'Mijn films zijn mijn dagboeken'

Apichatpong Weerasethakuls nieuwe film, Uncle Boonmee, is de meest surrealistische Gouden Palm-winnaar van de afgelopen jaren. 'Hij gaat wat mij betreft over het leven. En het leven laat zich niet verklaren.'

Wat komt filmmagie soms toch moeizaam tot stand. Een prinses-uit-duizend-en-één-nacht die door een meerval wordt bevredigd, aan de rand van een in maanlicht glinsterende waterval: het is een van de vele surrealistische scènes uit Uncle Boonmee, en zeker de meest sprookjesachtige.


Maar de praktijk achter het sprookje was een stuk prozaïscher, zo blijkt als je met regisseur Apichatpong Weerasethakul praat. Het daglicht was tijdens de opnames steeds maar enkele uren geschikt, dus moest de scène in delen worden gedraaid. Het meertje was stervenskoud, dus moest de prinses voortdurend op temperatuur worden gehouden. De waterval lag droog en werd kunstmatig tot leven gewekt. Dat vond regisseur Weerasethakul dan ook wel weer mooi. 'Dan riep ik 'cut', en stopte de waterval meteen'.


Uncle Boonmee, met afstand de vreemdste, meest surrealistische Gouden Palm-winnaar van de laatste tien jaar, is een film waarin de wonderlijkste beelden op je af komen. Dat zal veel kijkers afstoten; voor wie zich ervoor open stelt kan het echter ronduit zinsbegoochelend uitpakken. Maar wat je ook mag denken van alle geestverschijningen en dikbehaarde aapmannen, de eindeloze zwerftochten door de jungle of de vrijages tussen mens en dier - de man die twee maanden geleden in het Amsterdamse College Hotel aanschoof om uitgebreid over zijn film te spreken, laat zich onmogelijk omschrijven als een pretentieuze blaaskaak die zijn vaak ongrijpbare werk als boven alles verheven kunst verkoopt.


Verlegen, zo kenschetst Weerasethakul (Bangkok, 1970) zichzelf; tijdens het gesprek blijkt hij vooral iemand die even intuïtief als verstandelijk te werk gaat, en daar in klare taal over praat. Dat hij de uitleg van zijn films graag aan anderen overlaat, betekent niet dat hij er zelf niets over kan of wil zeggen. 'Uncle Boonmee gaat wat mij betreft over het leven. En het leven laat zich niet verklaren. Maar als mensen naar me toe komen en vragen wat ik met mijn film heb bedoeld, geef ik ze zeker antwoord. Ik ben niet van de andere kant van de wereld overgevlogen om mijn mond te houden'.


Uncle Boonmee baseerde hij op een boek dat hij ooit van een monnik kreeg, over een man die terugkijkt op de verschillende levens die hij heeft geleid, altijd weer in dezelfde Noordoostelijke regio van Thailand. Dezelfde regio waar Weerasethakul opgroeide. Hij wilde het boek al langer verfilmen, maar moest eerst de durf vinden om in het verhaal te snoeien en persoonlijke accenten toe te voegen. 'Uiteindelijk werd de film meer Oom Apichatpong dan Oom Boonmee. Ik verwerkte bijvoorbeeld veel herinneringen aan mijn vader in het verhaal. Net als Boonmee overleed hij aan een nierziekte. Zo stop ik altijd dingen in mijn films die ik op dat moment interessant vind - vaak erg persoonlijke voorkeuren, moet ik zeggen. Ziekenhuizen, mensen die aerobics doen in het park. Mijn films zijn mijn dagboeken'.


Daardoor heeft zijn werk voor hem vanzelf een andere lading dan het ooit voor zijn publiek zal krijgen. Aan Tropical Malady (2003), die je loom en traag-hypnotiserend een volkomen magische junglewereld binnenvoert, kun je onmogelijk de frustraties aflezen waarmee Weerasethakul aan de slag ging. 'Tijdens de opnames gedroeg ik me als een monster. Ik had de hele tijd een slecht humeur. Mijn vader was net gestorven, financieel ging het niet goed, ik had relatieproblemen, en dat kwam allemaal in de film terecht. Aan elk shot van Tropical Malady lees ik de woede af die ik toen voelde. De scène waarin de twee jongens met elkaar flirten, lanterfantend in een afgelegen paviljoen, zelfs die scène heb ik met veel verdriet gedraaid. Wat doe ik hier, dacht ik toen, waarom maak ik deze film?'


Een slagveld, daar vergelijkt Weerasethakul de filmset mee - ondanks het warme gevoel dat hij meestal aan de opnames overhoudt, met zijn vaste cast en crew als familie om zich heen. Dan blijft het schrijven toch het leukste onderdeel van het creatieve proces. Daarbij gaat Weerasethakul erg intuïtief te werk: wanneer hij aan een script begint, heeft hij het einde van de film al in zijn hoofd, en toch lopen ze altijd anders af.


Hetzelfde gaat vaak op voor individuele scènes: die kunnen nog tijdens het draaien, of na afloop, een heel nieuwe wending krijgen. In Uncle Boonmee vraagt Tong, dan al bekeerd tot monnik, aan een meisje of ze met hem iets wil gaan drinken in de stad. In het oorspronkelijke script blijven ze in de hotelkamer; in de film splitst de scène zich in twee parallelle werkelijkheden, en zie je het stel zowel vertrekken als blijven.


Wat de betekenis is van die transparante, over elkaar gelegde beelden, kan Weerasethakul zelf ook niet zeggen. 'Ik heb mijn acteurs verder ook niet op die wijzigingen voorbereid. Ik heb gezegd dat ze hun dubbelganger zullen zien, meer niet. Meer hoefden ze ook niet te weten. Het zijn mensen met wie ik al lang werk; bij mijn eerste films deden ze nog heel erg hun best om alles te begrijpen, en speelde ik het spelletje ijverig mee. Inmiddels stellen ze geen vragen meer'.


Diezelfde ontvankelijke houding probeert Weerasethakul bij zijn publiek te kweken. Wanneer hij op festivals zijn films mag inleiden, geeft hij altijd hetzelfde advies mee: probeer er niet te veel van te begrijpen, laat alles gewoon ontspannen over je heen komen. Dat blijft voor veel mensen heel lastig, weet Weerasethakul als geen ander. Soms kunnen toeschouwers ronduit boos worden omdat ze de betekenis van zijn dromerige en associatieve films vergeefs proberen te vatten - alle waarschuwingen vooraf ten spijt.


'Natuurlijk raak ik daar een beetje van ondersteboven. Ik kan me nooit volledig bij zulke reacties neerleggen; daarvoor zijn mijn films te persoonlijk en zijn ze me te lief. Maar ik weet er wel beter mee om te gaan dan vroeger. Nu kan ik het verschil tussen mij en mijn publiek veel gemakkelijker accepteren'.


Als westerse toeschouwer kun je gemakkelijk het gevoel krijgen dat je bij Weerasethakuls films een achterstand hebt op het Thaise publiek. Zie bijvoorbeeld de aanvankelijk erg realistische dinerscène, waarin eerst zomaar een geest op bezoek komt, en even later ook nog de verloren zoon des huizes, inmiddels een dikbehaarde aap met gloeiend rode ogen. Of een van hen nog een restje van het eten wil, vraagt zijn moeder broodnuchter. Die totale harmonie tussen de spirituele en alledaagse werelden zal wel typisch Aziatisch zijn, concludeer je dan al snel.


Die scène zegt volgens Weerasethakul echter minder over een voor de westerling ongewone, Thaise kijk op de werkelijkheid, dan over zijn eigen visie van een ideale cinema. Een volkomen vrije film moest Uncle Boonmee worden, puttend uit alle filmtradities waarvan Weerasethakul houdt. 'De belichting van de dinerscène, de kadrering, het acteerwerk, het is allemaal opgezet als de typische soapseries die je in het Thailand van de jaren zestig op tv voorbij zag komen - verwijzingen die natuurlijk vooral aan een Thais publiek besteed.


'Maar Uncle Boonmee is ook geïnspireerd door de abstracte films van Stan Brakhage, en de avonturenfilms van Steven Spielberg, waarop ik als kind dol was. Daarom heeft het ook weinig zin om mijn publiek zo uit elkaar te gaan pluizen. Tijdens een vertoning in Brussel zaten er veel Thai in de zaal, en sommigen vertelden me na afloop dat ze de film niet begrepen - precies de reactie die ik van een westers publiek kan krijgen. En in beide groepen vind je mensen die echt van mijn film houden. Ook in Cannes werd tijdens de voorstelling regelmatig gelachen'.


Dat Weerasethakul een cinefiele alleseter is, laat zich aan zijn hele oeuvre aflezen. Tegelijkertijd wil hij al sinds zijn regiedebuut Mysterious Object of Noon (2000) films maken die niet alleen cinefiel en experimenteel zijn, maar ook persoonlijk. 'Ik vind het nog steeds erg lastig om dat evenwicht te bereiken. Als je niet uitkijkt, kan een experimentele film al snel kil worden. Dus ik blijf naar de beste manier zoeken om mijn gevoelens te kanaliseren'.


Die experimenteerdrift betekent dat Weerasethakul zijn eigen stijl steeds weer bijstelt. Zijn laatste speelfilms vielen consequent in twee zeer verschillende helften uiteen, en zowel in Blissfully Yours en Tropical Malady als in Syndromes and a Century (2006) legde hij een grote voorkeur voor lange, hypnotiserend trage takes aan de dag. Die takes zijn in Uncle Boonmee tot een minimum beperkt. 'Toen ik aan Uncle Boonmee begon, voelde ik me enigszins klemgezet door mijn eigen stijl. Ik begon hem saai te vinden, en des te meer energie kreeg ik om iets nieuws uit te proberen. Bij Blissfully Yours had ik mezelf allerlei regels opgelegd: zo mocht ik van mezelf elke verteltechniek maar één keer inzetten. Dus maar één keer een vloeiende camerabeweging, één keer een shot vanuit iemands perspectief. Een erg conceptuele film dus, maar daar haalde ik veel plezier uit. Nu word ik ouder en denk: a joh, ontspan toch wat meer'.


Een kleine, politieke film zou hij willen maken, nu Thailand na de bloedige confrontaties tussen de regering en de Roodhemden, begin dit jaar, in grote politieke onrust verkeert.


'Hoe maak je een politieke film, zonder met een verfilmd pamflet te eindigen? Moeten er veel dialogen in, moet 'ie lineair zijn? Geen idee. Hoe dan ook had ik vroeger nooit zo'n film kunnen maken, terwijl ik me er nu wel klaar voor voel. Normaal gesproken is politiek voor mij echt een andere wereld; tot nu toe heb ik het in mijn films alleen over mijn eigen leven gehad, en over dat van mijn ouders. Maar ik ben niet alleen zelf veranderd, mijn land is dat óók'.


Wat niet wil zeggen dat hij zich tot nu toe helemaal buiten de politiek om bewoog. Zowel in Tropical Malady als Uncle Boonmee kom je zwaarbewapende militairen tegen, en ook al begrijp je niet wat hun missie is, ze geven de films wel een dreigende ondertoon. En zowel met Blissfully Yours als Syndromes and a Century wekte hij de wrevel van de censuur - Blissfully Yours vanwege de expliciete seksscènes, en Syndromes omdat hij in die film een gitaarspelende monnik toont, en ziekenhuispersoneel dat tijdens diensttijd aan het drinken en vrijen slaat. 'Ik werd flink aan de tand gevoeld door een panel van deskundigen: artsen, een priester, een filmprofessor, alles zat erin. Ik voelde me net een student. Volgens de filmprofessor had ik helemaal geen verstand van mijn vak. Terug naar school moest ik'.


En dan toch weer die monnik uit Syndromes terughalen en in Uncle Boonmee met een meisje laten flirten. Dat deze scène wél door de beugel kon, ligt aan de magie van de Gouden Palm, zegt Weerasethakul.


'Inmiddels is ook de wet veranderd, en heeft de censuur enigszins plaats gemaakt voor een filmkeuring. Die dan wel weer tamelijk absurd is: een film als Uncle Boonmee wordt goedgekeurd voor 24 jaar en ouder, of hij mag niet worden vertoond. Daar merk je aan dat film in Thailand nog steeds vooral als propaganda wordt beschouwd, en niet als kunst'.


Inzet Tekst


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden