Milosz' kleine meisjes worden lastig groot

De Poolse Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz vond de roman Meisje Niemand op de jeugdafdeling van een boekwinkel. Hij sloeg het boek open, las het motto èn de merkwaardige ondertitel - 'een geheimzinnige roman over het volwassen worden' - en was verkocht....

Milosz was zó getroffen door de roman dat hij er een lang essay over schreef, waarin hij duidelijk maakte dat hier allerminst van een 'jeugdboek' sprake was. Integendeel zelfs. Meisje Niemand had eigenlijk een waarschuwing mee moeten krijgen: 'Alleen voor volwassenen, ja zelfs alleen voor volwassenen boven de veertig, oftewel de leeftijd waarop het ooit vrome joden was toegestaan de boeken van de Kabbala te lezen.'

Ik memoreerde de reactie van Milosz, een gróót dichter, enige weken geleden toen de Nederlandse vertaling van Panna Nikt - zoals het boek in het Pools heet - net uitgekomen was. Ik had het boek toen nog niet gelezen, maar nu ik dat wel heb gedaan, ben ik het volledig met Milosz eens, al zou ik er geen bezwaar tegen hebben als ook lezers ònder de veertig van Meisje Niemand kennis zouden nemen.

Het is moeilijk een boek als dit te typeren omdat het, zo eenvoudig als het lijkt, een tamelijk gecompliceerde vorm blijkt te hebben, die aspecten vertoont van een 'meisjesdagboek', van het sprookje, van de Faustische mythe - waarin iemand zijn ziel aan de duivel verkoopt -, van een geëngageerde roman - door het enorme verschil tussen rijkom en armoede in het hedendaagse Polen - en last but not least van de tegenstelling tussen een haast absolute hang naar het esthetische en een aanpassing aan de werkelijkheid zoals de meesten die nu eenmaal klakkeloos accepteren.

Dat klinkt ingewikkelder dan het is, want Tomek Tryzna, de schepper van dit door Andrzej Wajda verfilmde boek, vertelt in feite het simpele verhaal van drie vijftienjarige meisjes, die binnen het korte bestek van dit boek als in een snelkookpan voor de volwassenheid worden klaargestoomd.

Het komt erop neer dat de kinderlijke Marysia Kawcak na haar verhuizing naar de grote stad op school de eigenwijze en bizar uitgedoste Kasia leert kennen, met wie zij intiem bevriend raakt. Door Kasia komt zij vanuit haar armoedige milieu in aanraking met een wereld die zij niet kent. Kasia is de dochter van een drukke en goedverdienende arts, haar moeder. Haar vader heeft zij nooit gezien. Die leeft in Afrika.

Het belangrijkste dat Kasia haar vriendin Marysia bijbrengt is dat er naast de gewone wereld nog een andere is: die van de kunst. Kasia is dank zij de kostbare geluidsapparatuur die zij van haar vader toegestuurd heeft gekregen steeds meer in de ban geraakt van de muziek: ze wil zèlf muziek maken, componeren en díe scheppingsdrift beheerst haar zó, dat de rechtschapen Marysia haar soms letterlijk uit de klauwen van de duivel moet redden.

Op een gegeven moment verdwijnt Kasia en dan blijkt een ander meisje, de hooghartige Ewa - die Marysia tot dan toe helemaal niet zag zitten - haar vriendin te willen worden. Met Ewa ontdekt Marysia de verleidingen van het lichamelijke, opwindende kledij, make-up en de wijze waarop je met deze middelen volwassen kerels gek kunt maken. Ewa, die al jong door drie opgeschoten knapen is verkracht, staat met beide benen op de grond. Ze laat zich om zo te zeggen geen knollen voor citroenen verkopen en zet, vroeg wijsgeworden, iedereen naar haar hand. In haar bijzijn lijkt Marysia haar onschuld te verliezen en is tot wreedheden in staat die met kinderspelletjes niets meer te maken hebben.

De manier waarop Tryzna tot het laatst toe - met een ontknoping die ik hier niet wil prijsgeven - deze 'meisjeswereld' van binnenuit laat zien, is ronduit meesterlijk, omdat hij daarvan als het ware moeiteloos de verborgen en bepaald niet onschuldige kanten laat zien. Vandaar misschien die waarschuwing van Czeslaw Milosz. Toch is het niet alleen deze inhoud die je dit boek, inderdaad, in één adem doet uitlezen. Het is óók de aaneenschakeling van verrassende gebeurtenissen die je waanzinnig benieuwd maken naar de afloop, waarbij ik eraan moet toevoegen dat Tryzna door zijn poëtische taalgebruik tot veel, zo niet àlles in staat is.

Op een bepaalde manier deed Meisje Niemand mij denken aan het misschien vergeten Lydia en de zwaan, die prachtige roman van Jos Ruting over het meisje Lydia en haar Helleentje, een boek dat terecht 'klassiek' is genoemd in de Nederlandse letterkunde. En als ik iemand zou mogen aanwijzen die dit boek per se moet bespreken, dan denk ik aan Charlotte Mutsaers, in wier werk je immers niet alleen de sfeer van Lydia en de zwaan soms terugvindt, maar ook, denk ik, die van Meisje Niemand. Het boek werd uit het Pools vertaald door Karol Lesman (De Geus, ¿ 49,90).

Eén boek in de week zou genoeg moeten zijn, zeker zo'n boek als dat van Tryzna, maar ik heb er meer. Ik heb bijvoorbeeld ook een vertaling van het tweede boek van de Oostenrijkse schrijver Christoph Ransmayr: Morbus Kitahara. Het deed in Oostenrijk en Duitsland weer veel stof opwaaien, maar minder dacht ik dan Ransmayrs debuut Die Letzte Welt, met Ovidius' verbanning naar Tomi als centraal gegeven. Die Letze Welt was zowel gemeten naar de kritische respons als naar de verkoop (honderdduizenden exemplaren) een indrukwekkende verschijning.

In Morbus Kitahara - genoemd naar een door een Japanner ontdekte oogziekte waardoor zowel Ransmayr als één van zijn personages getroffen werd - blijft de Oostenrijkse succes-auteur dichter bij huis. Het verhaal lijkt zich, na de oorlog, in de buurt van het voormalige concentratiekamp Mauthausen af te spelen, in het denkbeeldige plaatsje Moor. In dit gehucht, dat door de geallieerde overwinnaars tot 'boete-gebied' is verklaard, wordt de smid Bering lijfwacht van de gehate Ambras, bijgenaamd 'de hondenkoning', die het concentratiekamp heeft overleefd en nu opzichter is van de steengroeve, waarin nagenoeg de hele bevolking van Moor werkzaam is. Bij deze twee voegt zich de smokkelaarster Lily, op wie Bering verliefd wordt en die als scherpschutter van tijd tot tijd graag een skinhead neerlegt.

Het is, opnieuw, een troosteloze wereld die Ransmayr in beeld brengt, vol broeierige emoties tegen een achtergrond van steen en ijs en industrieel verval. Het verhaal is gebaseerd op een idee waarmee Roosevelts minister Henry Morgenthau in 1944 heeft gespeeld. Hij wilde het Derde Rijk voorgoed breken door het zijn militair-inustriële potentie te ontnemen en er een landbouwnatie van te maken.

Ik heb het verhaal, dat met de ondergang van de drie hoofdpersonen in Brazilië eindigt, met gemengde gevoelens gelezen. Ik was gefascineerd door de vertelling en door wat Ransmayr over Oostenrijks oorlogsverleden aan de orde wil stellen, maar ik kwam niet erg ìn het verhaal, dat tamelijk traag en omslachtig overkomt. Ik vermoed dat dit aan de vertaling ligt, want toen ik het Duits erbij pakte, begon er ineens iets te vonken en te schitteren - was er die lijzige, mooie toon van Ransmayr - en zonder de vertaler Ronald Jonkers iets te willen verwijten - dit Duits is moeilijk te vernederlandsen - denk ik dat degenen die zeer in Ransmayr zijn geïnteresseerd beter de Duitse editie ter hand kunnen nemen (Prometheus, ¿ 45,-).

Ik las ook Een Bovary uit Brandenburg van Sabine Kebir. Het is een verhaal over een Oostduits droomstertje Rosemarie, dat verliefd wordt, volwassen en dan haar verlangen naar de grote, rijke wereld buiten haar land bevredigd ziet: door haar huwelijk met een Franse man kan ze weg uit de DDR, waarvan ze ons door haar wat naïeve, maar aanvankelijk wel trefzekere observaties de bekende indruk van een bepaalde achterlijkheid (zeker inzake de seksualiteit) weet te geven. Als Rosemarie - die voordat ze haar Fransman achterna gaat eerst nog met een homoseksuele man in het huwelijksbootje is gestapt - wat minder simpel zou zijn uitgevallen, dan was Een Bovary uit Brandenburg een stuk boeiender geweest. Of Kebir had Flaubert moeten heten, uiteraard (vertaald door Tinke Davids, AP, ¿ 39,90).

Frithjof Foelkel debuteerde, als vijftigjarige, in 1995 met de roman Onder de pannen, die ik spannend genoeg vond om hem in deze rubriek van harte aan te bevelen. Sommige critici meenden op dit impulsieve oordeel af te moeten dingen. Die scepsis kwam hun in het tijdschrift Bzzlletin (een heel nummer over debuten) op het verwijt te staan, van de zijde van Hans Neervoort, dat ze - gezien de fouten die ze hadden gemaakt - het boek veel te vlug hadden gelezen. Dat kan niet vaak genoeg worden gezegd!

Gewaarschuwd man als ik was besloot ik het nieuwe boek van Foelkel - die theoretisch fysicus èn zweefvlieginstructeur is - nòg langzamer tot mij te nemen dan ik toch al gewend ben. Ik stond bijna stil, maar allengs begreep ik dat dit niet zozeer mijn eigen vrije wil was, als wel een gevolg van Foelkels verteltrant, die op de rand van de verveling balanceert. Wat vielen deze verhalen, gebundeld onder de titel De pythons en de nachtportier, mij na Onder de pannen tegen. Op de flap staat dat de figuren in de verhalen van Foelkel op gespannen voet staan met hun omgeving. Dat is zacht uitgedrukt. Maar dat ze daarin verwant zijn aan de personages van J. M. A. Biesheuvel - 'met wie Foelkel een gevoel voor het absurde in de wereld deelt' - lijkt me overdreven. De charme van Biesheuvel is dat hij zo overduidelijk aus einem Gusz lijkt te schrijven. Bij Foelkel is er vooral krampachtigheid, misschien het gevolg van het onopgeloste conflict tussen verstand en gevoel (tussen de fysica en het vliegen als het ware), dat in Onder de pannen zo'n voornaam thema was (Meulenhoff, ¿ 32,90).

Was dat alles? Nee, maar wat mij verder bezig hield, kan ik nog slechts kort aanstippen, jammer, jammer. Het sadistische universum, deel 1 en 2, van W. F. Hermans werd herdrukt en voordat het tot me doordrong, had ik het weer helemaal gelezen, en bleek ik veel, tè veel te zijn vergeten (De Bezige Bij, ¿ 49,90). Bij Coppens & Frenks verscheen een nieuw deel in de reeks Novellen voor een jaar van Luigi Pirandello (1867-1936): Candelora. In deze bundel uit 1928 heeft Pirandello het even weergaloos als altijd over zíín thema's: de dood en het verlangen naar zuiverheid (¿ 49,90). Een indruk van de huidige Chinese literatuur krijgt de lezer in de verhalenbundel Voorzitter Mao zou hier niet blij mee zijn (Prometheus, ¿ 29,90), terwijl wie veel meer wil weten over de boekencultuur in dit land Chinese letterkunde van Wilt Idema en Lloyd Haft erbij kan nemen, hun ingrijpend veranderde historische overzicht uit 1985 (Amsterdam University Press, ¿ 55,-).

Hugo Claus, wiens toneelwerk al in vier delen is gebundeld, schreef een aantal stukken (De eieren van de kaaiman; Visite; Winteravond en De verlossing), dat wat hem betreft niet gespeeld hoeft te worden (maar met Visite en Winteravond is dat wèl gebeurd), kennelijk om lezers in staat te stellen hun eigen verbeelding op deze teksten los te laten (De Bezige Bij, ¿ 24,90 en ¿ 22,90 per deel). Fenicische vrouwen van Euripides wordt vanaf 8 mei tot en met 16 juni door theatergroep Hollandia in autosloperij Smit in Westzaan gespeeld. De tekst verscheen in de reeks Ambo-Klassiek (¿ 29,90). Van Lucius Annaeus Seneca publiceerde Boom de Dialogen in de vertaling van Tjitte H. Janssen (¿ 59,50) en bij de Historische Uitgeverij in Groningen maakte men een mooie uitgave van de retorische geschriften van Gorgias (naar wie Plato een van zijn dialogen heeft genoemd). Het woord is een machtig heerser werd de titel. Vincent Hunink zorgde voor de vertaling; Jeroen A. E. Bons gaat in op werk en achtergrond van de vermaarde redenaar en Jaap Mansfeld belicht de filosofische kwaliteiten van deze Gorgias, die leefde van 480 tot 380 voor Christus en aan wie het werk Over het niet-zijnde of Over de natuur wordt toegeschreven (¿ 45,-).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden