'Mijn vraag was: kan ik deze weelde wel dragen?'

De jonge George Groot hoefde niet naar catechisatie, want hij zat op de hbs en leerde daar volgens zijn vader, die ouderling was, genoeg....

GEORGE GROOT (60) ontmoette veel ongeloof en wrevel toen hij zich manifesteerde als sannyasin - volgeling van Bhagwan. Het afwijzingsfront was alom tegenwoordig, maar heeft hem nooit ontmoedigd. Hij hield van rode kleren, en had een onwankelbaar vertrouwen in de onbaatzuchtigheid van zijn leermeester. Tot op de dag van vandaag.

George Groot is neerlandicus en maakte deel uit van cabaret Don Quishocking. Hij is als docent verbonden aan de Kleinkunstacademie in Amsterdam en de Utrechtse hogeschool.

Rol van religie in de jeugd

'Mijn vader was ouderling in Edam. Ik zie hem nog met zwarte handschoenen aan naar de Nederlandse Hervormde Kerk wandelen om de goede gaven der gelovigen te innen. Hij was een rekkelijk man. Religie was in ons gezin eigenlijk niet aan de orde. Van ons, kinderen, werd geen geregelde kerkgang verwacht. En er werd aan tafel niet gebeden. Ik ging wel naar de zondagsschool. En dat was voor mij geen corvee. Allerminst. De verhalen die er werden verteld, boeiden mij buitengewoon. En ik zong graag. Maar na de zondagsschool ging ik niet naar de catechisatie, zoals mijn oudste broer. Toen iemand daar eens bij mijn vader naar informeerde, zei hij: ''George zit al op de hbs, daar leert hij genoeg''. Méésterlijk was dat! Hij zag de Bijbel dus vooral als een vervangbare bron van algemene ontwikkeling. Niet als de vindplaats voor alle levensvragen. ''Niemand weet het precies'', placht hij te zeggen.

Wij woonden buiten Edam, bij het gemaal. ''Groot van de molen'', zo stonden wij bekend. Mijn vader zorgde ervoor dat de polder niet onderliep. En ik had er een groot vertrouwen in dat hij het water eigenmachtig op afstand zou houden. Hij was eens een tijdje ziek. Best ernstig: een vlekje op de longen. Iedereen was daar ontdaan over, maar ik deelde die zorgen niet. Voor mij was het ondenkbaar dat hij door deze, of welke aandoening ook, gevloerd zou worden. Alleen van zijn nabijheid ging al een zekere geruststelling uit. Heel letterlijk. Ik herinner mij nog een familiereünie: pas toen ik mijn vader tussen al die mensen zag staan, voelde ik dat er niets kon misgaan.

Van de drie jongetjes in huis leed ik nog het meest aan het begaafde-kind-syndroom. Ik was nogal op mijzelf, voelde mij vaak wankel en onzeker, en wilde op school graag goede cijfers halen. Op weg naar huis verzamelde ik nieuwtjes voor mijn moeder. Waar een huis werd verbouwd, of een kind was geboren. Met geloofsvragen worstelde ik niet. Wel kwam ik, in een bui van grote vitaliteit, tot het verbijsterende inzicht dat ik ooit dood zou gaan. Alles zou dan weg zijn, want van mijn vader had ik begrepen dat we niet op een hiernamaals konden rekenen. En dat was een onthutsende gedachte. Iets van de doodsangst voelde ik al als ik met de tram naar opa en oma ging. Dan moest ik even afstand doen van alles wat mij vertrouwd was, en daar had ik grote moeite mee. Nog steeds trouwens.'

Nadenken over religie

'Mijn verhuizing naar Amsterdam, waar ik begin jaren zestig Nederlands ging studeren, was dus een enorme overgang. Ik miste er niemand, maar voelde mij er toch ontheemd. Mijn doodsangst nam obsessieve vormen aan. In de Kalverstraat ben ik zelfs een keer ineengezegen, overtuigd van het drama van het naderende einde. Nu weet ik dat ik hyperventileerde, maar toen was ik ervan overtuigd dat het met mij was gebeurd. ''Hoe zie ik eruit?'', vroeg ik aan een voorbijganger. En ik kon mij niet voorstellen dat haar beschrijving strookte met de werkelijkheid.

Ik had toelatingsexamen gedaan voor de toneelschool, maar was bij de eerste voorronde al afgewezen. Ik had ook geen idee waar het bij theater om ging. Ik had op school wel eens geacteerd, en ik had wel eens een tekst geschreven, maar daarmee kwalificeer je je nog niet voor het toneel, weet ik nu. Maar de kleinkunst bood een uitweg. De studievereniging Helios zocht vrijwilligers voor tal van culturele activiteiten. En zo ging ik deel uitmaken van het eerstejaarscabaret - de kiem van Don Quishocking.

De combinatie cabaret en jaren zestig wekt overigens valse verwachtingen over ons maatschappelijk engagement. Volgens mij zijn cabaretiers doorgaans niet zo begaan met de wereld. Ik kan mij bijvoorbeeld mateloos opwinden over moderne architectuur. De betrokkenheid bij het thema wijkt echter meteen als ik er niet de goede woorden of de goede muziek voor kan vinden. De inhoud is, met andere woorden, ondergeschikt aan de vorm. En welk standpunt zou ik in vredesnaam moeten innemen ten aanzien van het Midden-Oosten? Door partij te trekken voor Israël of de Palestijnen zeg je niets over de gevoelens van de moeder die haar zoon bij een zelfmoordaanslag heeft verloren. Iedereen houdt haar voor dat hij als held en martelaar is gestorven, maar zij had hem het liefst levend aan de keukentafel gezien. En dat gevoel deelt zij met Israëlische moeders.

Met je snedige betrokkenheid val je in het dagelijks leven ook meteen door de mand. Laatst zat ik in een Amsterdamse taxi. Wat rijden hier toch veel táxi's, merkte ik met gevoel voor understatement op. ''Ja, dat komt omdat elke buitenlander zomaar achter het stuur kan kruipen'', antwoordde de chauffeur. En toen ik uitstapte, zei hij: ''Pas op, de volgende keer niet bij zo'n kakkerlak instappen, hè!'' En ik zei niets! Ik liet dat onweersproken! En ik dacht: Kom George, je kunt toch beter dan dit.'

Het moment van de keuze

'We gingen elke zomer uitgebreid met vakantie, mijn Ank en ik. Met veel boeken en mooie kleren. In 1979 was Viareggio in Italië de plaats van bestemming. Daar trof ik een boek van Jan Foudraine over Bhagwan aan in Anks bagage. Ik kende zijn boeken wel, en ik had veel waardering voor hem. Ik was geïnteresseerd in zijn vakgebied, de psychiatrie. Niet omdat ik een therapeutisch verleden had, maar uit fascinatie voor machtsspelletjes tussen mensen. Aan die tak van sport had ikzelf trouwens ook met veel animo deelgenomen. Hoe het ook zij: het viel mij van de grote Foudraine een beetje tegen dat hij zich met een goeroe had ingelaten. Wat zonde dat hij een sannyasin is, zei ik tegen Ank.

Die stemming week zodra ik in het boek ging lezen. Het was fascinerend wat Foudraine schreef over de grootsheid van een meester. En ik vond het helemaal niet onthutsend om zo snel overstag te gaan. Integendeel. Ik wilde de ervaringen van Foudraine zelf ook ondergaan. Nog voor ik het boek uit had, zei ik: Ank, waarom zitten we niet in Poona, in de ashram van Bhagwan? ''Poona is overal'', zei ze. En daar was de kous in eerste instantie mee af.

Maar eenmaal thuis, in Amsterdam, bleef het kriebelen. Ik ging mij in het oranje kleden. Voor het eerst op 30 april 1980. Dan was ik niet alleen. En in de zomer zou ik naar Poona gaan, liet ik Ank weten. ''Goed'', zei ze. ''Dan ga ik met je mee.'' Daarmee werden onze rollen volledig omgedraaid. Want doorgaans stelde zij de reisbestemming vast. Van Bhagwan zelf had ik op dat moment nog niets gelezen. Ik gebruikte het boek van Foudraine als mijn kompas, en ik nam mij voor binnen drie weken de staat van Verlichting te bereiken.

In Poona betrokken wij het duurste hotel dat wij konden vinden, want de charme van kakkerlakken en voetschimmels ontging mij volkomen. En volgens Ank is onnodig lijden het verschrikkelijkste dat een mens zichzelf kon aandoen. De volgende ochtend liepen we naar de ashram. Bij binnenkomst scheidden onze wegen zich. We stelden elk ons eigen programma samen. En meteen voelde ik mij ontzettend de leerling. Dat botste met de status van bekende Nederlander die ik in de ogen van enkele sannyasins genoot. Zij meenden mij een ontzettend plezier te doen door te melden dat ze zo hadden genoten van onze show. Maar wat had ik daar op dat moment aan? Wat had ik aan mijn puntige teksten en aan de voeding van mijn ego? Niets. Ze stonden mij alleen maar in de weg.

Die sannyasins werkten mij sowieso nogal op de zenuwen. Ze fladderden maar om elkaar heen, en beconcurreerden elkaar in gretigheid. Maar toch was dat verblijf in Poona het absolute einde. Het was heerlijk om de kracht van een verlichte meester te voelen. En ik legde mij erbij neer dat Bhagwan over meer wijsheid beschikte dan ik.

We bleven acht weken in Poona, en laafden ons aan alle bronnen. Ik luisterde elke ochtend naar Bhagwan, schoof aan bij actieve meditaties, en bekwaamde mij in de soefidans. En aan het eind van dat zalige verblijf besloot ik sannyasin te worden. Zo makkelijk ging dat. Mijn enige vraag was: kan ik deze weelde wel dragen? Maar toen mijn twijfel was weggenomen, liet ik mij die malle ketting omhangen. Ik ging naar huis als Anand George.'

Reactie van de omgeving

'Thuis ontmoette ik veel onbegrip. De stemming in den lande was allerminst pro-Bhagwan, stelde ik vast. Mijn moeder zag mij als een willoos slachtoffer van een of andere manipulator. En de reactie van mijn vader typeert hem ten voeten uit. Hij zei: ''Maar jongen! Als je iets niet weet, kun je toch ook naar mij toekomen?'' Mijn vakbroeders reageerden vaak wat korzeliger op mijn nieuwe verschijning. Zo werd ik volkomen genegeerd door Ivo de Wijs. Toen ik hem daarop aansprak, zei hij: ''Zolang jij die rare kleren draagt, zeg ik niets tegen je.'' Heel pijnlijk vond ik dat. Dergelijke ervaringen hebben mij er overigens nooit toe verleid het contact met andere sannyasins te zoeken. Daar zaten net zulke zeikerds onder als onder de niet-sannyasins. Ik voelde mij niet op voorhand met hen verbonden.

Met Don Quishocking hebben we daarna nog één programma gemaakt. Het afwijzingsfront roerde zich in de zaal. ''Het lijkt goddomme wel of ik met een NSB'er op het toneel sta'', zei Jacques Klöters eens na een optreden van ons. Toch hebben deze akelige ervaringen mij nooit ontmoedigd. Nooit heb ik de verleiding gevoeld het tenue maar weer af te leggen. Ik vond die kledingcode van Bhagwan juist een vondst: op die manier werd je voor vrijblijvendheid behoed. Je werd op elk moment van de dag aan je keuze herinnerd. Bovendien hield ik van rood. Ik had een beeldige garderobe in die kleur. Maar wat het belangrijkst was: ik voelde mij werkelijk met Bhagwan verbonden. Hij is een echte leermeester geweest. Hij deed niets uit eigenbelang of met snode bijbedoelingen. En dat is een zeldzame kwaliteit.'

Uitdragen van religie

'Het enige waaraan ik met enige schaamte terugdenk, is mijn missiedrang. Ik vond dat ik andere mensen erop moest attenderen dat ze verkeerd bezig waren, en dat ze zichzelf tekortdeden als zij zich afsloten voor Bhagwan. Die had ons daar met grote nadruk voor gewaarschuwd: ambieer geen rol als missionaris. Maar kennelijk was die vermaning aan veel van zijn volgelingen niet besteed.

In 1990 stierf Bhagwan, en ik voelde mij werkelijk ontheemd. In de tijd die volgde, namen de sannyasins elkaar de maat. Zo in de trant van: ''je doet er toch nog wel wat mee?'' Toen ik na een aantal jaren een nieuwe leermeester vond, bij mij om de hoek nota bene, had ik aanvankelijk het gevoel dat ik vreemdging. Maar ook hij, Alexander Smit, overleed. In 1996. En sindsdien teer ik op zijn nalatenschap en die van Bhagwan. Maar het knaagt wel aan me. Ik heb steeds het gevoel dat ik een deel van mijn wezen verwaarloos.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden