'Mijn Toscane is niet alleen idyllisch'

Sinds tweeënhalf jaar woont Geerten Meijsing (1950) in 'het New York van de oudheid', Syracuse op Sicilië. Daar blikte hij terug op de twee decennia dat hij in een Toscaans boerenhuisje woonde....

Door Arjan Peters

'Zoals ik, na jaren zeuren, verantwoordelijk ben voor de import in Nederland van Toscaanse sigaren, zo is het mij gelukt om in de Italiaanse supermarkt Lola-afwaskwasten en een pindakaassoort te introduceren', laat Geerten Meijsing zijn alter ego Erik Provenier opmerken in zijn nieuwe roman Malocchio. En inderdaad, onderweg naar de schrijver, die voor tien dagen is overgevlogen uit Syracuse naar zijn dependance in de Amsterdamse Rivierenbuurt, heeft de interviewer zonder veel moeite twee doosjes Toscani-sigaren kunnen aanschaffen. Meijsing steekt er verheugd prompt een op ('De enige sigaar die je kunt laten uitgaan zonder hem meteen te moeten weggooien, je kunt hem pratend roken en je kunt er vooral op káuwen, welke aanblik zelfs van Italiaanse rechters sekssymbolen maakt'), en ontkurkt de champagne. Op het verschijnen van het nieuwe boek.

In Malocchio, door hemzelf getypeerd als 'een boosaardige komedie', toont hij de dagelijkse strijd om het bestaan zoals hij die twintig jaar heeft gevoerd in zijn zelfgekozen ballingsoord. 'Toen ik er heen ging, was het leven in Toscane goedkoper dan in Nederland. Dat is in de loop der jaren heel anders geworden. Het toerisme en de nieuwe rijken hebben zich erop gestort. Ik huurde mijn huisje van de oude boze buurman, de antisemitische luiwammes Gigi. Die zat daar aristocratisch te doen in zijn aftandse villa, en had er een duivels plezier in mij in zijn greep te houden. Ik had toen niet door dat dat wederzijds was. Hij had een moeder met een schitterend palazzo in Lucca, maar kon die status zelf alleen kunstmatig hooghouden.

'Jarenlang ben ik doodsbang geweest dat hij me eruit zou zetten of de huur plotseling drastisch ging verhogen. Hij wist dat ik schreef, maar omdat mijn werk nooit is vertaald en ik altijd weinig inkomsten heb gehad, was hij daarvan niet onder de indruk. In snikhete zomers en ijskoude winters heb ik daar gevochten, met Gigi, die ik geregeld dood wenste – als hem de inhoud van dit boek onder ogen komt, zal dat vermoedelijk alsnog zijn dood betekenen – , met de inheemse gesloten kakbevolking die het je onmogelijk maakt daar in te burgeren.

'Geen van mijn vriendinnen hield het er lang uit. Altijd verdwenen ze weer, het verhaal van mijn leven, door hun onvermogen zich in dat isolement thuis te voelen – en natuurlijk ook door mijn neiging vrouwen niet als gelijken te benaderen maar ze op een voetstuk te plaatsen. Dan lopen ze nog sneller weg. Bovendien heb ik als alleenstaande vader in Toscane mijn dochter Iris, in het boek Chiara genaamd, geprobeerd op te voeden, van haar derde tot haar twaalfde.'

Meijsing bracht zijn dochter naar de nonnenschool, ging met haar zwemmen en naar de kermis. In Malocchio maakt hij de balans op. ”Ik heb nooit een jeugd gehad”, heeft mijn dochter me achteraf gezegd. Omdat ze altijd met volwassenen omging die bij mij op bezoek kwamen. Een echt sociaal leven hadden we niet. Ze werd veel gepest op die nonnenschool omdat ze een vreemde was, en dat ze werd voorgetrokken door de juffies zette nog meer kwaad bloed – en terug in Amsterdam werd ze op het gymnasium gepest, want ook daar was ze weer een vreemde. Pas toen ze ging studeren werd ze gewaardeerd.

'Nee, dat heb ik destijds niet van haar gehoord. Ik vond het reuze idyllisch allemaal, die leuke kindertjes en brave juffies, en de rauwe schoonheid en ruimte van het land. Ik heb Malocchio mede voor Iris geschreven. Door dat te doen, begreep ik dat veel dingen voor haar niet leuk moeten zijn geweest. Dit jaar wordt ze 21, ze studeert filosofie en komt bij mij in mijn appartement in Syracuse wonen, om er te studeren. En ze wil een roman schrijven. Dat moet in de genen zitten. Ik kan haar waarschuwen wat ik wil, en erop wijzen hoe zwaar het schrijversleven is, maar kennelijk heb ik die drang op haar overgedragen. Uit het feit dat ze bij mij wil komen wonen leid ik overigens af dat ik niet álles verkeerd heb gedaan. Ze heeft dit boek trouwens nog niet gelezen.

'Vroeger heeft ze me als een kleine heks jaren getergd, door me in te wrijven dat mijn generatiegenoot en gewezen schrijversvriend A. F. Th. van der Heijden zulke ”prachtige bladzijden” had geschreven over Amsterdam. Hém las ze wel. En hij ¿ i s ook briljant en virtuoos. Ik heb grote waardering voor hem. Maar Iris heeft me plechtig bezworen Malocchio te gaan lezen.'

De laatste jaren verschijnen er nogal wat boeken waarin Toscane wordt verheerlijkt. Modieuze en mallotige lectuur, aldus ervaringsdeskundige Geerten Meijsing, die een heel ander verhaal kwijt wil dan een zonovergroten idylle met vino en pasta in een mondain palazzo. 'Mijn ergernis daarover, én mijn jaloezie op een succesboek als het wél geslaagde Italian neighbours van Tim Parks – Gigi schuimbekte toen hij dat had gelezen, vond het verschrikkelijk dat ”een armetierige Welshman van de straat eens even onze mensen en tradities belachelijk komt maken!” – deed me bijna besluiten géén Toscaanse geschiedenis op te tekenen. Ik was bang zelf ook met zo'n lyrisch sentimenteel trutboek aan te komen zetten.

'Tegelijkertijd ontdekte ik dat wat ik daar aan beslommeringen heb meegemaakt, achteraf gezien als geschikt romanmateriaal gebruikt kon worden, nu het verleden tijd is en ik de schrijnende pijn om het verlies kan verwoorden. Mijn Toscaanse huisje is vervallen en zal eerdaags tegen de vlakte gaan, wat ik liever zou zien dan dat het akelig hip wordt opgeknapt door een patjepeeër. Precies die winkels en restaurants in Lucca waar Iris en ik graag kwamen, zijn merendeels gesloten of in andere handen overgegaan.

'De inboedel van mijn leven daar is opgeslagen in mijn geheugen. Even heb ik gevreesd het kwijt te raken door het op te schrijven – want wat je op papier vastlegt, is niet meer helemaal van jou, alsof je je ook ontdoet van de vreugde en de smart die ermee versmolten zijn. Juist omdat het verhaal van Malocchio zo dicht bij me lag, reden waarom ik aanvankelijk meende het snel en gemakkelijk te kunnen schrijven, kostte het me veel moeite en tijd – twee volle jaren – om er een eerlijk, dramatisch, bitterzoet boek van te maken. De opzichtige retorische trucs die ik in ander werk pleeg toe passen, heb ik dit keer slinkser verborgen.

'Maar natuurlijk, ook hierbij heb ik mijn energie gestoken in pogingen de lezer te verlokken, hem in mijn oprechtheid te laten geloven. Al is die geveinsd – immers, de schrijver kan buiten zijn werk een heel ander persoon zijn. In je werk toon je stijl, in het gewone leven ben je onbeduidend.

'Malocchio is een testament, maar ik moet mijn lezer eerst dronken voeren met de beste chianti – Brunello van Montalcino – , voeden met de farro van de armoede – veel olijfolie eroverheen – en laten delen in mijn enthousiasme. Niet anders dan een vorm van waanzin. Maanziek, zo kan mijn absurde verlangen naar het voorbije verleden het best worden aangeduid.'

Het gaat hem redelijk goed, al heeft de crisis die hij in 1996 doormaakte – depressies, een zelfmoordpoging, opname in een psychiatrische kliniek, een hartkwaal – zijn conditie blijvend aangetast. Die periode beschreef hij in de hilarische en aangrijpende roman Tussen mes en keel (1998), bekroond met de grote Vlaamse literaire prijs, de Gouden Uil. 'Door mijn ziekte moest ik mijn huis in Toscane opgeven. Toen merkte ik pas goed hoezeer Gigi zich ook aan mij vastklampte. Hij had mij ook nodig. Meteen nadat ik mijn vertrek had aangekondigd, moest Gigi het ziekenhuis in, waar hij door een hartchirurg zes bypasses kreeg aangelegd.

'Aan het slot van Tussen mes en keel lijk ik optimistisch, althans te aanvaarden dat mijn hooggestemde idealen niet te bereiken zijn, en dat ik moet berusten in de vergankelijkheid van onze gedachten en ons bestaan. Maar in werkelijkheid is het evenwicht wankel gebleven. De depressiviteit is nooit helemaal weg.

'Als kind ben ik altijd opgetogen en blij geweest, misschien zelfs wel overdreven vrolijk, op het manische af. De eerste klap kwam toen ik naar school moest. De tweede, en grootste, toen ik zo rond mijn zestiende James Joyce en de andere grote schrijvers ging lezen. Toen kwam de melancholie mijn leven binnen, om daar nooit meer uit te verdwijnen.

'Je hebt mensen die altijd vrolijk zijn. Zelfs onder schrijvers komen ze voor. In recensies lees ik weleens: ”Het schrijfplezier spat van de pagina's af.” Voor mij is dat onbegrijpelijk. Plezier? Het is al mijn dertig schrijversjaren hard en zwaar werken geweest. Arnon Grunberg beweert dat een schrijver voornamelijk moet amuseren; hij heeft daarin in zoverre gelijk dat een boek eruit moet zien of het zonder zwoegen tot stand is gekomen. Maar ook hij weet wel beter. Donders goed. Zo leuk is het allemaal niet. Het literaire leven niet, noch het schrijven zelf.

'Waarbij ik meteen erken dat het hier ook een karakterologische trek betreft. Luchtig en goedgehumeurd zijn, voor honderd procent, de hele dag door – ik kan het niet. Dat het leven mooi kan zijn, zie ik nooit op het moment zelf. Ik zie dat het gisteren mooi was. En dat het morgen nooit meer zo zal kunnen zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden