Mijn ziel heeft 'n poetsvrouw nodig

De Vlaamse schrijver Luuk Gruwez portretteert in De maand van Marie (De Arbeiderspers; euro 13,50) vier vrouwen die in de liefde zijn gefnuikt en als geperverteerde madonna's gebukt gaan onder een groot bedrog....

Paul Depondt

'IK WAS MOE, altijd moe, nooit was ik zo moe geweest', schrijft Luuk Gruwez (1953) in Het land van de wangen. 'Tegen de avond leek het erop dat ik al vele levens achter de rug had.' Gruwez had last van verspreide tintelingen en trillende vingers, 'ik kon geen knopen meer dichtkrijgen, geen plastic zakken meer openmaken'.

Hij onderging testen, moest onder scanners. 'Er werd een lumbaalpunctie uitgevoerd: ik kreeg valium en vervolgens werd mij ruggenmergvocht afgetapt.' De neuroloog zei: multiple sclerose, bijna zeker. 'Had ik wel MS? Neen, ik had poëzie', zegt de schrijver. 'Mijn kwaal was míjn kunst, mijn symptomen waren míjn stijlkenmerken.' De arts 'was daar alleen maar de recensent van'.

Elk lichaamsdeel zou apart afscheid van het leven nemen. 'Ik ging naar de oogarts, de tandarts, de internist, de cardioloog. Het mag een wonder heten dat ik niet naar de gynaecoloog ging. Want ook bij de uroloog ging ik te rade.' Hij kocht in reformwinkels biergist en sint-janskruid, spirulina en etherische oliën, bonenkruid, kamille en oranjebloesem; hij nam capsules van zalm- en tennisbloem, hij maakte aftreksels van sassafras, vrouwenmantel en salie; hij plonsde in een bad van dennennaalden, rozemarijn of wilde tijm; hij plukte zakken vol duizendblad en brandnetel. Hij bestreed de ziekte.

'Ongelooflijk wat een stof er op mijn leven ligt: mijn ziel heeft een poetsvrouw nodig. Het geheugen laat tientallen jaren de vaat op het aanrecht staan. Ik moet afwassen, voor ik ga. Maar kom ik er nog wel mee klaar, met die kolossale vaat?'

Zijn ouders waren gestorven, zijn vriendin werd ziek, kanker, en werd verschillende keren behandeld en bestraald. Gruwez schreef erover: 'Hoe gaat het met je lymfen, je longen en je lever?' In zijn brieven aan Totje, - 'mijn lieve Tippetotje' - heeft hij het over een doodskist die hij heeft besteld, 'ik denk wel dat je ervan zult houden'. Het klinkt morbide, ook aanstellerig. 'Maar jij weet beter dan wie ook', schrijft hij aan Tippetotje, 'dat ik over een geest beschik die evenzeer vervuld is van het begin als van het einde: evenzeer van babykleren, doopsuiker en fopspenen als van rouwkapellen en knekelhuizen.'

Luuk Gruwez is geboren in het West-Vlaamse Kortrijk, maar hij woont al jaren in Hasselt, in Vlaams Limburg. Al ruim dertig jaar schrijft hij gedichten, soms als een getormenteerde ziel of een volleerd romanticus, of als een oplettende portrettist. De afgelopen jaren publiceerde hij - naast enkele dichtbundels, Vuile manieren, in 1995 bekroond met de Hugues C. Pernathprijs, en Bandeloze gedichten - vooral prozaboeken: Het bal van Opa Bing, waarvoor hij de Geertjan Lubberhuizenprijs 1994 kreeg, over een grootvader die wil dat zijn kleinzoon later schrijver wordt ('Gij moet schrijven', beveelt opa Bing.). Hij schreef voor de serie Privé-domein het hartverwarmende Het land van de wangen, een soort topografie of genealogie van een karakter, publiceerde zijn columns uit Humo en De Standaard Magazine in Slechte gedachten en bundelde dagboekfragmenten en brieven van hem en 'mijn tegenpool' Eriek Verpale in het 'siamees dagboek' Onder vier ogen.

'Als adolescent was ik geneigd straalbezopenheid met genialiteit te associëren', zegt Gruwez in 'De roes' uit Slechte gedachten. De jonge dichter - 'Gruweetje Erreweetje', zeiden zijn klasgenoten, 'erwtje' - adoreerde een Malcolm Lowry of een Paul Verlaine. 'Ten bate van de schrijverij is het dus belangrijk mij net als sommige planten precies voldoende te begieten: niet te weinig, maar zeker ook niet te veel. Van te veel zuipen verzuip je, van te weinig verdor je. En het is de bedoeling dat ik bloei.'

Hij verkiest bier, wijn is te deftig, 'te etherisch voor een schrijver als ik, die weliswaar romantisch is, maar zijn ziel in abattoirs en slagerijen aan een vleeshaak opgehangen ziet.'

Hij verzamelt in zijn boeken mensen, 'het is de essentie van het schrijven, alle schrijvers zijn verzamelaars, om te overleven'. Wanneer je iets over een ander opschrijft, of over een personage, dan red je jezelf. 'Het is een soort vergankelijkheidsbesef', zegt Gruwez. 'Maar je kunt mensen geen toekomst geven als je hun verleden niet hebt gerestaureerd. Het heeft dus ook met heimwee te maken.'

In zijn nieuwe boek 'restaureert' hij het leven van vier gefingeerde vrouwen, vier compromisloze vrouwen. 'Het boek is er eigenlijk toevallig gekomen. Er waren aanvankelijk twee opdrachten, een voor een scenario over de liefde voor televisie, de eerste versie van het verhaal 'Lucky Star', en voor een theatertekst over 'den Groten Oorloge', een verhaal over een volkswijk dat vervolgens van deur tot deur door acteurs zou worden voorgelezen. Die opvoering was een succes en ik dacht - een West-Vlaming als ik is ook een beetje opportunist -, ik heb nu al twee vrouwen uit de vorige eeuw aan het woord gelaten, in dat scenario en in die theatertekst, laat ik er nog twee verzinnen, zo bestrijk ik met vier personages die hele eeuw.'

Marie (93), Maia (65), Emma (42) en Marion (19), de vertellers uit De maand van Marie, zijn vier West-Vlaamse vrouwen die gefnuikt werden in de liefde, 'geperverteerde madonna's die gebukt gaan onder een groot bedrog'. Ze komen uit verschillende sociale milieus, en al spreken ze alle vier sappig West-Vlaams, ieders toon klinkt anders.

'Ik ben er mij altijd zeer sterk van bewust geweest dat een ander soort taalgebruik eigenlijk ook een ander soort persoonlijkheid genereert. In Het land van de wangen plaats ik op een metaforische manier West-Vlaanderen tegenover Limburg, het westen des lands tegenover het oosten, het land waar ik een zoon van ben, en er de streektaal spreek, en Limburg, waar ik mij van een soort standaardtaal moet bedienen.' East of Eden tegenover het Western Front.

'Marie, de oudste, brabbelt dialect; de lesbienne Maia, die een handelszaak had, spreekt beschaafder, de geflipte Emma - Emily Brontë - had altijd al schrijfster willen zijn en spreekt weer een ander soort Vlaams en de jongste, Marion, hanteert een ruig taaltje omdat ze zich tegen haar milieu wil afzetten.' Achter in het boek staat een verhelderende woordenlijst, 'geen belerende opsomming, want als je een woord uit de context begrijpt, moet je het niet verklaren', met voor veel Nederlanders onbegrijpelijke woorden als 'sooien' (centen, geld), 'seute' (flauwe trut), 'vermassacreren' (vernielen) en 'scheteprote' (schatje). Zulke woorden typeren de personages.

'In alles wat ik schrijf wil ik portretteren. Ik word wel eens de 'portrettendichter' genoemd, dat is juist, zelfs wanneer ik over een populier schrijf, schrijf ik als het ware over een mens. Ik hou van antropomorfismen. Zelfs dingen krijgen menselijke trekken en eigenschappen. Critici zeggen dat dat komt door mijn mededogen. Het heeft echter een literaire drijfveer: de personages die ik ten tonele voer, zijn mensen die het net niet gemaakt hebben, ik wil hun verhaal afmaken; het zijn vaak mislukte mensen, en zulke mensen zijn in de literatuur altijd interessanter personages dan geslaagde mensen.

'Ik ben als elke zichzelf respecterende adolescent begonnen als een koketterende dandy. Het was de tijd van de hippies, en ik deed een beetje alsof, om erbij te horen. Het had een zekere charme, het was een periode van grote zweverigheid. Wat ik toen schreef, de thema's, ze zijn niet veranderd, het wordt alleen anders opgeschreven. Ik evolueerde van dat wufte en van dat verhevene naar een veel groter aardsheid. Ik zeg altijd dat ik zal eindigen als de dichter van de abattoirs, de slachthuizen. Ik heb nu zelfs een gedicht geschreven over Andras Pandy, want die heeft net zo'n fascinatie voor vlees als ik.

'In mijn schrijven kun je twee lijnen zien: dat strikt autobiografisch, nogal zweverig 'ik' uit mijn eerste verzen werd een 'wij', met een biografie, en dat 'wij' wordt nu een soort 'ik' dat niks meer met mijn biografie te maken heeft. Ik ben nu een aantal 'personagegedichten' aan het schrijven, personages die ik in de ikvorm aan het woord laat, en dat geeft mij een enorme vrijheid. Ik ben een soort theaterauteur, zoals in De maand van Marie, daar zet ik een aantal personages in de ikvorm neer. Dat is één lijn. Want er is nog een tweede: van een aanvankelijk zeer abstracte en soms ook gespeelde romantiek, ja ook een beetje ijdel, want je wilde op je twintigste toch imponeren, zeg maar de schrijver als hartenrover die zoveel mogelijk meisjes wil verleiden, dat is geëvolueerd naar fysieke wreedheid. Dat is de laatste jaren ingrijpend veranderd.' In zijn laatste dichtbundel, Dieven en geliefde, is dat autobiografische ik verdwenen. 'Straks besta ik niet meer.'

'Mijn pen is de grote bek die ik niet heb', zegt Gruwez. 'Ik dweep niet met ziekte of dood. Mijn gedichtencyclus 'Kanker' [uit de bundel Dikke mensen], of mijn dagboek over het aftakelen van mijn grootouders ['Deerlijk' in Het land van de wangen] is geen gekoketteer. Het is een bezwering, een vorm van bijgeloof. Meestal vertel ik, om dit uit te leggen, over een hotel in de Ardennen. Ik lust geen vis, het maakt me angstig. Dat is altijd zo geweest. En in dat hotel, waar je je moet gedragen, dacht ik elke dag: er komt vis op tafel. Elke keer weer die bezwerende formule en op de een of andere manier werd in dat hotel nooit vis opgediend. Dat doe ik ook in 'Kanker', ik laat een geliefde sterven in de hoop dat ze in de realiteit niet moet doodgaan.' ik wil een ander kwijt in ruil voor haar./ ik wil een ander kwijt, of minstens mij. 'Soms leidt dat tot hilarische of bizarre anekdotes. Iemand stuurde mij zelfs ooit condoleances. Het klinkt wellicht allemaal luguber, maar zij kon er toen hartelijk om lachen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden