Milde toon in Arions confronterende gedichten

De poëzie van Frank Martinus Arion ontleent zijn spanning aan het conflict tussen wit en zwart, macht en machteloosheid. Toch is het minder het engagement dan de muzikaliteit die ontroert in zijn verzameld werk.

Frank Martinus Arion: Heimwee en de Ruïne

****

De Bezige Bij; 192 pagina's; euro 24,90.

'De wereld kun je niet veranderen', zegt de Antilliaanse schrijver Frank Martinus Arion (76) in de documentaire die regisseuse Cindy Kerseborn onlangs over hem heeft gemaakt. Je kunt alleen proberen ermee 'in tred' te lopen, als een paard 'met vier benen in harmonie'.

Uit zijn verzamelde gedichten, gebundeld onder de titel Heimwee en de Ruïne, spreekt precies het tegenovergestelde. In zijn poëzie loopt Arion nooit in de pas met de wereld: Merde!/ Wat is vooruit? Wat is achteruit?/ En hoe kom ik, verdwaalde, thuis, o windrichting?

Overal predikt hij die verandering waarin hij zegt niet te geloven. Soms letterlijk: Hierover ga ik even staan preken. We moeten/ Soldaten en ambtenaren afschaffen, soms impliciet, als in het melancholische gedicht over Balthazar, de zwarte koning die volgens de Bijbel de pasgeboren Jezus bezocht. In enkele regels kantelt Arion het christelijke verhaal. Niet de blanke Jezus is het middelpunt maar de Afrikaan die van ver kwam om 'zo'n niemendal als een kind in Bethlehem een groet te gaan geven'.

Geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars; Arion beschrijft de andere kant van het verhaal. In zijn poëzie zijn het vaak de machtelozen die de hoofdrol spelen: mijnwerkers in Zuid-Afrika, opgejaagde stammen. Zijn Jezus is zwart, zijn god is een vrouw en de Europeanen zijn mensen die je eeuwenlang uitnodigen voor een feest, 'maar als je er bent hebben ze/ met elkaar zo'n heibel/ dat de bommen links en rechts in hun versierde/ kerken gaten slaan' en dan blijkt het ook nog een 'Amerikaanse fuif waarbij iedereen zijn eigen eten en drinken meeneemt'.

Haarfijn schetst hij hoe het koloniale systeem generaties lang doorwerkt. Dat begint al bij de taal waarin hij schrijft; het Nederlands, waar hij niet zonder kan maar dat hem kwetst, omdat het een geleende taal is die op zijn lippen verschrompelt. Negers hebben geen taal, schrijft hij. Zij lenen in het land van hun inwoning enkele voor de hand liggende woorden.

Er is veel onrecht in Arions poëzie, maar kwaad wordt hij nergens. Zijn toon is mild en als de woede even opduikt, slaat die al snel om in droefenis. Nog droeviger buig ik mij en soepel/ Over de rand van mijn nikkelhard verdriet.

Door die droefenis heen snijdt de ironie, bijvoorbeeld als hij schrijft over de Hollanders en hun goede bedoelingen. Eens in een bar in Amsterdam zei iemand heel teder/ die behoefte had heel goed te zijn voor een naaste/ want hier in Europa blijven ze maar hangen aan Christus/ al geloven ze nergens meer in - ga weg uit deze taal.

Arion doet het tegenovergestelde van wat de man hem adviseert; hij hangt aan de taal, hij buigt en vormt haar in een poging los te komen uit de wurggreep van de geschiedenis die van hem een verliezer maakt. Hier sta ik dan weer te gebaren/ met horten en stoten... sta ik dan weer de weg te wijzen/ hoe van neger mens te worden.

Werkelijke harmonie vindt hij alleen in de natuur; de haiku's die hij daarover schrijft zijn in het Engels, vriendelijke observaties als Like a smile/ On the hill/ Comes the rain. In zijn strijd met de Nederlandse taal is hij scherper, spannender. En dan vooral in zijn observaties van mensen en wat die zichzelf en elkaar aandoen met al hun angsten en verlangens. Zoals de 'blanke negerinnen' die door hun achterwerk verraden worden (Als het ineens de muziek van bongo's hoort/ En reageert op onfeilbare voorouders), de gids die witte toeristen door donker Afrika leidt (Dit volk komt misschien/ nooit meer op-recht,/ al stut men het met balken) en de dichter zelf op de boegspriet van de schepping/ als een kemphaan als Jonas de voorste en ik spuug/ om heiliger te ademen in het snijpunt van zee en lucht.

Met het predicaat 'geëngageerd schrijver' heeft hij niets, zegt Arion in het voorwoord van de bundel. Dat is begrijpelijk, de kracht van zijn poëzie ligt zeker niet alleen in zijn engagement. De humor, tragiek, de terloopse toon, diepe bedroefdheid, de vreemde muzikaliteit: het is de combinatie die maakt dat dit werk verrast en ontroert.

Maar het is de steeds terugkerende thematiek van wit versus zwart, macht versus machteloos die de bundel zo confronterend maakt. In zijn beste gedichten laat Arion zien hoe de mens tot in zijn vezels is doordrongen van machtsverhoudingen en politiek.

Dat stemt tot nadenken en in een tijd waarin de meerderheid in Nederland Zwarte Piet afdoet als a-politieke kindervriend zou ik willen zeggen: lees Arion.

In zijn verhalenbundel De eeuwige hond (2001) schreef hij: 'Het is niet de wisseling van zijn en niet zijn waar het om gaat maar de wisseling van zijn en anders-zijn, dat is wat je moet beseffen om je zo niet overal thuis dan toch nergens geheel vreemdeling te voelen.'

In dat schemerige gebied tussen zijn en anders-zijn zwerven zijn gedichten, die ons eraan herinneren dat er bij al het zijn veel anders-zijn is en dat een geschiedenis pas volledig is als ze beide in zich draagt.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden