Column

Mijn vader, een frivool heerschap

Heel af en toe een weekeinde op bezoek bij vader, een frivool heerschap.

Beeld thinkstock

'O, vader wij zijn samen geweest in de langzame trein zonder bloemen...' Zo luidt de eerste regel van Hans Lodeizens gedicht Voor vader op de laatste pagina van Het innerlijk behang, een door Van Oorschot uitgegeven, abrikooskleurige bundel uit 1954. Inmiddels is het kaft verschoten tot bleek-oranje en zijn de bladzijden vergeeld, maar ieder gedicht treft me nog steeds als een fluwelen vuistslag.

Graag zou ik die laatste hartenkreet van mijn jonggestorven, homoseksuele idool (op wiens foto ik jarenlang verliefd ben geweest), integraal citeren, maar dan blijven er te weinig woorden over voor mijn eigen vader.

Eerst een beeld van mijn omstandigheden in die jaren vijftig. Op mijn 10de werd ik ondergebracht bij een weduwe en haar dochter, een klasgenootje op de Amersfoortse Schoolvereniging. Mijn vorige pleegfamilie ging emigreren naar Canada en dat vond mijn moeder toch wel wat ver van Amsterdam.

Die bundel van Lodeizen kreeg ik drie jaar later op mijn verjaardag. Mijn Amersfoortse weldoenster had in de bus geblazen: 7,50 gulden! Uit haar keuze - zelf las ze zelden een gedicht - bleek eens te meer hoe goed ze het met me voor had.

Ach, dat hadden mijn ouders ook, althans mijn moeder. Waarom zou ze me anders hebben ondergebracht bij de liefste, meest onbaatzuchtige kindervriendin ooit? Blijkbaar had ze een vooruitziende blik. Want - op hoge hakken, met hoed en vervaarlijk ruisende rok - op koffiebezoek bij het schoolhoofd: 'Weet u misschien een adresje voor mijn dochter?', had de drukbezette actrice geen seconde geaarzeld. Toen ze hoorde dat er een weduwe bestond, een juriste nog wel, die voor onbepaalde tijd een speelkameraadje voor haar dochter in huis wilde nemen, hoefde ze eigenlijk al geen kennis meer te maken met die alleraardigste mevrouw.

Mijn vader zag ik zelden, maar daaraan was ik van jongsaf gewend. Heel af en toe mocht ik het weekeinde bij hem en zijn vrouw in Amsterdam logeren. Dan nam hij me mee naar de bioscoop. Ook daar maakte hij voortdurend grapjes, achter een samenzweerderige, welverzorgde hand. Op zondagavond bracht hij me terug naar het station, in zijn Chevrolet. In die tijd kon je nog overal parkeren, dus liep hij mee naar het perron. Nog zie ik hem staan, toen al een opvallende verschijning want von Stetsonhoed tot Ballyschoen aus charme eingestellt. Hij rook naar Habit Rouge van Guerlain en naar Chiclets 'kauwgummie', bang als hij was voor een slechte adem, maar dat zou ik later pas begrijpen. Achter zijn brillenglazen twinkelden flirterige ogen. Op hem durfde ik niet zo verliefd te zijn als op Lodeizen. Want dit frivole heerschap leefde nog. En hoe! Altijd in voor een brutale grap.

Daar stond de trein naar Amersfoort, net zo'n langzame als die van Lodeizen en ook zonder bloemen. Wel boordevol soldaten. Na een vluchtige afscheidskus liep ik zo vlug mogelijk naar de treeplank want in de buurt van mijn ouders was het zaak niet te veel tijd voor mezelf te nemen.

Nog even keek ik om of hij er nog stond en ja hoor, daar schalde die warme bariton over het perron: 'Dag Truus, de groeten aan opoe en het beste met het been!'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden