Mijn tante, de heilige

HET ONZALIGE idee van de KRO de katholiek van de twintigste eeuw te laten kiezen, door een jury en door leken, leverde wel het eerste goede idee van kardinaal Simonis op....

Ik heb er maar één goed gekend. Ze was mijn tante, de oudste zus van mijn moeder. Ze is al een kwarteeuw dood en ligt onder een klein kruisje tussen allemaal gelijke kruisjes op een kloosterkerkhof in Brabant. Ze was zo'n vijfenvijftig jaar non geweest, alle tijd in hetzelfde dorp. Al die jaren heeft ze vooral gebeden, ze deed dat de hele dag, in de kerk en als ze alleen was. Je wordt er niet bekend mee. Verder heeft ze vele jaren voor kinderen gezorgd in een bewaarschuur in de Peel; daar trok ze in alle vroegte heen en daar kwam ze weer laat van terug. Ze leek daarin op Zuster Virgilia, de hoofdfiguur van Gerard Walschaps gelijknamige schitterende roman. Toen ze te oud was voor de kinderen - er kwamen trouwens echte kleuterscholenen en zij was alleen maar een heilige amateur - bracht ze alle tijd door met vriendelijk te zijn voor iedereen. En toen ging ze dood.

Ze was niet groot, maar bleek nog steeds kleiner te kunnen worden. In de laatste jaren rimpelde haar gezicht helemaal weg, het werd ook smaller. Toen ze stierf, was ze bijna niets meer. Ze had twee gezichten. Werd ze niet gezien, dan waren haar ogen half gesloten en keek ze zeer ernstig, bezorgd bijna, maar ook erg ingekeerd. Kwam ze iemand tegen, dan begon ze haast vanzelf te glimlachen; ze kwam even terug uit wat haar hemel moet zijn geweest. Zo lang ik haar heb gekend, liep ze altijd met haar rechterhand tot een klein vuistje gebald voor haar borst, een klein teken van haar wilskracht. Als Beatrijs in de Middelnederlandse legende was zij kosteres, maar er was nooit een ridder aan de muur.

Of er ooit in haar jonge jaren een ridder is geweest, weet ik niet. Toen ze 25 was, vertrok ze uit een druk gezin naar het moederhuis van de congregatie die zij had gekozen. Het was eigenlijk vanzelfsprekend: een rooms Brabants gezin leverde op zijn minst een priester en een zuster aan God. Ze kwam daar aan met zo'n dertig of veertig meisjes die allemaal bruid van Christus wilden worden. Twee keer per jaar was er zo'n blijde inkomste. Haar overheden wilden haar laten studeren voor onderwijzeres. Ze werd vrijwel meteen overspannen; een tic aan haar oog werd het levenslange teken van haar eerste mislukking. Zo ging dat. Ze kwam terecht in de Peel in een klooster, met zo'n veertig of vijftig andere nonnnen. Een kamer had ze niet; alleen een chambrette op een slaapzaal. Het geluk van het alleenzijn hoorde niet bij de strengheid. Ze heeft ze allemaal verdragen. Dat vind ik nog het meest bewonderenswaardig aan haar. Ze kwam nooit dat dorp uit, ze mocht nooit naar huis, maar ze kreeg wel veel bezoek, altijd met wat haperingen, want ze moest voortdurend weer even naar de kapel. De oudste foto die ik van haar ken, is van 1925; ze is dan 35 jaar. Ze heeft een leuk gezicht en heel levendige ogen, die meer van haar ziel lieten zien dan zij zelf wilde verraden. De ascese kan niet alles ongedaan maken.

Ze was allerminst onderlegd. Ze las geloof ik altijd dezelfde boeken, daaronder het leven van de kleine Theresia, iemand van haar formaat. Die nonnen werden ook een beetje aan zichzelf overgelaten. Ze hadden een rector, een priester die ook niets anders kon. Maar ik weet dat zij naar diens vrome prietpraat als naar een stem uit de hemel luisterde. Wie groot is, kan zelfs aan afval nog hogere gedachten ontlenen. Een paar keer per jaar kwam haar broer die pater was, maar van hem zal ze niet veel hogere gedachten hebben doorgekregen: hij geloofde alles, maar je moest er niet moeilijk over doen. (Ook hij had een tic aan zijn oog; ook hij had iets moeten studeren dat hij niet aankon).

Als kinderen mochten wij ook mee naar de kapel. Daar zaten dan, in de eerste zeven, acht banken, alle nonnen, mijn tante op het puntje van de eerste rij, want ze was immers kosteres. Nog hoor ik de hoge, eentonig biddende stemmen, een soort heilig piepen, van hun gezamenlijke gebeden. Dat dag in dag uit - daar moest je toch ook niet aan denken. Soms blies een non op een fluitje: ze gaf de toon aan als het piepen te laag werd. Daar stegen alle stemmen weer omhoog. Op de achterste rij op de hoek zat haar overheid: de moeder overste. Wij kregen altijd een hand van haar, waarbij mijn tante stralend onderdanig keek, als was die hand een godsgeschenk.

Er gebeurde eigenlijk bijna niets. Toen ze al oud en gerimpeld was, kreeg ze nog een nieuw habijt, dat modern moest zijn. Het stond haar niet; ze leek alleen maar verkleed. Maar ze vond het prachtig, zoals ze alles prachtig vond wat de kerk bedacht. Ik weet zeker dat ze altijd gelukkig is geweest. Maar haar hoogste geluk zou toch zijn geweest als een paar neven en nichten ook naar het klooster zouden zijn gegaan. Maar de vanzelfsprekendheid van de roeping bestond al niet meer.

Haar eerste klooster werd in de jaren dertig afgebroken; er kwam een heel groot klooster voor in de plaats. Ook dat is alweer afgebroken. De nonnen zijn bijna uitgestorven. Soms komt er, bij de KRO natuurlijk, een lieve oude dame met schraal wit haar op de televisie. Ze draagt gewoon een jurk. De allerlaatste non is niet meer kenbaar. Er moeten duizenden kruisjes op afgelegen plekken in Nederland staan. Dat was het dan. Allen en alles vergeten. Maar een paar jaar geleden ontmoette ik een bejaarde man, uit het dorp van mijn tante. Ik noemde haar naam. Hij had in die bewaarschuur gezeten. 'Uw tante was een heilige', zei hij.

Ik had dat altijd al gedacht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden