Mijn land van Lorentz en Tinbergen

Het wordt tijd dat de culturele elite ook eens kennis neemt van wat de exacte wetenschappen te bieden hebben, vindt Martijn van Calmthout..

Een ongemakkelijk gevoel. Anders is niet te omschrijven wat mij de laatste maanden heeft bevangen.

Mij: veertiger, wit, man, opgeleid als natuurkundige, vader, met een min of meer intellectueel beroep en daarin zelfs niet geheel ongeslaagd. Leest jaarlijks een halve meter, zij het nonfictie. Schrijft over wetenschap in een landelijke krant. Een verantwoordelijke, volwassen, ontwikkelde Nederlander, alles overziende.

En toch is er iets loos: ik ken De Canon niet, of in elk geval niet goed genoeg. Literatuur heb ik in hoge mate van horen zeggen. Geschiedenis idem dito. Wat er kort en goed op neerkomt dat ik me misschien heel wat verbeeld, maar dat ik in wezen natuurlijk toch maar een nep-intellectueel ben. Of minimaal een cultuurbarbaar.

De canon. Wanneer het woord me precies voor het eerst is opgevallen weet ik niet meer, bij dat soort praktische zaken laat mijn betrekkelijk abominabele geheugen me al meteen jammerlijk in de steek. Zeker is dat het ergens in de loop van het vorige jaar was dat ik me realiseerde dat Echte Intellectuelen het niet steeds hadden over een kanon. Dat kwam door het lidwoord dat ze erbij gebruikten. De kanon? Het was toch het?

Hun kanon bleek De Canon, vaak zelfs met twee hoofdletters, en betrof de minimale culturele bagage die een volwassen Nederlander te allen tijde met zich mee hoort te dragen, als betrof het een soort tweede identiteitsbewijs. De vijftig belangrijkste boeken. De twintig belangrijkste historische figuren. Vijftig bepalende jaartallen. Of honderd.

Met die hoofdletters van De Canon begon meteen ook het onbehagen. De Canon waarover de Echte Intellectuelen (mijn hoofdletters) het hebben, omvat namelijk van allerlei waarvan ik als natuurwetenschappelijk denkende Nederlander geen kaas heb gegeten. Vondel, Piet Paaltjens, Multatuli: ooit heb ik er wel iets van meegekregen. Maar echt blijven plakken is er weinig, misschien wel juist omdat het verplichte kost was op de school die ik ooit bezocht.

Schilders? Dichters? Toneel? Muziek? Ik lees kranten en hun kunstbijlagen, met smaak zelfs, maar verder kunnen ze me veel wijsmaken. En in geschiedenis is het zo mogelijk nog leger in mijn hoofd. Jaartallen kan ik al van jongs af aan niet onthouden. De boekenpropagandisten van het CPNB hadden wat dat betreft geen deprimerender thema voor de jaarlijkse boekenweek kunnen bedenken dan het huidige: de Vaderlandse Geschiedenis.

Boekhandels, tijdschriften en kranten staan dezer dagen stijf van de verhalen over de geschiedenis van Nederland, over geschiedschrijving en de noodzaak ervan, en vooral: lijstjes van wat een beetje Nederlander toch van de vaderlandse historie moet hebben onthouden. Ik lees het en vergeet het merendeel ter plekke.

Ben ik een halfwas Nederlander? Ik besluit het onbehaaglijke gevoel te doorbreken met een speurtocht naar antwoorden. Is heel het gedoe over de canon niet gewoon elitair geneuzel van een handjevol gymnasiasten die hun verfijnde passies langzamerhand waardeloos zien worden? Is de nadruk op onze eigen historische en culturele wortels bovendien niet vooral een verkapt soort nationalisme?

En er zeurt nog iets anders in mijn achterhoofd: als ik me die verdraaide Canon dan misschien wél moet eigen maken, is er dan ook niet een canon van exacte kennis, waarop de dames en heren Echte Intellectuelen eens een weekje moeten studeren? Hoe zou zoiets als een bèta-canon er dan moeten uitzien?

Ik begin eenvoudig, met de oratie die filosoof Maarten Doorman vorig jaar november in de Lutherse kerk in Amsterdam uitsprak, bij het aanvaarden van de leerstoel Journalistieke Kritiek van Kunst en Cultuur. Kiekertak en Klotterbooke is de raadselachtige titel van het bijbehorende boekje ('Gedachten over de canon') en dat zegt natuurlijk geen normaal mens iets.

Dat blijkt opzet. Kiekertak en Klotterbooke zijn namen, lees ik, namen van leerlingen uit De Hel 'zoals de klas wordt genoemd waar het in Bordewijks korte roman Bint om draait'.

De toon is gezet. Doorman heeft Bordewijk wel gelezen. Sterker: hij kent hem natuurlijk helemaal uit het hoofd. Ik niet, en het is de bedoeling van de titel van zijn oratie dat zijn luisteraars zich realiseren dat ze iets niet weten. Daar gaat zijn rede namelijk over: hoe weinig wij als Nederlanders van onze eigen cultuur weten, hoeveel minder onze kinderen ervan weten, en hoe dat komt. Doormans stelling is dat het bepaald geen schande is wél iets af te weten van de vaderlandse cultuur. Sterker, hij vindt het een dure plicht.

Dat klinkt als een schoolmeester, maar zijn boekje blijkt een klein feestje. Het is prachtig opgeschreven. En nog prettiger is het, dat Doorman puntsgewijs korte metten maakt met veel van de vage bezwaren die ik onwillekeurig voel tegen het aanleggen van een culturele canon: conservatief, elitair, nationalistisch.

Een canon, zegt hij, is een manier om te koesteren wat prachtig is. Niet omdat Bach beter is dan de Red Hot Chili Peppers, maar omdat Bach een afzetpunt is voor het heden. Het is elitair, ja, omdat het om uitzondelijke werken en prestaties gaat, om hogere kennis.

De aversie die jij voelt, zegt Doorman als ik hem in een Amsterdams café tref achter een koffie met cognac, is een erfenis van de propaganda uit de jaren zeventig. Jou is wijsgemaakt dat het de cultuur van de machthebbers (rijken en mannen) is, die canon. Maar ga er nu eens vanuit dat het gewoon prachtige werken zijn, dan is er opeens helemaal niks mis met bewondering van schrijvers, denkers, kunstenaars. Vooral over het onderwijs, dat zijn neus ophaalt voor culturele bagage, is Doorman gefrustreerd. Hij geeft filosofieles in Maastricht.

Eerstejaars weten niet eens meer wie Cervantes is, of René Descartes. Dat is niet alleen lastig lesgeven. Het is ook doodzonde dat die kinderen niks weten van een prachtig verleden.

De politiek, zeg ik, heeft je canon-pleidooi inmiddels aangegrepen als een manier om de nationale identiteit te definiëren. VVD-leider Van Aartsen vindt zelfs dat elke Nederlander moet weten wie Van Basten is. Zijn Cruijff, Kiekertak en Klotterbooke ook nuttige examenstof voor het Goede Nederlanderschap? En vind je het erg, dat me dat als bèta dan wat beperkt voorkomt?

De filosoof kijkt ongelukkig en trekt er nog een denkrimpel bij. Die politieke dimensie zint hem niks, zegt hij. De canon is geen instrument, voor integratie bijvoorbeeld, geen toetssteen voor wie er wel bijhoort en wie niet. Dat sommige politici dat ervan willen maken, is die politici aan te rekenen, niet de canon zelf. Die is geen eindexamen, maar een schatkamer voor iedereen die wil genieten en bewonderen.

Ik stel mijn laatste vraag.

Is iemand als Doorman omgekeerd ook bereid zich in mijn cultuur te verdiepen: die van de deeltjes en krachten, van genen en natuurlijke selectie, stromingen en chaos, van getallen en verhoudingen, symmetrie en structuur, moleculen en kristallen, koolmezen en vulkanen?

Zeker, dat is wel zo fair, zegt de denker roerend in zijn koffie. Maar met permissie betwijfelt hij of zoiets wel een canon moet heten.

Een canon is het waardevolle uit het verleden, nuttig om het heden te begrijpen en te relativeren. De teksten, beelden, kunstwerken en historische gebeurtenissen die ertoe worden gerekend, vormen het referentiekader voor het hier en nu.

In de exacte wetenschap, gaat hij verder, zit dat toch anders. Daar is het nieuwste inzicht in principe het beste. Het is onnodig de klankenleer van Pythagoras te kennen, om te werken aan de moderne snaartheorie voor de natuurkrachten. Het atoombegrip van de Oude Grieken is aardig om te lezen, maar met moderne kerntheorie heeft het niets te maken. Doorman: 'De natuurwetenschappen hebben geen historische canon zoals de geesteswetenschappen dat wel noodzakelijkerwijs hebben.'

Aan de cafétafel klinkt het overtuigend. Ik moet aan het werk, besluit ik. Lezen. Studeren. Multatuli here I come, Bordewijk ook, en zelfs de slag bij Nieuwpoort. Boeken zat.

Maar op de fiets terug naar de krant begint het alweer te knagen. Komen de alfa's er dan echt zo gemakkelijk van af? Hoe zit het dan met de wetenschapsgeschiedenis, die toch ook gewoon intellectuele geschiedenis is?

Nog voor ik aan mijn bureau zit, bedenk ik dat hij er toch moet komen: mijn bèta-canon.

Alleen is de vraag Kiekertak en wat die dan moet omvatten. Klotterbooke, Ik maak een afspraak met Sander dat zegt Bais, hoogleraar-directeur van het instituut natuurlijk voor theoretische geen normaal fysica in Amsterdam en een bekend mens iets propagandist voor de natuurwetenschappen. Vorig jaar hield hij de prestigieuze Etty Hillesum-lezing over het wetenschappelijke wereldbeeld. Hij blijkt net doende een jaar sabbatical te regelen. Hij gaat intellectueel bijtanken in Amerika, in Sante Fé. In China. Australië, ook. Maar hardop meedenken kan hij altijd.

Bais is de bedenker van een reeks college's over de natuurwetenschappen, speciaal voor niet-bèta's, die dit jaar voor de tweede keer wordt gegeven aan de Amsterdamse universiteit. Het loopt daar storm, zegt hij. Alfa's willen best iets exacts weten.

Het uur is te kort om het samen te vatten. Maar Bais heeft voor zijn college's vooral cirkels getekend, vaak in de vorm van uroboros, een Grieks woord dat ik uiteraard niet ken maar wat een mythische slang blijkt die zichzelf in de staart bijt. In de cirkels gaat het van de kleinste deeltjes steeds via de moleculen en de mens naar planeten, sterrenstelsels en het heelal zelf, dat uiteindelijk zijn eigenschappen weer ontleent aan de kleinste deeltjes.

Er zijn ook namen en jaartallen in de cirkels te schrijven: Bohr en Schrödinger voor de deeltjes (1925), James Watson en Francis Crick voor het DNA-molecuul (1953), Newton en Maxwell voor de klassieke natuurkunde (1687, 1865), Darwin voor de evolutie (1865), Einstein voor ware aard van ruimte en tijd (1905).

Duizelingwekkend, als je er goed over nadenkt, maar ook heel verhelderend. De cirkel van Bais moet in de bèta-canon, besluit ik meteen. Laat iedereen zich er maar eens over verbazen. Ook gymnasium alfa.

Dat is de basiskennis. Maar zijn er ook helden? Ik bel Bert Theunissen, wetenschapshistoricus van de universiteit in Utrecht. Hij schreef kort geleden een heerlijk boekje, Diesels Droom en Donders' Bril, over de werkelijke toedracht van historische doorbraken in de wetenschap. Welke Nederlanders, vraag ik hem, moeten per se op ons lijstje belangrijke bèta's?

Theunissen wil nadenken. Een dag later mailt hij terug. Het lijstje begint met Simon Stevin (1548-1620), de Archimedes van de lage landen, de eerste ingenieur eigenlijk. En het eindigt met Niko Tinbergen (1907-1988), Nobelprijswinnaar en de bioloog die studies van het diergedrag op de kaart zette.

Daartussen Christiaan Huygens (1629-1695), uitvinder van het slingeruurwerk. Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723), uitvinder van de microscoop, zag in zijn lensjes 'zaaddiertjes' in sperma. Jan Swammerdam (1637-1680), de insektenonderzoeker die de metamorfose ontdekte. Johannes Diderik van der Waals (1837-1923), die ontdekte dat vloeistoffen en gassen in veel opzichten hetzelfde zijn.

Jacobus Henricus van 't Hoff (1852-1911), de grondlegger van de fysische chemie, die bedacht dat koolstofverbindingen een ruimtelijke structuur hebben. Hendrik Antoon Lorentz (1853-1928), onze eigen Einstein uit Leiden. Willem de Sitter (1872-1934), de vader van de moderne kosmologie die als eerste Einsteins relativiteitstheorie op het heelal toepaste. Luitzen Egbertus Jan Brouwer (1881-1966), een wiskundige die in zijn eentje een heel nieuwe aanpak van zijn vak bedacht, het intuïtionisme.

Stuk voor stuk klinkende namen en echte helden van de Nederlandse wetenschap. Maar ook namen die hier minstens zo vergeten zijn als Multatuli en Bordewijk.

Wat weerhoudt ons nog? Aan het werk. Ik aan Bint. U aan míjn helden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.