Mijn verdriet tegen jouw verdriet

Is er nog behoefte aan een nieuw herdenkingsmonument? De vraag wordt ontweken. De Amsterdammers die het in hun achtertuin krijgen, zijn in elk geval tegen, en de burgemeester zit ermee in zijn maag....

PETER BRUSSE

NEDERLAND is een land dat zijn oorlogsslachtoffers mooi, maar ook moeizaam herdenkt. Ieder jaar opnieuw als de maand mei in aantocht is, vragen gewetensvolle intellectuelen zich af of het herdenken nog wel zinvol geschiedt. Zij kwellen zich niet zo erg als de Duitsers met hun herdenkingslast, maar ze huiveren voor de vanzelfsprekende rituelen van de Fransen en de Engelsen; plechtigheden die meer vorm dan inhoud zouden verraden.

Nederlanders doen niet zo maar iets. Ze doen het uit overtuiging en dat maakt hun herdenkingen zo indrukwekkend echt, zij het soms wat ongemakkelijk. Het gaat om het 'hoe', want 'dat' er herdacht moet worden, blijft vijftig jaar na de bevrijding een weldoordachte vanzelfsprekendheid. Misschien dat dit jaar een topjaar was, maar de onzekerheid en de opleving van echte oorlogen om ons heen staan er garant voor dat de aandacht niet gauw zal verslappen.

Ook het plaatsen van oorlogsmonumenten en herdenkingsstenen gaat nog altijd door. Er zijn er in de loop der jaren een kleine duizend neergezet. De eerste al in 1940 en Radio Oranje riep vanuit Londen op om de roodkoperen centen te sparen voor een monument op de Grebbeberg. In de eerste jaren na de oorlog was er zo'n vraag naar monumenten dat de beeldhouwers officieel om een bouwstop vroegen. Ze konden het werk niet aan en wilden beunhazen weren, zoals in Sta een ogenblik stil - Monumentenboek 1940-1945 van Wim Ramaker en Ben van Bohemen beschreven is.

Het verzoek werd natuurlijk ingewilligd. Voorkomen moest worden dat dezelfde chaos als na 1918 in Frankrijk en België ontstond, 'waar elke negorij een of ander zoetelijk, in de vormgeving en plaatsing slecht oorlogsmonumnent heeft', zoals de voorzitter van de centrale commissie, de landschapsarchitect prof. Bijhouwer, zei. Zijn commissie moest de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen adviseren. De minister had het laatste woord. Hij keurde ontwerpen af en gelastte zelfs een paar keer dat een al plechtig onthuld monument werd afgebroken.

Er is in de loop der jaren flink wat gevochten over de ontwerpen voor oorlogsmonumenten, zodat de huidige ruzie over plaatsing van het Dachau-monument in het Amsterdamse Vondelpark, keurig past in een lange traditie. Het waren in die naoorlogse jaren vaak absurde rellen die een beeldend verhaal vertellen van normen en waarden in stad en platteland.

Blote beelden werden verbannen naar bosjes of werden aangekleed. Om de geslachtsdelen van een man werd een broek gebeiteld en fiere borsten werden achter de vlag verborgen. De pers schreef bij een onthulling snedig dat te veel was onthuld en dat de bevolking niet op deze wijze herinnerd wilde worden aan de schaarste aan textielpunten in de bezettingstijd.

Rotterdam wilde het monument voor de joden bij de gasfabriek zetten en de geldinzameling voor het Nationaal Monument op de Dam werd een fiasco. De beelden van John Rädecker deugden niet en de tekst van Adriaan Roland Holst was 'wartaal'. Prof. Zuidema van de Vrije Universiteit beschouwde de 'atheïstisch humanistische' taal van Roland Holst als een miskenning van de calvinistische verzetshelden.

Beelden werden vernield, vergeten, ingebouwd of kregen een herbestemming als fietsenrek. Zo bewezen zij dat de oorlog steeds anders wordt herdacht.

En nu dan het Dachau-monument, dat alle ingrediënten in zich heeft van een klein treurspel. Eigenlijk is het een schimmenspel in het park. De spelers zeggen niet wat ze zeggen. Ze houden het onder zich en omzeilen de grote vraag: is er vijftig jaar na de oorlog nog behoefte aan een groot, nieuw monument?

Om die discussie is wel gevraagd, maar zij is niet gevoerd.

In april schreef Ruud Rijpma van het wijkopbouwcentrum Vondelpark/Concertgebouwbuurt in de Wijkkrant: 'Het Dachau-monument zie ik - met alle respect voor de initiatiefnemers - als een verwatering, niet als een versterking van onze diepgevoelde wens om te herdenken en te vermanen. Liever een Auschwitz-monument dan - in theorie - 350 monumenten om de slachtoffers van alle andere concentratiekampen te gedenken.

'Gezien de tragische periode '40-'45, met name voor Amsterdam, is een discussie hierover een heikele zaak, maar wel een die niet vermeden moet worden.'

Niemand durfde het aan, zeker niet tijdens de herdenkingsweken die toch al zo veel emoties losmaakten. Maar het gevolg was wel dat op de inspraakavond voor de omwonenden van het Vondelpark, 22 mei, 'de vlam in de pan sloeg'.

De buurtbewoners willen geen monument dat 'doet denken aan Der Schlaug, de gang van groen en prikkeldraad waardoor de slachtoffers moesten lopen naar de gaskamers.' Het is te groot, het straalt te veel uit. 'Tegen een klein beeld had niemand bezwaar gehad', zegt Jan Bokma van 'De Vrienden van het Vondelpark.'

Een psychotherapeute zei veel te werken met mensen met oorlogstrauma's. Zij raadde hen aan te gaan wandelen in het park, maar dat zou nu niet meer kunnen.

Het ontwerp van de Amsterdamse beeldhouwer Niek Kemps bestaat uit een zestig meter lange gang. De 'muren' zijn gevormd door twee taxushagen van vijf meter hoogte. Vanwege de grote hoogte maakt de gang een nauwe indruk. De vloer is gemaakt van Belgisch blauwsteen en is in het midden iets verhoogd, wat het wandelen bemoeilijkt. Bij de ingang is in de vloer de kaart van Europa gegraveerd met daarin de namen van 350 concentratiekampen. De namen van de kampen worden stap voor stap herhaald.

Aan het eind van de gang, bij de vijver, is de plattegrond van Dachau in de vloer gebeiteld. In de taxushagen worden sterke, wit-blauwe lampen gemonteerd. 'Dit licht', aldus Kemps bij de presentatie van zijn ontwerp, 'refereert aan de bewaking die bij kampen en gevangenissen altijd aanwezig is.'

Het monument, doorsneden door een bestaand voetpad, moet komen in de noordwestelijke hoek van het park. Voor een aantal bewoners van de nabijgelegen Zocherstraat (Zocher is de ontwerper van het park) is het monument dag en nacht zichtbaar. De taxusmuur is heel bewust een streep door het park met zijn sierlijke bochten en cirkels. Een fel contrast met zijn omgeving.

Protesterende buurtbewoners riepen dat de taxus een giftige struik was en voorspelden dat de haag hoeren en junks zou aantrekken.

Naar de voorstanders van het kunstwerk werd op de inspraakavond niet of nauwelijks geluisterd. Rita Weeda, de wethouder voor Stadsdeelwerken, was volledig uit het lood geslagen. Zo ook de andere protagonisten die door het boze koor werden verguisd.

Het was verschrikkelijk voor de beeldhouwer, voor Maryan Geluk van het Amsterdams Fonds voor de kunst die het project begeleidt, en vooral voor de voormalige gevangenen van het concentratiekamp Dachau. Zij hadden als eersten het plan voor een monument geopperd.

Dat was voorjaar 1993. Het moest het Nationaal Dachau-monument worden en hoorde dus thuis in de hoofdstad. Gedacht werd aan een replica, op het Museumplein, van het beeld 'De onbekende gevangene' in Dachau.

De gemeente Amsterdam wees het voorstel af, omdat er al twee oorlogsmonumenten stonden, voor de vrouwen van Ravensbrück en voor de zigeuners. Bovendien wilde de gemeente geen afgietsel van een beeld elders en raadde - in april 1994 - De Stichting voor het Nationaal Dachau-Monument aan om met Maryan Geluk naar een ander beeld op een andere plaats in Amsterdam te zoeken.

Geluk, die veel ervaring heeft met het plaatsen van kunstwerken in openbare ruimtes, had haar twijfels. Waarom moest er weer een monument komen? Er waren er al zo veel?

Maar zei zij, als de politici het plan steunen, dan wil ik ook wel. 'Maar dan een prachtig, verantwoord kunstwerk.' Er waren al genoeg lelijke gedenktekens waar zij zich dagelijks, fietsend door de stad, dood aan ergerde.

Zij benaderde Niek Kemps die ook zei niet zo van monumenten te houden. 'Artistiek zijn ze meestal niet zo interessant. En ze zijn bedoeld om te herdenken en te herinneren.' Kemps wilde in zijn ontwerp de nadruk op de toekomst leggen.

Zijn ontwerp, de lange taxusgang, heeft de opdrachtgevers diep ontroerd. Het is een prachtig, heel sterk voorbeeld van landscape art.

Kemps en Geluk zochten naar een mooie plek en het Vondelpark bleek de mooiste. Zij benaderden, najaar 1994, stadsdeel Zuid en wethouder Weeda beloofde alle medewerking.

Rijksmonumentenzorg verzekerde dat het ontwerp van Kemps niet detoneerde in het honderd jaar oude park dat zelf tot monument wordt verheven. De politie was niet bang voor een Sodom en Gomorra en ingenieurs vertelden dat er zonder probleem geheid kon worden in het verzakkende park.

'Mijn taak is het park te beheren. Niet om ons af te vragen of er vijftig jaar na de oorlog nog nieuwe monumenten moeten komen.'

ALLES leek voorspoedig te gaan en de inspraakavond beloofde een formaliteit te worden. Maar het Nieuw Israelietisch Weekblad gooide roet in het eten. De plannen voor het monument waren nooit openbaar gemaakt. Een ambtenaar tipte journaliste Birgitta van Butterswijk en zei haar dat alles in het geheim werd voorbereid. Het stadsdeel zou de burgerij voor een voldongen feit willen stellen. 'Ze probeerden het door de strot te douwen', zegt de nog steeds verontwaardigde Van Butterswijk.

Het is een kwestie van interpreteren. 'De pers is er te vroeg ingesprongen', zegt Maryan Geluk. 'Wij wilden eerst antwoorden op alle mogelijke vragen hebben voor we naar de buurt gingen. Dat vind ik een juist standpunt, ook al zei mijn intuïtie dat we de omwonenden eerder bij het project hadden moeten betrekken.'

Het NIW publiceerde het artikel op 17 maart en gaf de buurt alle tijd om op de inspraakavond twee maanden later in actie te komen.

Beeldhouwer Kemps wijt 'veel van het misverstand aan de slechte verhouding tussen wethouder Weeda en de bewonersgroepen. Ze kregen een stok om de hond te slaan.' 'Laten we zeggen dat de verhoudingen met haar voorganger beter waren', zegt Jan Bokma van 'De Vrienden van het Vondelpark'.

Dachau was het eerste concentratiekamp van de nazi's, door Heinrich Himmler in 1933 opgericht als een 'wetenschappelijk modelkamp' voor politieke gevangenen. Het was geen vernietigingskamp. In 1938 hebben tijdelijk tienduizend joden in Dachau gevangen gezeten. Leiders van de vernietigingskampen als Adolf Eichmann werden er opgeleid.

Aan het eind van de oorlog, toen kampen als Auschwitz werden bevrijd, werden joden naar Dachau gebracht. Het merendeel van de dertigduizend gevangenen die in Dachau omkwamen, stierf in de laatste maanden van de oorlog. Onder hen veel joden. Het kamp werd op 29 april 1945 bevrijd. Officieel hebben er tweehonderdduizend gevangenen in Dachau gezeten, 836 Nederlanders overleefden het kamp.

De voormalige Dachau-gevangenen kregen na de oorlog minder aandacht dan hun lotgenoten in de vernietigingskampen. Het is begrijpelijk dat de Dachauers hun eigen monument wilden. Jaarlijks gaan voormalige gevangenen naar Dachau, maar zij worden oud en de vrees bestaat dat het grote monument in Dachau wordt opgeheven, omdat het niet past bij het imago van de gemeente. De vrees, zo verzekert een medewerker van het museum in Dachau is ongegrond: 'Politiek onhaalbaar.'

In de Dom in Utrecht hangt het Dachau-kruis van de beeldhouwer Karel Kneulman, maar de Dachauers beschouwen dat niet als hun monument.

Toen de Stichting Nationaal Dachau-Monument bij gemeenten en bedrijven aanklopte om geld, was de benodigde half miljoen snel bij elkaar. Niet één gemeente weigerde. 'Je zou toch als gemeente gek zijn om niet meteen een bedrag over te maken', zegt David Barnouw van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

Barnouw is geen voorstander van het oprichten van nieuwe oorlogsmonumenten, maar hij beseft dat vergeten groepen nog een gedenkteken willen hebben voor zij allemaal zijn uitgestorven. 'Ik denk bijvoorbeeld aan de dwangarbeiders, ook mensen die enorm hebben geleden en die eigenlijk nauwelijks aandacht krijgen.'

Het tumult om het Dachau-monument heeft Barnouw verrast. 'Ik heb me vergist. Ik zie het protest als een omslag. Die omslag is eerder gekomen dan ik had gedacht. Ik had niet gedacht dat mensen nu al zeggen, durven zeggen, dat ze het monument niet willen.'

De gemeente Amsterdam gaf in de voorbereiding van de herdenkingsfeesten 112 duizend gulden, maar zou dat nu niet meer hebben gedaan. De Stichting Nationaal Dachau-Monument spreekt over een waarlijk Nationaal Monument. 'En het behoort op de meest representatieve plaats in de hoofdstad, het Vondelpark, te staan. Daar waar het ook het dichtst bij het publiek is, jong en oud', schreef de Stichting in een brief. Hierop staan ook de namen van het Comité van Aanbeveling; tien vooraanstaande Nederlanders, onder wie burgemeester Patijn, de voormalige rechtbankpresident mr Asscher en Maarten van Traa.

Geen van hen heeft zich kennelijk gerealiseerd dat een monument zich niet zo maar de status 'nationaal' mag aanmeten, zoals het NIW als eerste opmerkte.

Carel Steensma, de voorzitter van de Stichting Nationaal Dachau-Monument: 'Natuurlijk is het een nationaal monument. Uit heel het land hebben wij spontaan giften ontvangen. Als het er maar komt, dan vind ik het goed.'

Steensma ergert zich eraan dat het monument er nog steeds niet staat. Hij wijt het uitstel aan 'de bestuurlijke chaos in Amsterdam. Je wordt er ziek van. Maar we geven niet op. Ik heb nooit opgegeven.'

De 83-jarige Steensma, die zelf in Dachau en andere kampen heeft gezeten, is een legendarische figuur. Voor de oorlog vloog hij bij de KLM. Tijdens een poging om bij het begin van de oorlog naar Engeland te ontkomen, werd hij in een been geschoten. Het been werd later in het kamp door een arts en medegevangene zonder verdoving geamputeerd. 'Ik heb nog iedere dag pijn.'

Steensma stond aan de wieg van het Congresgebouw in Den Haag en maakte het tot een groot succes. Prins Bernhard behoort tot zijn invloedrijke vriendenkring. Hij is nog altijd een verwoed zeiler en diepzeeduiker. Hij zorgde ervoor dat het internationale monument in Dachau er kwam en zet zich nu in voor het monument in het Vondelpark. 'Ik ben a-politiek. Ik wil dat dingen gebeuren.'

'Maar', zeggen de tegenstanders, 'als het monument geen nationaal monument meer is, waarom moet het dan nog in het Vondelpark, de meest waardige plek van Amsterdam? Het park heeft geen enkele connectie met Dachau.'

Voor Kemps blijft het Vondelpark de mooiste plek en projectleidster Maryan Geluk zal er voor vechten alsof het haar eigen kind is. Zij verwijt de opponenten misleidend gedrag; 'Als ze mij zonder verdere uitleg gevraagd hadden of ik nog een oorlogsmonument in het park wilde, had ik ook mijn handtekening gezet.' Zij denkt dat als het monument er eenmaal is, de mensen er wel aan zullen wennen. 'Ik vond het gebouw van Rem Koolhaas aan de ingang van het Vondelpark ook afschuwelijk, maar nu vind ik best, je ziet het niet meer.'

Kemps wil het ontwerp graag aanpassen. Hij vindt het jammer de metafoor van het koude licht in de kampen gebruikt te hebben. Het licht mag 's nachts uit, de muur mag korter en ruim voor de vijver ophouden, zodat niemand verplicht is om terug te lopen of de vijver in te springen, zoals tegenstanders sarcastisch opmerken. De taxushaag mag van vijf naar drie meter verlaagd worden. 'De groene haag is net zo vriendelijk als de ouderwetse haag om een speeltuin', zegt Geluk.

CAREL STEENSMA heeft 'geen moment overwogen zich terug te trekken. Het stadsdeel Zuid moet de beslissing nemen. Mevrouw Weeda zegt alles voor ons te doen wat in haar vermogen ligt. Dus wachten wij af. Als het antwoord negatief uitvalt, gaan we ergens anders heen. Er zijn plaatsen genoeg. Hoe langer ze wachten, hoe explosiever de zaak wordt. Het ontbreekt hun aan lef.'

Rita Weeda hoopt dat het Dagelijks Bestuur volgende week de beslissing kan nemen en dat de Raad binnenkort besluit de onderhoudskosten (dertienduizend gulden) op zich te nemen. Zij rekent op politieke steun, maar is nog steeds niet helemaal zeker van haar zaak.

Haar woordvoerder, Henk van de Velden, zegt hoe moeilijk het is de juiste beslissing te nemen. Er wonen enkele voormalige kampbewoners in de Zocherstraat en zij verzetten zich fel tegen het monument. 'Je krijgt letterlijk ''mijn'' verdriet tegen ''jouw'' verdriet.'

Rita Weeda: 'Het ligt zo gevoelig. Je mag niemand kwetsen. Ik luister naar alle partijen. Ik leef met hen mee, maar uiteindelijk moet het algemeen belang boven het plaatselijk belang gaan.'

Daar is iedereen het mee eens, maar het probleem is dat in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Betuwelijn en opvangcentra voor asielzoekers, niemand heeft vastgesteld wat het algemeen belang is. Die discussie is ieder uit de weg gegaan.

'Natuurlijk heeft alleen de buurt geprotesteerd, maar dat wil niet zeggen dat anderen het monument wel zouden willen hebben', zegt David Barnouw van het RIOD.

De tegenstanders, onder wie zelfs een oud-Dachaugevangene, hebben zich het luidst uitgesproken. De meesten van de Dachau-overlevenden hebben zich openlijk met acties en ingezonden brieven geroerd. 'Het ligt niet in hun aard. Zij vormen een hechte, maar gesloten vriendenkring. Het zijn over het algemeen zeer kwetsbare mensen. Zij voelen zich toch onbewust vaak een beetje tekort gedaan. Zij werken het liefst zonder ophef langs vertrouwde wegen. Misschien heeft dat wel te maken met hun kampverleden', zegt een oud-Dachauer die zich heeft teruggetrokken. Hij is niet voor en niet tegen het monument.

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft Rita Weeda per brief zijn steun gegeven. De argumenten van de omwonenden snijden volgens B en W geen hout. Maar burgemeester Patijn zit, zoals hij intimi bekent, met het monument in de maag.

Wethouder Ernst Bakker schreef Weeda ook een steunbrief: 'Wij gaven 112 duizend gulden en dat toont onze betrokkenheid. Verder heb ik er eigenlijk geen bal mee te maken. Stadsdeel Zuid moet het uitmaken.'

In zijn brief schreef Bakker dat hij de plaats in het Vondelpark adequaat vond, maar 'ik heb gezegd dat ik er geen bezwaar tegen heb als zij het monument op een andere plaats wil zetten.'

Wethouder Bakker biedt een eervolle uitweg. Dachau verdient geen volksrel. Het gekrakeel in het Vondelpark is meer dan een protest tegen een monument in de achtertuin. Het zijn de signalen dat vijftig jaar na de oorlog andere maatstaven voor herinneren en herdenken gelden. Maar let wel, niemand suggereert dat de Tweede Wereldoorlog wel voldoende is herdacht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden