Miniatuurdraakjes op een lavarots

Sinds vorige week geldt voor de Ecuadoraanse Galápagos-eilanden de noodtoestand. Migratie bedreigt het ecosysteem, illegale vissers halen de wateren leeg....

De reisboeken hadden een heftige ontmoeting met de natuur voorgespiegeld. Maar ja, dat zijn boeken. De werkelijkheid is altijd anders. Want daar drijf je dan in de Stille Oceaan. Je loert door het net schoongespuugde duikglas naar de turqoise parkietvis met zijn roze staart, die beneden op een aangename afstand van drie meter langs de lavarotsen naar voedsel zoekt. En opeens scheert er een enorme donkere schaduw rakelings langs je.

Het volgende moment staren grote, verbaasde ogen door het duikmasker. Het is een jonge zeehond. Hij duwt zijn snuit tegen het glas. Gaan we spelen? Hij cirkelt om je heen, steeds dichterbij zonder je ooit aan te raken. En jij, die grote vis in zuurstokkleurig badpak, ligt daar door angst bevangen in het water. Je hapt nog steeds naar adem, terwijl hij allang weer is weggeflipperd op zoek naar leukere vriendjes.

Honderdtweeënzestig jaar geleden landde Charles Darwin op de Galápagos, een archipel ter hoogte van de evenaar in de Stille Oceaan. De Britse bioloog, die een rondreis over het zuidelijk halfrond maakte, was niet de eerste, maar wel de beroemdste bezoeker. Zwetend klauterde hij over de lavarotsen en door de dode kraters om planten, stenen, insecten, botten en beesten te verzamelen en hij verwonderde zich over de makheid van de beesten op de verlaten eilanden. Wild zijn is vermoedelijk een instinct dat een vogel zich in de loop van generaties aanmeet om zich tegen de mens te beschermen, opperde hij in zijn dagboek. Zijn observaties leidden ruim twee decennia later tot de publicatie van de klassieker The Origin of Species over de evolutie van de natuur.

Vele wetenschappers bezochten na Darwin de Galápagos. Begin deze eeuw kreeg de Ecuadoraanse eilandengroep wereldwijde faam als laatste paradijs op aarde. Pioniers uit Europa vestigden zich op de ruige vulkaaneilanden om in volstrekte harmonie met de natuur te leven. Of om een veilig heenkomen te vinden, eerst voor de Tweede Wereldoorlog en later voor het geval een Derde het continent ten gronde zou richten.

Sinds de jaren tachtig zijn de Galápagos een populaire reisbestemming met jaarlijks tienduizenden toeristen. Die zijn er overigens niet de oorzaak van dat de Ecuadoraanse president Alarcón een week geleden per decreet de noodtoestand afkondigde voor de eilanden. Te veel migratie leidde tot een vestigingsverbod en er worden geen nieuwe visvergunningen meer verstrekt.

De overgang is abrupt. Minder dan twee uur nadat je uit een vliegtuig stapt, zit je op een klif. Beneden in de zee voeren vier roggen een paringsdans uit. Op enkele meters van je vandaan broedt een Jan van Gent onder zijn badkamerblauwe zwemvliezen een ei uit. Een andere familielid is een pluizig jonkie aan het voeden. In de struiken verderop zitten honderden mannelijke fregatvogels op rommelige nesten. Steeds als vrouwtjes overvliegen, loeien ze in de hoop dat ze enige aandacht krijgen. De lucht is gevuld met geluid. Gebulder van de zee, piepende, krassende en fluitende vogels en gebrul van zeehonden die op de rotsen liggen.

'Nergens in de wereld krijg je zo'n show van de natuur', zegt Tanya Helmig, een Britse die jaren geleden een carrière als chemicus in Londen ruilde voor het bestaan als gids op de Galápagos. 'Je kunt vlak voor je neus dieren zien broeden, versieren, paren en dansen.'

Op de Galápagos geeft de natuur de mens een herkansing. Vogels vliegen niet weg. Hagedissen op het wandelpad gaan rustig door met hun push-ups. En over zeehonden moet je heenstappen. Ze liggen lui in de zon, als sigaren op een rij op het strand of als levend tapijt op de aanlegsteigers, en komen hoogstens in beweging als de bezoekers hard roepen en klappen.

De van huis meengenomen reisgids had gewaarschuwd: met minder dan vijf dagen 'doe je de Galápagos geen recht'. Dus heb ik mij met twaalf onbekenden, zeven bemanningsleden en een gids ingescheept voor een cruise van een week. We delen behalve het dek ook de opwinding over wat een passagier 'onze nieuwe relatie met de natuur' noemt. Ademloos slaan we gade hoe mandarijnkleurige flamingo's jaknikkend een maal van garnalen naar boven hengelen. We zitten op de eerste rij bij een paringsdans van Jan van Genten en zien hoe pelikanen tussen scholen engelvissen, roggen, octopussen en pinguïns zwemmen.

De grote favoriet van alle passagiers is echter de zeehond. Rond de Galápagos zwemmen er vermoedelijk zestigduizend. Al jaren geleden werden een vistekort, epidemieën en massale sterfte onder de zeehonden voorspeld, maar niets wijst erop dat er een schakel in deze voedselketen zal breken.

Op de wal schuiven de zeehonden moeizaam van links naar rechts. In het water zijn ze elegante acrobaten, die pirouettes en u-bochten draaien. Iedere snorkelende passagier kan rekenen op een enthousiaste ontvangst door de nieuwsgierige vrouwtjes en de speelse jonge zeehonden.

Darwin was niet erg onder de indruk van het landschap toen hij op 15 september 1835 landde op het eiland San Cristóbal (toen Chatham geheten), het eerste van de vier die hij zou bezoeken. Hij verbeeldde zich dat de struiken stonken, en de vlakte met zwarte basaltbrokken waar de zon loodrecht op stond, leek een oven. 'Niets is minder uitnodigend dan deze eerste blik', schreef hij in zijn dagboek.

Na anderhalve eeuw is er niet veel veranderd. De hoger gelegen eilanden hebben groene toppen dankzij de dauw van laaghangende bewolking. Maar de andere hebben kale heuvels, grijze stranden, gestolde bruine magnavelden met opengebarsten pukkels en zwarte kliffen met bladerdeegreliëf. Ze ogen guur. Zo moet de natuur er aan het begin van de schepping hebben uitgezien. Maar de schijn bedriegt, want de archipel is relatief jong in vergelijking met de vier miljard jaar oude aarde. De eilanden zijn vermoedelijk vijf miljoen jaar geleden ontstaan door explosies van onderwatervulkanen, die op een gegeven ogenblik boven de waterspiegel zijn uitgekomen.

Daarom waren de eilanden onbewoond. De eerste dieren die aanspoelden, waren goede zwemmers zoals pelsrobben en pinguïns, die een handje geholpen werden door de koude golfstromen uit het Antarctisch gebied. Zaadjes, insecten en spinnen werden vermoedelijk door de winden van het continent over de oceaan geblazen. Andere kolonisten kwamen meeliftend in de veren of maag (zaadjes) van vogels. Reptielen en reuzenschildpadden kwamen vermoedelijk op vlotten van takken, omgewaaide bomen en drijfhout, die normaal met de regentijd via de rivieren naar zee spoelen.

In de loop van de eeuwen ontstond een bonte, geïmproviseerde gemeenschap, die evenwel lang niet zo heterogeen was als die op het platteland. De afstand, de zee en de golfstromingen zorgden voor een natuurlijke selectie. Zoogdieren bijvoorbeeld haalden het niet op een vlot. Zij kunnen niet zoals reptielen lang zonder water en hebben evenmin een waterafstotende huid. Omdat de bevolking oneindig minder gevarieerd is, ontstonden nieuwe ecologische biotopen. Bij gebrek aan concurrenten of juist gedwongen door de nieuwe omstandigheden ontwikkelden beesten en ook planten eigenschappen die ze verder nergens ter wereld vertonen.

Het resultaat van het evolutionair krachtenspel is een unieke flora en fauna. Er zijn veel vogelsoorten die alleen op de Galápagos voorkomen. Darwin was de eerste wetenschapper die zich dit fenomeen bewust was en er onderzoek naar deed. De gouverneur vertelde hem dat hij aan een schildpad meteen kon zien van welk eiland hij kwam. Je had schildpadden met een zadelvormige schild en een lange nek, die op de drogere eilanden thuishoorden. Darwin concludeerde toen al dat ze de lange nek hadden ontwikkeld om toch groen te kunnen blijven eten.

Het meest overtuigende bewijs dat dieren zich aanpassen aan omstandigheden en die nuttige eigenschappen erfelijk doorgeven, vond Darwin na jaren onderzoek bij de vinken. Terwijl deze vogels op het continent zaden aten, waren sommige vinken op de Galápagos overgestapt op insecten. Anderen hadden zich toegelegd op bloemknoppen en weer een andere soort gebruikte cactusnaalden als een hamer om insecten uit bomen te peuteren.

De evolutie lijkt sommige dieren vergeten te hebben. Neem de zeeleguanen, een soort prehistorische monstertjes, die met de staart meegerekend een meter kunnen worden. Als miniatuurdraakjes zitten ze roerloos op de lavarotsen. Af en toe spuiten ze water uit de kanonsgaten die hun neus vormen. Met hun zwarte, schubachtige vel, dat in plooien om hen heenhangt, de rafelige rugkam en grote klauwen zouden ze niet misstaan in Jurassic Park.

Een van de leguanenkolonies had maandenlang bezoek van een bioloog. Hij noteerde precies in een schriftje wat de leguanen, die hij rugnummers had gegeven, deden en hoelang ze daarmee bezig waren. Voordat het draakje een duik in de koude oceaan neemt, warmt hij zich op, zo bleek. In slagordes staan de reptielen met hun kop in de zon. Dankzij de zwarte kleur kunnen ze de warmte goed vasthouden.

Rond het middaguur is de ideale temperatuur bereikt - 35,5 graden - en slingert het drakenleger zich naar het water. Eenmaal onder water vertragen hartslag en metabolisme. Zo kan de leguaan zeker een uur zonder zuurstof. Het teveel aan zout verwerkt hij via een speciale klier en vervolgens wordt het uitgeniest. Als de zon ondergaat, klimmen de leguanen op elkaar om zoveel mogelijk warmte te bewaren.

De evolutiekoorts bevangt na enkele dagen ook de passagiers op het schip. Het laboratorium van de natuur stemt tot diepere gedachten over de wetten van het leven tijdens de avonden op het deinende dek. 'De natuur is net als het leven: winnen en verliezen', meent de Zweedse Jonas, die bij Ericsson personeelswerk doet. We verzamelen voorbeelden. De zeeleguaan:. nu een eersteklas duiker, maar op het land kan hij met de stijve staart moeilijk uit de benen. De aalscholver: die kan in de branding vissen als de beste, want de evolutie bezorgde hem stevige poten, maar hij is nu de enige subsoort in de wereld die niet meer kan vliegen.

'Waarom zijn wij niet als de fregatvogels', zegt Valeria, die voor Boeing vliegtuigen verkoopt. 'Je weet nooit wat een man wil. Maar bij die fregatvogels kun je als vrouw de markt in één blik overzien.' Iedere dag komen we ze tegen: de mannetjes die op hun nest zitten met een rode voetbal onder hun bek. Het is de keelzak die ze opblazen als teken dat ze beschikbaar zijn voor paring. De vrouwtjes, die door de lucht zweven, kiezen de grootste rode voetbal uit.

Onze sensitivity training met de natuur heeft ook zijn beperkingen. De scheiding tussen de birdwatchers en de leken wordt na tienduizend Jan van Genten, 54 flamingo's en acht vinkensubsoorten en een half dozijn eilanden merkbaar. Een uur lang zitten we op een lavarots en staren we naar een bruin vlekje op een bruine wand. Het schijnt een uil te zijn. 'Nee, dat vlekje, daar links. Vlakbij dat struikje.'

De Galápagoseilanden zijn niet als het Amazonewoud. Darwins laboratorium is redelijk intact. Maar er zijn problemen. De mens is de grootste bedreiging van het fragiele ecosysteem. De bevolking groeide explosief. 'De migranten komen hier om te verdienen aan het toerisme, maar ze hebben geen idee waarom de toerist hier komt', zegt Jack Nelson, eigenaar van hotel Galápagos op het eiland Santa Cruz. Met de groeiende stroom import komen allerlei ongewenste bezoekers mee. Insecten die in de bagage zitten, huisdieren maar ook bloemen en planten die bewoners in hun tuin willen zetten. De inheemse soorten hebben geen weerstand tegen de import van het continent. Op een eiland gingen veel struiken dood doordat een passagier op een sierplant per ongeluk een insect had geïmporteerd.

Wilde ezels en geiten zijn al eeuwen een probleem. De robbenjagers en piraten lieten ze op de eilanden los zodat ze vers vlees hadden als ze aanlegden. Maar ook de latere kolonisten brachten beesten mee. Er zijn sindsdien ook wilde katten, honden en varkens. Ze vertrappen nesten, eten schildpadeieren op en doden reptielen. Om de schildpadden te behoeden voor uitsterven organiseerde het Nationaal Park Galápagos vorig jaar op een vulkaanhelling, die geheel is afgegrazen door geiten, een expeditie met twintig jagers. Na twaalf dagen werden ze opgepikt. Ze hadden 14 duizend geiten doodgeschoten. Er lopen er vermoedelijk nog tachtigduizend rond.

Bedreigender nog is de illegale visserij. Twintig jaar geleden kon je in de haven van Puerto Ayora, de hoofdstad van de Galápagos, met je handen kreeften vangen. Je komt ze nu in de haven noch in de kustwateren meer tegen. Leegvissen is de grote angst, niet alleen van de plaatselijke, ambachtelijke vissers, maar ook van de biologen sinds steeds vaker trawlers van buiten met (verboden) drijfnetten voor de kust worden gesignaleerd.

In de haven van Puerto Ayora ligt een trawler aan de ketting. De bemanning was betrapt met veertigduizend zeekomkommers, die helemaal niet gevist mogen worden. De boot is door de directeur van het Nationaal Park Galápagos verbeurd verklaard en de eigenaar veroordeeld tot hoge boete. Het is de eerste veroordeling in zijn soort, zegt Edgar Vargas, adjunct-directeur van het park. Sinds november heeft het Nationaal Park zeggenschap gekregen over de kustwateren. 'Het is logisch. Want wat er in de zee gebeurt, heeft onmiddellijk invloed op het land. Als de zee vervuilt, gaan ook de zeevogels en de zeeleguaan dood', aldus Vargas. Hij is gespannen. De boot in de haven is een testcase. 'Als dit vonnis in beroep wordt bekrachtigd, hebben we een machtig wapen in handen tegen de illegale visserij.'

Het laatste reveil. Hoe vroeger, des te meer beesten, heeft gids Tanya de avond tevoren gewaarschuwd. Maar de natuurliefhebbers staan definitief op verliezen. In democratische stemming heeft de boot gestemd voor ontbijten om half zes in plaats van vijf uur. Dertien slaperige hoofden dobberen nu in rubberen boten door het mangrovebos. De oogst is boven verwachting. Een zestal roggen. Klikklik. Vele rondpeddelende zeeschildpadden. Klikklik. En tot slot nog zes jonge haaien. Klik. Drie uur later is de vlucht naar Quito. De luchthaven deint. Of lijkt het maar zo? De wolken lijken spelende zeeleeuwen. En zie je die vulkaan daar? Net de bek van een fregatvogel. 'Een ding weet ik zeker', zegt Seanie uit Canada. 'Ik ga nooit meer naar een dierentuin. Ik schaam me dood tegenover die dieren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden