronk voelde in '97 niets voor Zaïre-interventie

Minister Pronk weerspreekt beschuldigingen van de Belgische Afrika-kenner Reyntjens dat hij een interventie in Zaïre heeft geblokkeerd. De feiten bewijzen evenwel dat Pronk als EU-voorzitter een interventie onnodig achtte....

Jan Pronk heeft als minister voor Ontwikkelingssamenwerking niet steeds gepleit voor een interventiemacht in Zaïre. Pronk betwijfelde aanvankelijk ook de waarheid van berichten over massamoorden. Dat blijkt uit een reconstructie van de periode oktober 1996 tot oktober 1997.

De Belgische wetenschapper Filip Reyntjens beschuldigt Pronk ervan een internationale vredesmacht in Zaïre te hebben geblokkeerd. Volgens de Afrikakenner heeft Pronk de situatie in het gebied verkeerd ingeschat. Pronk en het ministerie van Buitenlandse Zaken spreken dit tegen.

In een reactie op Reyntjens' kritiek beperkten Pronk en Buitenlandse Zaken zich tot de periode november 1996, toen internationaal een discussie plaatsvond over het sturen van een interventiemacht. In werkelijkheid was er sprake van twee discussies: een in november-december 1996, de tweede in februari-maart 1997.

Nederland had als voorzitter van de Europese Unie in februari 1997 de conflictpartijen in Zaïre slechts opgeroepen een politieke oplossing te zoeken. België bepleitte toen een interventiemacht om massamoorden onder Rwandese Hutu-vluchtelingen te stoppen.

Pronk sprak in maart 1997 juist zijn twijfels uit over massamoorden waarover zijn Belgische collega Moreels hem had ingelicht. 'Alles wat we hier horen, van mensen die er dicht op zitten', verklaarde Pronk na een bezoek aan Oost-Zaïre, 'wijst toch in een andere richting.'

De vluchtelingen waren in het nauw gekomen tijdens de opmars van rebellenleider Kabila tegen dictator Mobutu. Die rebellie, gesteund door Rwanda, begon in oktober 1996. Half mei 1997 veroverde Kabila de macht.

Begin november 1996 was Pronk aanvankelijk tegenstander van westerse militaire interventie. Een dergelijke actie zou 'contraproductief' zijn: 'Men zal dat uitleggen als partij kiezen.' Wel wilde Pronk dat er door Afrikanen beschermde corridors zouden komen om humanitaire hulp te geven en om vluchtelingen naar Rwanda te laten terugkeren.

Ongeveer een week later verklaart Pronk tijdens een bezoek aan de grens van Rwanda met Zaïre dat een internationale interventiemacht alleen zin heeft als zij ook het mandaat krijgt om Hutu-militieleden in de vluchtelingenkampen te ontwapenen. In Zaïre is volgens hem een 'democratiseringsproces' aan de gang.

Het aantal Hutu-vluchtelingen wordt door sommigen in die tijd geschat op 1,2 miljoen. Pronk twijfelt aan dit getal en hanteert zelf de schatting 600 duizend. Later blijkt dat het totale aantal vluchtelingen zeer waarschijnlijk veel hoger lag dan 600 duizend. In Nederland is dan de discussie over een bijdrage aan een internationale interventiemacht op gang gekomen. De tegenstanders ervan refereren aan het trauma van Srebrenica. Pronk blijkt voorstander en slaagt erin de ministers Van Mierlo van Buitenlandse Zaken en Voorhoeve van Defensie achter het plan te krijgen. Nederland is in principe bereid 270 militairen te leveren.

Half november kondigt rebellenleider Kabila een tijdelijk staakt-het-vuren aan. Er komt een enorme stroom vluchtelingen richting Rwanda op gang. De Rwandese vice-president en sterke man Paul Kagame verklaart dat in Zaïre nog slechts 'enkele verspreide vluchtelingen' zijn. Washington neemt dit standpunt over.

Op 19 november besluit Nederland, in navolging van de VS, dat een interventiemacht niet meer nodig is. Ook het ontwapenen van Hutu-milities, zoals Pronk had bepleit, zou niet meer aan de orde zijn. Enkele weken later is het plan voor een interventiemacht binnen de gehele internationale gemeenschap van de baan.

Daarna wordt duidelijk dat zich nog vele Hutu-vluchtelingen in Oost-Zaïre ophouden, van wie een groot deel wordt opgejaagd door de rebellen. Het Wereld Voedsel Programma (WFP) van de Verenigde Naties spreekt van 700 duizend vluchtelingen, terwijl de VN-vluchtelingenorganisatie Unhcr het getal 600 duizend noemt. Berichten over slachtingen onder de vluchtelingen worden steeds sterker.

Nieuwe discussies over een internationale interventiemacht leiden tot niets. Frankrijk en België zijn ervoor. Pronk verwijt Parijs 'een discussie te provoceren over een situatie die niet bestaat'. Pogingen om in de Europese Unie ten tijde van het Nederlandse voorzitterschap steun te krijgen voor een interventiemacht, lopen half maart dood.

Medio mei verovert Kabila Kinshasa. De eerste officiële onderzoeken naar het lot van Rwandese vluchtelingen duiden op massamoorden. In juli 1997 concluderen de VN dat mogelijk 200 duizend mensen zijn gedood. Eerder was al duidelijk dat Rwandese militairen bij moorden zijn betrokken.

In juni van dat jaar zegt ook Pronk te geloven in de betrokkenheid van Rwandese soldaten bij slachtpartijen. 'Daar zijn nu voldoende aanwijzingen voor', aldus Pronk. De eerste verantwoordelijkheid zou echter bij Kabila liggen.

Pronk maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Rwanda. Kagame had hij 'nooit betrapt op een leugen', stelt Pronk: 'Hij heeft altijd zijn beloften gehouden.' Volgens hem is er 'door hardliners in het leger en daarbuiten' iets veranderd. De 100 miljoen dollar ontwikkelingshulp van Nederland lopen volgens Pronk geen gevaar, omdat die zijn bedoeld voor zaken als 'herhuisvesting van vluchtelingen, humanitaire hulp, rechtspraak'.

Eind oktober 1997 bezoekt Pronk president Kabila. Dan zijn ook de resultaten bekend van het VN-onderzoek naar de slachtingen. De VN tonen volgens Pronk 'arrogantie' en 'gebrek aan begrip voor een nieuwe autoriteit (Kabila), die voortkomt uit het niets'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden