'Mijn psychiater denkt van wél'

In de serie Over de helft interviewt Cornald Maas nét-vijftigers over hun dilemma's. In aflevering 7: sportjournalist Hugo Borst. Van zijn hand is een boek over bondscoach Louis van Gaal verschenen.

'Mijn 50ste verjaardag heb ik klein gevierd. We zijn gaan eten, hier in Rotterdam, in De Tuin, aan de Kralingse Plas. Mijn gezin, mijn moeder, mijn broer en zijn kinderen en wat intimi. Ik houd niet van massa's en grote gezelschappen. Een groot feest voor mijn 50ste zou ik nooit overwogen hebben, omdat ik er niet van houd in het middelpunt te staan - hoe raar dat ook klinkt uit de mond van iemand die vaak op tv is geweest. Ik geloof ook niet dat ik erg ijdel ben. Ik ben de ijdelheid eigenlijk voorbij. Tussen mijn 40ste en 50ste ben ik min of meer per ongeluk wat bekender geworden. Als je op tv verschijnt, word je een BN'er tegen wil en dank. Dat was leuk en ik heb ervan geprofiteerd, maar ik ben blij dat die tijd voorbij is. Ik leid liever een leven in stilte en anonimiteit - en dat is iets anders dan een leven in eenzaamheid.


Of Louis van Gaal zijn 50ste heeft gevierd, weet ik niet. Zijn 60ste in elk geval wél, weet ik van mensen die erbij waren. Hij heeft het groots gevierd. Dat verbaast me niks: Van Gaal staat, anders dan ik, heel graag in het middelpunt van de belangstelling. Hij twijfelt niet aan zichzelf en stelt zich zelden kwetsbaar op, terwijl hij, als hij dat wel zou doen veel geliefder zou zijn.


In O, Louis, dat deze week is verschenen, onderzoek ik, zoals ik dat noem, de gekte van Van Gaal. Hij is een wandelende paradox: zachtaardig en aanraakbaar maar ook star en achterdochtig. Hij is slecht in staat om zijn gevoelens te kanaliseren. De manier waarop hij zijn emoties botviert en daar bijna in zwelgt, vertoont trekken van autisme. Dat is misschien een eigenwijze en pedante constatering, maar toch durf ik het te beweren omdat ik in zekere zin ervaringsdeskundige ben: mijn zoon Charlie heeft de autistische stoornis pdd-nos.


Nee, het choqueert me niet dat er in die zin verwantschap is tussen Van Gaal en Charlie: veel mensen zijn behept met iets uit het autistische spectrum, ik denk dat ook ik er in lichte mate last van heb. Het is helemaal niet zo erg om autistisch te zijn - zolang je je zwaktes maar kent.


Ik heb al sinds lange tijd een grote fascinatie voor Van Gaal. Hij weet pas van mijn bestaan sinds ik voor Voetbal International begon te schrijven. Onze band is altijd een professionele geweest, maar zeker ook een vriendschappelijke, tot we op een gegeven moment een kwestie kregen en het tot een breuk kwam. Ik heb altijd een grote behoefte gehad hem te begrijpen, hij is een onderdeel van m'n leven, ik durf wel te zeggen dat ik om die man gééf. Hij heeft een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel: als hij journalisten, die hij op een paar uitzonderingen na toch al minacht, op partijdigheid denkt te betrappen, gaat hij er met gestrekt been in. Dat lucht 'm op.


Dat Van Gaal mij er valselijk van beschuldigde dat ik zijn mobiele nummer aan een journalist had gegeven en dat hij daarna - terwijl hij wist dat hij fout zat - nooit zijn excuses aanbood, tekent hem. Hoe kan een moralist als hij, die normen en waarden zo hoog in het vaandel heeft, zich zo opstellen?


In veel opzichten lijk ik op Van Gaal: ook ik wil mijn gelijk halen, ik ben betweterig en zelfs een tikkeltje rancuneus, en ik ben, net als hij, een ontzettende moralist die moeilijk gezag kan accepteren. Lange tijd was ik op het voetbalveld heetgebakerd, in verbale zin een hooligan, woedend als de scheidsrechter naar mijn opvatting een fout maakte. Dat is, nu ik boven de 50 ben, minder geworden, ook al omdat ik in het voetbal nauwelijks nog meetel. Ik maak het verschil niet meer, ik ben niet fit genoeg en te weinig mobiel, ik zit voor de gezelligheid voornamelijk op de bank. Gelukkig gaat voetbal over meer dan wat zich tussen de kalklijnen op het veld afspeelt: het sfeertje in de kleedkamer is ongeëvenaard - grove grappen, kijken wie de langste piemel heeft. Dat zou ik nooit willen missen.


Dat temperament heb ik van mijn moeder geërfd. Zij was vroeger een pittige tante, die er tijdens verjaardagen van hield om er in discussies flink tegenaan te gaan. Ik bracht dan, als jongetje, de blokjes kaas met een stukje gember rond en luisterde de gesprekken af. Mijn moeder stemde, anders dan mijn vader die een echte liberaal was, PvdA en later D66. Ze heeft altijd een brede belangstelling gehad. Ze lijdt sinds kort aan alzheimer. En ik ga hier niet de lof zingen van dementie, maar het heeft iets ontroerends. Mijn moeder komt op een bepaalde manier dichterbij, we knuffelen meer dan we vroeger hebben gedaan. Ze is vooral heel lief geworden. Tegelijkertijd is het voor haar vreselijk: eerder al heeft ze, als jongste uit het gezin, meegemaakt hoe al haar oudere zussen op latere leeftijd dement werden. Ze realiseert zich wat haar te wachten staat.


Sinds mijn vader in 2008 overleden is, is de kwaliteit van het leven voor haar sowieso minder geworden. Ze leerde mijn vader kennen tijdens de oorlog, toen ze 14 en 15 waren, ze zijn nooit met iemand anders intiem geweest, ze hebben elkaar 65 jaar gekend. Een band voor het leven.


'Had-ie dit nog maar kunnen meemaken', zegt ze regelmatig. Of: 'Ik mis 'm zo, het wordt steeds erger.' Ze is wat zwaarmoedig de laatste tijd, bijna depressief. 'Ik voel geen trek meer, ik voel de aandrang niet langer.' Alsof ze verlangt naar de dood. En dat zegt ze ook weleens.


Het portret van mijn vader staat, bij mijn moeder thuis, op de ladenkast, en er staat altijd een bloemetje bij. 'Zorg dat er altijd een bloemetje is als ik er niet meer ben', heeft mijn vader mij en mijn broer gevraagd. Zelf draag ik nog regelmatig de versleten onderbroeken van m'n vader. Intiemer kan haast niet, inderdaad: de zak die na je 50ste onherroepelijk een hangzak wordt, hangt nu in de verweerde zwarte onderbroek van m'n vader, die nooit mag worden weggegooid of mag worden vermaakt tot een stofdoek.


Mijn vader is zijn leven lang mentaal sterk geweest, met een grote onafhankelijkheidsdrang. Hij was een eminent boekhouder die redelijk goed verdiende, met een passie voor voetbal en Sparta. Hij had een rijk sociaal leven, was geliefd en had geen last van de grillen die ik zo vaak in m'n kop heb gehad. Er was verdomd weinig op hem aan te merken: hij dwong me tot niets, hij liet me los, al zal hij af en toe best zijn zorgen om mij hebben gehad. Maar hij heeft me nooit gezegd wat ik wel of niet moest doen en hij zocht ook zelden of nooit de confrontatie.


Hij lijkt eigenlijk in niets op Louis van Gaal. Misschien was Van Gaal, zoals ook in O, Louis wordt geopperd, de vader die ik niet had: de vader tegen wie ik ook opkijk maar tegen wie ik tegelijkertijd aan kan trappen en aan wie ik me moet ontworstelen. Mijn vader was de Kofi Annan van de Lage Landen, die mensen bij elkaar bracht, Van Gaal de tirannieke vader die in mijn leven altijd ontbroken heeft.


Dankzij dit boek kom ik nu weer even in de publiciteit. En in juni zal ik samen met Henry Schut op tv dagelijks verslag doen van het WK voetbal in Brazilië. Maar dat is na een maand weer voorbij. Televisie is een prachtig medium, maar het hele circus dat erbij hoort, kan me gestolen worden. Die hijgerigheid, de aanstelleritis die onherroepelijk aan het medium kleeft: ik betrapte mezelf er ook op, in de tijd dat ik nog aanschoof in DWDD of Studio Voetbal, dat ik me vergaloppeerde. Zo'n Prem Radhakishun: het is een bovenstebeste man, maar tegelijkertijd is hij de personificatie van heel veel mensen die zo graag op tv willen zijn. Ik misgun ze niets, maar ik ben blij dat ik niet meer elke week hoef, ik zou het niet meer aankunnen. Doodmoe zou ik van mezelf worden - ik ben er niet voor niets mee opgehouden, begin 2011, en ik ben ook niet van plan terug te keren als commentator of man met meningen over onderwerpen waar hij te weinig van weet.


Natuurlijk ben ik benieuwd naar wat men van mijn boek zal vinden. Truus, de vrouw van Louis van Gaal, ken ik van haver tot gort. Zij leest O, Louis zeker en als ze het niks vindt, zal ze het mij beslist zeggen. Ik denk niet dat Louis het boek gaat lezen. Ten eerste is hij nu nog maar met één ding bezig: het WK in Brazilië - ik denk dat hij van alle 32 bondscoaches straks de best geprepareerde is. Ten tweede dicht hij mij geen enkele status toe: hij ziet mij als journalist en ik vermoed dat hij het belachelijk vindt dat ik me op het gladde ijs van de duiding van zijn psyche begeef. Of ik dat jammer vind? Ach, ik ben al blij dat het geen afrekenboek is geworden. In O, Louis ben ik niet rancuneus en toon ik een oprechte interesse in de man, al kom ik hier en daar tot pedante oordelen. Op een schouderklop van Louis ben ik niet uit - mijn psychiater denkt overigens van wél.


Sowieso denk ik dat ik, anders dan vroeger, minder op erkenning uit ben - ook al zo'n verworvenheid van ouder dan 50 zijn. Natuurlijk vind ik het fijn dat ik van een schrijver als Herman Koch een prachtig compliment voor dit boek kreeg. En ik zou het betreuren als O, Louis niet gewaardeerd of zelfs niet zou worden opgemerkt. Maar aan mij kleeft nu eenmaal dat ik bekend ben, en dat ik tussen literatuur en literatuur-light, of: populair, in hang. Erkenning door de elite is niet mijn voornaamste drijfveer. Ik heb me, tijdens een eerder optreden in DWDD, enorm gestoord aan de stuitende arrogantie van Connie Palmen die Saskia Noort als een krabber en krullenmeisje behandelde. Het gesprek liep nogal uit de hand en na afloop werd ik aangesproken door Palmens man Hans van Mierlo: 'Zo onsympathiek - moest dat nou?' En ik: 'Ja, dat moest, meneer Van Mierlo.' Iemand als Saskia Noort zet mensen, in dit tijdperk van ontlezing, juist aan tot lezen en bereikt mensen die daarna misschien wel opklimmen naar de literatuur. Connie Palmen blies hoog van de toren, maar geef mij maar Remco Campert. Hij is de échte koning, die, anders dan Palmen, zonder pretentieus te zijn, prachtig, lichtvoetig proza schrijft. En mij helemaal vrolijk maakt als ik het even moeilijk heb en zijn verhalen lees.


Toen eerdere boeken van mij verschenen, hunkerde ik denk ik nadrukkelijker naar erkenning. Als ik zo meteen geen lovende recensies krijg in de boekenbijlagen van de kwaliteitskranten zal ik geen wrok koesteren. Ik ben me er, zo net boven mijn 50ste, terdege van bewust dat ik tot nog toe veel geluk heb gehad en al een erg mooi leven achter de rug heb. Het was een gevecht af en toe, maar er zijn ook genoeg dagen geweest dat ik stond te juichen. Een neefje van mij is aan heroïne verslaafd en zit de rest van zijn leven aan de methadon, een nichtje van mij is, als verslaafde prostituee, aan aids gestorven. Wat ik maar wil zeggen: ik geloof niet dat het leven zo maakbaar is. Ik word moe van al die zelfhulpboeken die suggereren dat je het leven in eigen hand hebt. Je moet simpelweg ook over het nodige geluk beschikken.


Sinds ik de tv-drukte achter me heb gelaten, heb ik meer tijd om met vrienden koffie te drinken of te zaalvoetballen, om lekker te lezen, om met mijn vrouw naar de bioscoop te gaan, om te schrijven - ik wil tot mijn dood blijven schrijven, want dat is het allerliefste dat ik doe, dat maakt me het gelukkigst.


Plannen zijn er voldoende: ik heb een map vol ideeën voor verhalen en boeken. Ik zou een boek over vriendschap willen schrijven, over het oude Rotterdam, over Bob Verheijden, beeldend kunstenaar in wording. Hij werd tijdens de razzia van Rotterdam in november 1944 op 19-jarige leeftijd door de Duitsers meegevoerd en overleefde de oorlog niet. Zijn dagboekje tikte ik op een veiling op de kop, met daarin een hartverscheurend briefje aan zijn ouders, voor als hij zou komen te overlijden. Ik zou ook over de alzheimer van mijn moeder willen schrijven, maar dan denk ik weer aan het prachtige boek dat Tom Lanoye erover schreef (Sprakeloos, red.) en ben ik bang dat ik iets zal schrijven wat mensen voor mij al hebben gedaan, en beter.


Ik hoop ooit nog eens een verhaal of boek te schrijven waarbij het me lukt mezelf er helemaal buiten te houden. Maar ik weet niet of ik dat kan: tot nog toe maak ik alles persoonlijk en betrek ik waarover ik schrijf op mezelf. Zou ik het kunnen, fictie schrijven? Mijn redacteur Harminke zegt van wél - ze vindt dat wat ik in O, Louis doe al dicht bij een roman komt. Misschien deins ik wel terug voor deze constatering: dat als ik iets zou schrijven wat niet waar is het voor mij ook minder waarde heeft.


Voorlopig is er nu O, Louis. Mijn magnum opus zou ik het niet durven noemen, maar met 95 duizend woorden is het het dikste boek dat ik tot nog toe schreef - en dat heb ik in zekere zin aan Van Gaal te danken. Ik ben benieuwd wat mijn vader ervan zou hebben gevonden. Sommige passages zou hij, denk ik, te privacy-gevoelig vinden, maar ik denk ook dat hij het met plezier zou lezen. Mijn vader schreef heel goeie brieven, hij heeft altijd willen schrijven - ooit heeft hij me gezegd dat ik de baan had die hij had willen hebben.


Intussen heeft hij me prachtige verhalen verteld over het oude Rotterdam en heeft hij zijn liefde voor Crooswijk en de Coolsingel op mij overgebracht. Door hem heb ik heimwee naar plekken die ik, vanwege de oorlog, zelf nooit heb kunnen zien. Ik leef nu, zou je kunnen zeggen, een beetje de blessuretijd van mijn vader: ik geloof niet in een hiernamaals, maar hij is alom aanwezig, op een leuke manier, hij zit in mij - en daardoor voel ik me extra verbonden met m'n moeder en met Rotterdam.


Ik ben nu iets ouder dan 50, mijn vader werd iets ouder dan 80 - hij heeft een topleven gehad, en als het mogelijk zou zijn zou ik nu tekenen voor de tachtig jaar die hij heeft gehaald.'


Vijftigers


Wat zijn de zorgen en dilemma's van de (net-)vijftiger? Welke verwachtingen zijn er nog? Is een belangrijke carrièremove (nog) denkbaar? Wat betekent het dat de kinderen het huis uit zijn of dat ouders ziek zijn en komen te overlijden? Hoe wordt gedacht over het eigen onvermijdelijk naderende afscheid van het leven? Hoe richt je straks je laatste levensfase in? Cornald Maas, zelf net 50 geworden, interviewt in Over de helft mensen uit de generatie die nog volop in het leven staat, maar wel haast moet maken. De reeks is een vervolg op de serie Op de helft, waarvoor hij (net-)veertigers sprak.


Lees verder op pagina V14


Hugo Borst


De geboren Rotterdammer Hugo Borst (15 juni 1962) is van kinds af aan fan van Sparta. Sinds 1985 schrijft hij over voetbal voor Voetbal International, Panorama, Hard Gras en Algemeen Dagblad; voor die laatste krant is hij columnist. Hij publiceerde enkele boeken, maakte de tv-serie Over vaders en zonen en schoof geregeld aan bij DWDD en Studio Voetbal. Begin 2011 stopte hij met al zijn tv-werkzaamheden. Inmiddels is de mediastilte weer verbroken: sinds augustus 2013 presenteert hij samen met Henry Schut het radioprogramma Langs de lijn. Het duo zal in juni 2014 de dagelijkse WK-uitzendingen verzorgen vanuit Brazilië. Sinds deze week ligt zijn nieuwe boek O, Louis in de winkels: Uitgegeven bij Voetbal International, 400 pagina's, 19,95 euro.


Vervolg van pagina V12

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden