Minieme rimpelingen in benauwend kleine wereld

Meer en meer zijn de Boekenweek en de Sinterklaastijd voor uitgevers drukke tijden. In die weken probeert men alles wat nieuw is in één keer bij de boekhandel te droppen....

Dit jaar lijkt de neiging tot concentratie zich wel heel sterk af te tekenen. Meestal komt de stroom nieuwe boeken, na de winterstop, eind januari, begin februari alweer op gang, om in de weken voor de Boekenweek onheilspellend aan te zwellen. Maar tot nu toe is het aanbod schraal, al verschenen er opvallende titels als Paardejam van Charlotte Mutsaers en Souffleurs van de duivel van Rogi Wieg, die dan ook alle aandacht kregen.

Ook deze week is er nog niet veel bijzonders, terwijl de Boekenweek toch al op 13 maart begint. Meulenhoff bracht al een flink stapeltje boeken uit in verband met het thema dit jaar - 'het eeuwig El Dorado' - maar verder zullen degenen die uitzien naar de beloofde hoogtepunten geduld moeten oefenen.

Sommige verrassingen zullen er zelfs in de Boekenweek niet zijn, zoals het inmiddels vermaarde deel 3 van De Tandeloze Tijd van Adri van der Heijden, dat zal bestaan uit twee boeken: 1. Het Hof van Barmhartigheid en 2. Onder het plaveisel van het moeras. 'Zelden', schreef de uitgever, Querido, al vorig jaar in een aankondiging van dit meesterwerk, 'werd zo reikhalzend, en tegelijkertijd met toenemend ongeloof, naar een roman uitgekeken als naar het derde deel van A.F.Th.'s cyclus ''De tandeloze tijd''. In de loop van een decennium nam het ontbrekende werk mythische proporties aan: was de auteur misschien bezig aan ''Het boek van Het Violet en De Dood'', een belofte die nooit ingelost kon worden?'

Nu, een paar maanden later, hoeft voor dat laatste niet meer te worden gevreesd. Beide boeken zijn gereed, 'boordevol (schokkende) gebeurtenissen, onverwachte wendingen, intrigerende personages', maar de produktie van de 'twee kloeke delen' heeft zoveel voeten in de aarde gehad, dat de lezers pas eind maart, begin april deze versie van 'Het boek van het Violet en De Dood' in de winkel zullen aantreffen.

Jammer, maar daar staat tegenover dat het èchte boek van het violet en de dood, waarop door de auteur al sinds mensenheugenis wordt gezinspeeld, wèl in de winkel ligt als de Boekenweek begint. Sterker: het is er volgende week woensdag al, en op de schrijver en de uitgever na (en de lezers van Vrij Nederland, die vorige week een voorpublikatie kregen aangeboden) weet nog niemand of Gerard Reve, want om hèm gaat het uiteraard, de belofte die hij ons jarenlang heeft voorgespiegeld gestand zal doen: The book to end all books.

Zo maak je de verschijning van een boek tot een gebeurtenis (met als gevaar natuurlijk dat de verwachtingen tè hoog gespannen raken). Het Boek van Violet en Dood, zoals het met twee lidwoorden minder heet, verschijnt bij Veen, telt 256 pagina's en zal ¿ 34,90 (de paperback) of ¿ 49,90 (de gebonden editie) gaan kosten.

Eveneens vóór de Boekenweek, op 1 maart, verschijnt een tweede titel, die nogal wat verwachting heeft gewekt: het eerste deel van de roman, waaraan J.J. Voskuil (van Bij Nader Inzien) jaren in stilte heeft gewerkt, en die maar liefst vijfduizend bladzijden omvat. Van Oorschot zal dit kolossale werk tussen 1996 en 2000 - het lijkt wel een vijfjaren-plan - in zeven delen dundruk publiceren.

De belangstelling voor Voskuils nieuwe roman is volgens de uitgever zeer groot, 'zo groot', schrijft hij, 'dat wij, voor het eerst in de geschiedenis van onze uitgeverij, hebben besloten tot de vervaardiging van een aantal zogenaamde ''ongecorrigeerde proefexemplaren'''.

Daarvan kreeg ik er één, en daarom weet ik dat het eerste deel van Het Bureau, zoals het nieuwe boek van Voskuil heet, gaat over Maarten Koning en zijn vrouw Nicolien, van wie we op de laatste bladzijde van Bij Nader Inzien afscheid namen, om ze later in de tv-versie van het boek weer tegen te komen. Maarten krijgt in dit boek, enigszins tegen zijn zin, een baan op het kantoor van meneer Beerta, die volkenkundig onderzoek doet. Maarten moet gaan werken aan 'de Atlas voor Volkscultuur', wat in de praktijk betekent dat hij zich, als neerlandicus, verdiept in kabouters en 'het ophangen van de nageboorte van paarden'.

Verwacht niet dat de ironie die in zulke wetenschappelijke onderwerpen schuilgaat, door Voskuil lacherig wordt uitgebuit. Hooguit relativeren Maarten en zijn vrouw Nicolien wat plechtstatig het belang van dergelijk onderzoek. Het is een restje van hun studentikoze weigering om überhaupt aan deze maatschappij mee te doen. Die tegendraadsheid neemt niet weg dat Maarten al vrij snel serieus deel gaat uitmaken van Beerta's instituut en de gebeurtenissen die zich daar, als op elk suf kantoor, van uur tot uur en van dag tot dag voltrekken.

Niet om over naar huis te schrijven, zou je zeggen, maar Voskuil gaat weer zo gedetailleerd en 'realistisch' te werk - net als de literair aan hem verwante Frida Vogels, die voor deel 2 van De Harde Kern de Libris Literatuur Prijs 1994 kreeg - dat je moet toegeven dat hier een bepaald milieu nauwgezet in beeld wordt gebracht. De wereld van J.J. Voskuil uiteraard, een leven van zeer minieme rimpelingen, waarvan de noodzaak om er kennis van te nemen zich niet direct aan mij opdrong.

Wat een benauwend kleine wereld is het toch, waarin Maarten Koning zijn onmacht om te leven - voortdurend voelt hij zich bedreigd - probeert te overwinnen. Als zijn houding en instelling typerend zijn voor de neerlandici die in de jaren zestig door de universiteiten werden afgeleverd, zou J.P. Guépin wel eens gelijk kunnen hebben met zijn opmerking in De vader van Jezus en andere smalende teksten: 'De studie Nederlands moet afgeschaft worden, hij is uitermate schadelijk.'

Ik weet niet of iemand als Maarten 't Hart het met die uitspraak ten volle eens is. Hij heeft zich bij verschillende gelegenheden uiterst neerbuigend uitgelaten over neerlandici die de literaire kritiek beoefenen. Dat kan hij zelf beter. Samen met Hugo Brandt Corstius heeft hij dat in NRC Handelsblad gedemonstreerd, toen zij alle tweeënvijftig romans van Simon Vestdijk bespraken, een reeks kritieken, waarvan De Bezige Bij en Nijgh & Van Ditmar, de twee vaste uitgevers van Vestdijk, een boek hebben gemaakt: Het Gebergte (¿ 49,90).

Het minste wat je ervan kunt zeggen is dat in deze bundel een helder overzicht wordt gegeven van het hele roman-oeuvre van Vestdijk, een schrijver die zowel door Hugo Brandt Corstius als door Maarten 't Hart zeer wordt bewonderd. Tijdens het lezen had ik de indruk dat beide liefhebbers bij hun kritische arbeid wel eens aan de beroepscriticus zullen hebben gedacht, die soms ook een zekere vermoeidheid niet weet te verhullen als hij, wéér, over een boek moet schrijven dat hij niet zo goed vindt. Het grootste probleem van de kritiek is dat er zoveel matige boeken zijn. Maar omdat Vestdijk, anders dan J.P. Guépin beweert, een gróót schrijver is, kan de toon van Het Gebergte enthousiasmerend en bewonderend blijven, ook als Vestdijk eens wat minder op dreef was.

Richard Minne - kennen we die nog? - schreef behalve de gedichtenbundel In den zoeten inval (1927), Heineke Vos en zijn biograaf (1933) en Wolfijzers en schietgeweren (1942) ook (zeer korte) verhalen, die nooit werden gebundeld. Dankzij Marco Daane en Yves T'Sjoeng is deze omissie nu ongedaan gemaakt. Zij brengen met deze Verzamelde verhalen van Richard Minne (1891-1965) een verzonken Vlaams-poëtische literatuur boven water, die zich met Louis-Paul Boon of andere socialistisch georiënteerde Belgische auteurs in het hoofd, plezierig laat lezen.

Achtenzeventig bladzijden lang, maar dan begint het editie-technische commentaar van Daane en T'Sjoeng dat nòg eens zo'n tachtig bladzijden in beslag neemt. Chic, zo'n 'volledige' uitgave, maar wat mij betreft waren die veertien verhalen en een beknopte inleiding voldoende geweest (Van Oorschot, ¿ 23,50).

Het is alweer een tijdje geleden dat ik hier de roman Laat maar van Edward St. Aubyn signaleerde. Hij trok me, maar ik had nog geen tijd gehad hem te lezen. Nu ik dat wel heb gedaan, kan ik zeggen dat St. Aubyn er goed in geslaagd is de leegte van een bepaald soort Britse upperclass-lieden te typeren, vooral de cynische David Melrose, die niet alleen zijn (rijke) Amerikaanse vrouw verkrachtte, haar een keer op handen en voeten, als een beest, de vijgen op het terras van hun luxe onderkomen in de Provence liet opeten, maar die ook zijn vijfjarige zoontje Patrick seksueel misbruikt.

Zulke verschrikkingen, achter elkaar gezet, zouden de indruk kunnen wekken dat St. Aubyn wel erg grof te werk gaat, maar dat is niet het geval. Met veel gevoel voor wat mensen in deze kringen elkaar aandoen, en waarom!, rangschikt St. Aubyn een aantal personages rond Melrose, die dankzij een ouderwetse 'alwetende' verteller heel afschuwelijke trekjes van deze leisure-class blootleggen (Van Gennep, ¿ 34,90).

In de roman De heidendochters juichen van de Zuidafrikaanse schrijfster Riana Scheepers is eveneens een vorm van seksueel misbruik het onderwerp, maar hier lijken de vrouwen die er slachtoffer van zijn, er zelf om vragen. Drie meisjes zijn met een paar officieren meegegaan naar een legerkamp aan de grens met Namibië. De vertelster deed dat, omdat haar vriendin ging. Bovendien is ze nieuwsgierig en 'houdt ze van seks'.

Ze wordt opgesloten in de kale kamer van haar luitenant, die haar een week lang, terug van het front, elke nacht komt bezitten, terwijl hij treurige oorlogsverhalen over haar uitstort. Het gegeven is nogal onwaarschijnlijk, want, zo vraag je je af, waarom gaat zo'n meisje niet weg als ze zo het gevoel heeft te worden gebruikt? Scheepers probeert dat wel te verklaren, maar overtuigend gebeurt dat niet. Het legerkamp als symbool van afgestompte, bedreigende mannelijkheid wordt veel te naïef tot decor gemaakt van een vorm van bevrijding, die de vertelster pas tijdens het vrijen met een van de andere vrouwen ervaart (Prometheus, ¿ 29,90).

Veel op komst, veel nog ongelezen. Wie bang is door de verwachte vloed van de Boekenweek overspoeld te raken, zou nu de tijd moeten nemen om tenminste één boek, een boekje (het telt even honderd pagina's) te lezen, dat tamelijk bijzonder is. Het heet Cynici. Het werd geschreven door Anatoli Mariëngof. Het werd vertaald door Robbert-Jan Henkes en Elena Pereverzeva (en geïllustreerd door Erik Bindervoet) en het is. . . om te lachen en te huilen zo absurd en tragisch (Perdu, ¿ 35,-).

Anatoli Borisovitsj Mariëngof vertelt in dit boek over de liefde van Vladimir en Olga tegen de achtergrond van revolutie, burgeroorlog, hongersnood en tot mislukken gedoemde socialistische plannen in het Rusland van de jaren 1918-1924. Als een verslaggever zo nuchter bericht Mariëngof, de hemelbestormer, die met zijn mede-imaginisten het bééld voorstond in de literatuur, en niets dan het beeld, over de rampspoed in Moskou (en daarbuiten), maar voorop staat het leven, zoals Olga en Vladimir dat trachten te leiden. 'Weet u Olga. . . Ik raakte haar vingers aan. . . . na onze ''socialistische'' omwenteling begin ik te geloven dat het ons Russische volk niet helemaal aan humor ontbreekt. Olga posteerde zich voor het kantwerk van de vergulde lijst die de ronde spiegel omsloot. En hoe komt het, denkt u, Vladimir. . . Ze inspecteert zichzelf in de spiegel. . . . dat er in Moskou geen Frans lippenrood meer te krijgen is? Ze pakte het gouden Guérlain-potlood van het tafeltje. Hoe kan iemand dan leven?'

Cynici was voor Mariëngof de proef op de som.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden