Mijn zwager de gastarbeider

De Roemeen Eugen Zaharia maakte lange dagen voor een karig loon in een Duitse fabriek, net als veel van zijn landgenoten. Olaf Tempelman memoreert zijn overleden zwager: een leven van drie maanden op, drie maanden af.

De graven liggen zo dicht op elkaar dat er van een voetpad nauwelijks sprake is. In andere jaren tafelden we rond zonsondergang met mijn zwager, dit jaar leggen we bloemen op het kerkhof van Lucace¿ti, aan de rand van de Roemeense provinciestad Moine¿ti. Kruisen zijn er tot aan de horizon, onkruid wordt slechts sporadisch gewied door nabestaanden, rond veel graven schieten brandnetels omhoog. Het is acht uur in de avond, onder de verduisterde wolkeloze hemel wordt een tracé van waxinelichtjes zichtbaar. Twintig minuten kost het ons het graf terug te vinden: Eugen Zaharia, 1963-2013.

In april overleed hij aan een hartstilstand, slechts 49. Dat Eugen onder de grond ligt, bevatten we nog niet helemaal. De laatste keer dat we hem zagen, was hij op het oog nog een man in de kracht van zijn leven. De laatste twee jaar kampte hij met enige hartklachten die, elke keer als hij terugkwam van drie maanden sla snijden in een Hamburgse koelruimte, wat erger waren geworden. Mijn schoonzus was in toenemende mate bezorgd. Volgens Eugen was er niets aan de hand. Dat is er zelden bij mannen uit de Roemeense provincie. 'Dit is echt de laatste keer dat ik naar Duitsland ga', was de enige uiting van lichamelijk ongemak. Maar als de dood niet had geïntervenieerd, was hij weer gegaan.

Eugen ontving liever niet in Hamburg, want in Hamburg was hij om te werken, niet voor de gezelligheid. Nu, na zijn dood, zie ik pas waar hij de helft van zijn laatste levensjaren doorbracht als Werkvertragsarbeiter. In een buitenwijk van Hamburg opent Eugens jongere broer Romica de deur van een tweekamerflat op vier hoog waar de lucht van verbrande kool zich onmiddellijk in de neusgaten nestelt. De gordijnen zijn vuil, de pannen zitten onder een laag vet, het meubilair bestaat uit plastic tuinstoeltjes. 's Avonds laat komen acht Roemeense mannen uit de saladefabriek. Ze moeten dan nog snel hun magen vullen. Er brandt weleens wat aan.

Twee kamers, vier stapelbedden, acht mannen uit Moine¿ti en omstreken. Twee lichtingen wisselen elkaar elke drie maanden af. Het sanitair is dat van een studentenhuis. 'Je ziet het appartement alleen 's ochtends vroeg en 's avonds laat', zegt Romica. En op die ene vrije dag in de week. 'Die is nodig om lichamelijk te herstellen. Eugen ging op zijn vrije dag schoonmaken, die kon er niet tegen als het appartement vies was.'

Er zijn Roemeense stellen die in Hamburg samen in de fabriek staan. Mijn schoonzus verloor haar baan bij de oude staatsbank en opperde dat ze mee zou gaan naar de saladefabriek. Niet doen, zei Eugen, dat is niets voor jou. Ik kijk door het vuile raam naar buiten en denk: voor wie is dit wel iets?

Het busje waarmee de acht Roemenen 's ochtends naar de saladefabriek rijden, heeft een Duits nummerbord, maar staat in de buurt bekend als Roemenenbusje. 'Waar we het ook parkeren, altijd komt er een Duitser naar buiten die je vertelt dat je daar niet mag staan', zegt Romica. 'Het duurt vaak twintig minuten voor we het 's avonds kwijt zijn.' Ik kijk naar de borden: overal vrij parkeren. Twee consumpties in een café kosten bijna Romica's uurloon van 5 euro. Hij wil zich niet laten trakteren.

Achterblijvers

Mijn vrouw is de jongste van drie zussen. Tot april jongstleden had ik twee Roemeense zwagers die zich respectievelijk aan de boven- en de onderkant van de maatschappij bevonden. De ene studeerde luchtvaarttechniek in Boekarest, maakte in de jaren negentig de sprong naar het bedrijfsleven en zat qua inkomsten al snel boven het Nederlandse modaal. Het levensverhaal van de andere, Eugen, is representatiever voor een Oost-Europese man die werd geboren in het jaar 1963.

Eugen kwam uit een arme boerenfamilie net buiten Moine¿ti. Hij had goede cijfers op school. Net als generatiegenoten probeerde hij weg te komen uit de provincie door zich in te schrijven aan de universiteit, maar hij zakte voor het toegangsexamen werktuigbouwkunde. In het Roemenië van tegenwoordig mag je het een jaar later nog een keer proberen of, als je ouders 800 euro kunnen overmaken, zonder toegangsexamen je geluk beproeven aan een private universiteit. In het jaar dat Eugen 18 was - acht jaar voor de Val van de Muur, Brezjnev nog in Moskou, Ceau¿escu nog in Boekarest - was dat anders. Je kreeg door de staat een arbeidsplek toegewezen in je woonplaats. Eugen werd te werk gesteld in een staatsbedrijf dat onderdelen vervaardigde voor landbouwwerktuigen. De middelste zus van mijn vrouw kwam daar op de administratie terecht. Ook haar was het, als enige van de drie zussen, niet gelukt een plaats op de universiteit te bemachtigen. Vonnis: achterblijven in de provincie.

Op ansichtkaarten uit het interbellum is Moine¿ti een groot dorp met kerken en synagogen. Joden en Grieken woonden er destijds minstens zoveel als Roemenen. De Joodse naam, Mojnescht, is in de geschiedenisboeken de bekendste, Tristan Tzara, aartsvader van het dadaïsme, werd hier geboren in 1896. De Joodse gemeenschap was omvangrijk tot in de jaren zeventig van de 20ste eeuw, toen Israël het Ceau¿escu-regime in cash betaalde voor elk uitreisvisum. Met de oude bevolkingsgroepen verdween de historische architectuur. In de vroege jaren tachtig reden bulldozers in op het oude centrum en onderging Moine¿ti de metamorfose tot betonnen oord. De nieuwe flats werden afgeraffeld, evenals de riolering, met als gevolg dat het stadje al dertig jaar muf ruikt.

Op de asfaltweg die Moine¿ti uitrolt zijn gaten her en der gedicht en halen auto's paardenkarren in. Als ik het hek voor de restanten van de firma SMA Moine¿ti open, betreed ik het domein van zwerfhonden die mij tot de broekspijpen naderen. Lege barakken, gebroken ruiten, onkruid. Zo ogen wel meer oude Roemeense staatsbedrijven. SMA Moine¿ti had een paar honderd werknemers in 1989. Een decennium later waren het er nog maar enkele tientallen. Eugen hoorde bij de bevoorrechte employés die na een privatisering onder leiding van een alcoholistische directeur in het begin van de 21ste eeuw het licht mochten uitdoen. Zijn laatste maandloon bedroeg omgerekend rond de 150 euro, mijn schoonzus verdiende in die tijd 300 euro op het lokale kantoor van de BCR-bank.

Kameraden

In de Socialistische Republiek Roemenië waren alle inwoners tovara¿i, kameraden. Alle kameraden waren gelijk, maar sommige kameraden waren gelijker dan anderen. Je had heimelijk succesvolle tovara¿i in de grote steden en achterblijvers in de provincie. De strijd om een beter leven na 1989 begon ongelijk. In de twintig jaar die volgden, nam de kloof tussen winnaars en verliezers enorme proporties aan.

Het leeuwendeel van de Roemeense socialistische staatseconomie verdween in de jaren negentig in een amalgaam van vaak frauduleuze privatiseringen, bedrijfsliquidaties en faillissementen. Het verschil tussen de grote steden en de provincie was dat er op de laatste plek meestal niets voor in de plaats kwam. Wie hoogopgeleid was, zijn talen sprak, woonachtig was in Boekarest en niet al te oud, kon zijn geluk beproeven bij nieuwe buitenlandse bedrijven. Wie niet universitair geschoold was, niet verbonden was met de oude nomenklatoera en woonachtig was in Moine¿ti kon, nou ja, niets meer in Moine¿ti. Nog ongeveer een decennium na 1989 werkten mensen er door voor salarissen waarvoor ze bijna niets meer konden kopen. Rond de eeuwwisseling was de oude staatseconomie zo goed als ter ziele. De kosten voor het levensonderhoud deden ondertussen nauwelijks meer onder voor die in West-Europa.

Zo kwam het dat trotse mannen van middelbare leeftijd zich niet te goed voelden om de slasnijmachine te gaan bedienen bij Nico Frischprodukte GmbH in Hamburg. Drie maanden op, drie maanden af, 5 euro per uur. Voor dat uurloon werken nog een paar honderdduizend andere Roemenen in westelijk Europa.

Ze zijn een zwijgende meerderheid in de meest letterlijke betekenis van de uitdrukking. Ze maken lange dagen voor rotlonen en komen - in tegenstelling tot skimmers en zakkenrollers - nooit in het nieuws. Het is niet leuk om door een skimmer geplukt te worden, maar het is ook niet leuk om hetzelfde land van herkomst te hebben en, bijvoorbeeld, in Hamburg twaalf uur per dag in een gekoelde ruimte te staan.

Duitsers worden minder aardig als ze denken dat je een Roemeen bent. Günter Wallraff moest zich in de jaren tachtig vermommen om voor Turk te worden aangezien. Ik heb niets anders gedaan dan in het trapportaal in Hamburg converseren in de Roemeense landstaal met Eugens broer Romica om vernietigende blikken in mijn nek te voelen.

Nee, de mensen zijn niet aardig, beaamt Romica. 'Maar we zien ze heel weinig.' Om acht uur 's ochtends rijdt het Roemenenbusje naar de saladefabriek, om tien uur 's avonds keert het terug. 'Iedereen wil lange dagen maken, anders levert het niets op. Je moet langs de prikklok om in de kantine te komen, dus je houdt je pauzes kort. Ik rook niet, maar je hebt rokers die een kwart van hun uurloon verliezen met rookpauzes. Het staat je vrij maar zeven uur per dag te werken en vroeg naar huis te gaan. Maar dan heb je ook maar 35 euro.' En: dan breng je de avond door op plastic tuinmeubilair voor een oude televisie met alleen Duitse kanalen.

Huurachterstand

De meeste Roemeense Werkvertragsarbeiter hebben hun redenen om twaalf uur te maken. 'Je kunt meer dan duizend euro per maand verdienen', zegt Romica. 'De huur van het appartement gaat van je salaris af, dus je probeert hier zo goedkoop mogelijk te eten en zo min mogelijk kosten te maken. De vorige keer ben ik na drie maanden met meer dan 3.500 euro naar huis gegaan.'

Veertig van de zeventig sla-snijders, sla-dressers en sla-verpakkers in de gekoelde vertrekken van Nico Frischprodukte GmbH zijn Roemeens. De overigen zijn Polen, Letten, Russen en Turkse Duitsers. 'Toen ik in 2010 begon, waren alle vrachtwagenchauffeurs nog Duits, nu zijn die ook allemaal Roemeens. Een Duitse chauffeur kost bruto 12 euro per uur, een Roemeense de helft.' Belangrijk: al die Roemeense Werkvertragsarbeiter hebben contracten voor maximaal zes maanden per jaar. Voor arbeiders die ten hoogste zes maanden in Duitsland werken, hoeven Duitse werkgevers geen premies te betalen.

Nico Frisch profiteert van goedkope arbeidskrachten, de klanten van Lidl en Aldi profiteren van goedkope salades, Roemeense mannen profiteren van 1.000 euro in de maand.

Pleeg je geen roofbouw op je lichaam? vraag ik aan Romica. Twaalf uur per dag voor een snijmachine staan in een koude hal, je ondertussen in leven houdend met het allergoedkoopste voedsel. 'Ik heb geen lichamelijke klachten, mijn vader werkte tot zijn 70ste op het land', zegt hij. Een causaal verband tussen Eugens Hamburgse jaren en zijn vroege dood, zullen we nooit kunnen aantonen. Romica zegt het zo: 'Hij ging zich in Hamburg steeds slechter voelen, dat is zeker. Maar je weet niet zeker hoe het hem anders zou zijn vergaan.'

De vraag of Eugens dood bij hem gedachten heeft opgeleverd met het werk in Hamburg te stoppen, slik ik in. Alsof door het wegvallen van zijn broer thuis het geld ineens is gaan binnenstromen. De goedkoopste supermarkt in Moine¿ti is een pas geopend filiaal van de Lidl. De prijzen liggen 20 à 30 procent hoger dan die in de Lidl van Maassluis of Mönchengladbach. Salades behoren niet tot het assortiment.

'De laatste anderhalf jaar werd het moeilijker voor hem om naar Hamburg te gaan', zegt mijn schoonzus, nu een weduwe van 45, conform de traditie in het zwart gekleed. 'Eugen was altijd energiek en uitgelaten als hij terugkwam, ook al had hij een reis van dertig uur in de bus achter de rug. Als de datum van vertrek naderde, werd hij stiller. Het laatste jaar was hij ook echt somber.'

Behalve gezondheidsklachten speelde een incident daarbij een rol: Eugen was er door de mevrouw van de administratie van Nico Frischprodukte GmbH van beschuldigd een huurachterstand te hebben. 'Dat was zijn eer te na. Dus hij stapte het kantoor binnen met de betalingsbewijzen. Hij hoorde niets meer van haar. Maar daarna was hij wel bang. Hij dacht dat het financiële repercussies kon hebben of dat zijn contract niet zou worden verlengd.'

Romica is bang om mij Niko Frisch GmbH, in het open veld buiten Hamburg, 18 kilometer van de flat, van binnen te laten zien. We rijden er met de auto een paar keer omheen. 'Ik denk dat het geen goede indruk zou maken als we naarbinnen zouden gaan. Ze zouden zich toch afvragen wat ik daar op mijn vrije dag met jou kom doen.'

Trots

Er was een scenario denkbaar geweest dat Eugen had gezegd: zes maanden per jaar in een saladefabriek, dat is geen leven, dan maar een armoedig bestaan thuis. Mijn schoonzus vond na de sanering van de BCR-bank werk bij de gemeente, op de afdeling projecten, 250 euro per maand. Eugen was een goede kok en deed al jaren bijna het hele huishouden. Met de moestuin en donaties van familieleden hadden ze het hoofd waarschijnlijk boven water kunnen houden.

Minstens één reden dat Eugen in Duitsland sla ging snijden, is dat het voor Oost-Europese mannen geboren in 1963 weinig anders dan een ultieme nederlaag is van het salaris van je vrouw en van giften te leven. Als de meeste traditionele mannen ontlenen zij hun zelfrespect aan de mate waarin ze in staat zijn de kost te verdienen. In het fictieve scenario dat mijn meer welvarende Roemeense zwager hem 1.000 euro per maand had gedoneerd, had Eugen die teruggestort. Dat was zijn eer te na geweest.

Zijn trots was in twee postcommunistische decennia al vaak op de proef gesteld. Aan het begin van de 21ste eeuw behoorde hij tot de minderheid van de mannen tussen de 20 en 45 die nog in Moine¿ti hun geld probeerden te verdienen, en daar nauwelijks nog in slaagden. Meteen na de ontmanteling van de communistische werkvoorziening was al een uittocht van mannen op gang gekomen richting Italië. De meesten van hen werken daar nog steeds in de bouw.

In veel opzichten was Eugen de typische Werkvertragsarbeiter. De mannen die na 2005 met tijdelijke contracten in Duitsland gingen werken, waren veelal ouder, voorzichtiger en behoudender dan degenen die veel eerder naar Zuid-Europa waren vertrokken. Ze hadden lang gehoopt dat het dicht bij huis beter zou worden. Tweemaal per jaar drie maanden in Duitsland op een vooraf bekende plek, dat was voor hen een aanvaardbaar risico, althans: daar konden ze het voor aanzien.

'De laatste keer kwam hij terug met acute pijn in de borst', zegt mijn schoonzus. 'Hij was er zelf ook van overtuigd dat hij naar de dokter moest. Maar na een paar dagen rust ging het iets beter. En dus wilde hij niet meer. Zijn zelfbeeld was dat van iemand die nooit iets mankeerde. Hij had nooit gerookt, van kinds af aan gevoetbald, ook nog een paar jaar professioneel. Ik hoor hem nog zeggen: Ik ben nog nooit in mijn leven ziek geweest, dokters ken ik alleen van de televisie.'

Op de tafel uitgestrooid liggen zwartwitfoto's uit het Roemenië van de jaren zeventig. Kleurenfotografie deed buiten de nomenklatoera pas haar intrede na 1989. In 1975 stond het historische centrum van Moine¿ti met kerken en synagogen nog overeind. In december waren er de traditionele winterfestiviteiten, met als hoogtepunt de Parada Ur¿ilor, waarin kinderen verkleed als beren dagenlang zingend langs de deuren gingen.

'De winterfeesten zijn mijn mooiste herinneringen aan Eugen', vertelt broer Romica. 'Hij nam ons echt op sleeptouw. Als iedereen kapot was, zat hij nog vol energie. Later, toen we allebei nog vrijgezel waren, gingen we in de zomer naar Mamaia aan de Zwarte Zee en daar was hij veruit de beste zwemmer.'

In april jongstleden kwamen de pijnen in zijn borst al na een paar dagen in alle hevigheid terug. Op vrijdagavond zei hij: 'Maandag moet ik misschien toch naar de dokter.' De hele zaterdag lag hij op bed. Op zondagochtend waande hij zich fit genoeg om te gaan voetballen. De zondagochtend op het veld was steevast datgene wat hij in Duitsland het meest had gemist, het laatste wat hij zich zou laten afnemen. Na vijf minuten zakte hij in elkaar. Toen de ambulance het ziekenhuis bereikte, was hij al dood.

'Ik mis hem', zegt Romica. 'Het is toch fijner om met je oudere broer op een plek als deze te zitten dan alleen. Asta e.' Asta e: die woordcombinatie is de meest gebruikte in het Roemenië van de laatste halve eeuw, en valt vrij te vertalen als 'zo is het nu eenmaal'.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden