'mijn dochter begint me te begrijpen'

Beeldend kunstenaar Merapi Obermayer (54) groeide op in een internaat. Ze werd misbruikt, raakte zwanger en moest haar kind afstaan....

'Mijn beiden oma's waren troostmeisjes van knil-sol daten. Een is stervend gevonden, op een verlaten plek, met haar dochter in d'r armen. Mijn vader werd op zesjarige leeftijd bij zijn Indonesische moeder weggehaald en door een pater in een tehuis gestopt, waar hij als halfbloed een Europese opvoeding kreeg. La ter had hij lepra. Mijn moeder pachtte een koffietuin op Java, nabij de leprakolonie waar hij woonde en waar ik later geboren ben. Hoe alles precies is gelopen, weet ik niet. Dat heb je met mensen die verdringen. Mijn ouders leden aan een postkoloniaal trauma en waren verbitterd door de 'revolutie' en de oorlog in Indonesië. Ze zwegen. Ik sprak als kind ook niet. Zat met mijn gezicht naar de muur met mijn handen op mijn oren. Volledig in mezelf gekeerd.

In 1952 kwamen we aan in Rotterdam. Ik was bijna vijf. De straat accepteerde ons niet, mensen gooiden met stenen de ramen in. Mijn ouders verhuisden naar een lepra-inrichting in Heerde. Ik werd in een internaat geplaatst in Amersfoort, bij de nonnen. Zij leerden me dat ik me moest te schamen voor mijn Indische achtergrond. Een non liet me plaatjes zien van een concentratiekamp. Daar zou ik terechtkomen. Ik werd opgesloten in een kelderkast. In de winter moest ik op blote knieën met een tandenborstel de speelplaats poetsen.

Ik schreef mezelf in een andere werkelijkheid. Maakte verhaaltjes over een meisje met een witte huid, blond haar en diepblauwe ogen. Ze mocht in het kerstspel het engeltje zijn. Ze was danseres, zangeres, ging op reis en beleefde spannende avonturen. 's Nachts speelde ik onder de deken met steentjes. Dat waren mijn broertjes en zusjes.

Rond mijn twintigste hield ik het niet langer uit. Van een leraar op school had ik het boek Oeroeg van Hella Haasse cadeau gekregen. Boeken van niet-christelijke signatuur waren verboden, en ik werd beschuldigd van diefstal. Ik moest het verscheuren. Dat voorval was de druppel. Ik wilde mijn leven be e in digen, op een verlaten plek buiten het internaat. Een danspartner uit de buurt had ik om een lift gevraagd. Hij maakte misbruik van de situatie en ik raakte zwanger. In plaats van het einde wachtte mij een nieuw leven.

Ongehuwd moederschap was een schan de. De nonnen zetten me onder druk om het kind af te staan. Dan zou het opgroeien in een Hollands gezin en integreren in de samenleving. Dat was het beste. Indo's konden geen kinderen grootbrengen, hadden geen seksuele moraal en een internaatmeisje was een halve crimineel met een emotionele achterstand. De plek waar ik moest bevallen, hadden ze al uitgekozen. Een tehuis voor dak loze vrouwen en prostituees.

Mijn ouders zagen hun voorgeschiedenis in de mijne weerspiegeld. Ook mijn kind zou bij andere mensen worden grootgebracht. Zij konden die gedachte niet verdragen. Ik keerde terug naar het gedrag van mijn kindertijd. Bracht de dagen zwijgend door, starend naar een muur. In mijn hoofd was het een chaos. Ik hoopte dat het kind een kaaskoppie werd en probeerde er niet van te houden omdat ik er anders moeilijk afstand van kon doen. Maar op de kweekschool werd gezegd dat je van je kind moest houden. En dat gebeurde.

De geboorte was een amputatie. Ik hoorde een schreeuw en het was voorbij. Een zuster hield een hand voor mijn ogen. Het is een meisje, fluisterde ze. Ik kon jarenlang geen vrouwen met baby's zien. Maar zag ik een moeder met een dochter, dan keek ik wel of het meisje op haar leek. Zo niet, dan kon het van mij zijn. Ik was altijd op zoek, maar echt zoeken kon ik niet. Ik was de achternaam van het adoptiegezin vergeten. Na het ondertekenen van de adoptiepapieren had ik een black out gehad en had de documenten weggegooid.

In een aanval van gekte speurde ik alle telefoonboeken door, in de hoop de naam van mijn dochter te herkennen. Ik kreeg koortsdromen en wandelde 's nachts over straat. Ik heb in Ams terdam ooit verlangend naar het water gestaard. Toen kwam er een schipper naar me toe. Waar twee mensen zoeken, moet er een blijven, zei hij. Anders ontstaat er een cirkel. Ik moest blijven. Dat had ik mijn kind tijdens de zwangerschap ook beloofd.

In mijn atelier schiep ik voor mezelf een draagbaar heden. Ik kon veel woede en verdriet kwijt in mijn werk. Een van mijn eerste objecten was een pop waar een klein popje uitstak, met bloemetjes en bloed op het hoofd. Heel melodramatisch. Gaandeweg werd mijn werk ab stracter. Ik creëerde een wereld zonder mensen, zo leeg als die van mijn familie. Ik begon teksten te verwerken in mijn objecten. Verhalen die niet verteld kunnen worden. Het was wonderlijk toen ik mijn babykleertjes terugvond, door mijn ouders uit armoede gemaakt van boeklinnen. Op een luier staat: 'Alleen voor zondaars'. Dat was de titel van het boek. Die kleertjes zie ik als het begin van mijn woordsculpturen.

Het verlangen naar mijn dochter was er elke dag. Toen ik weer in zo'n gekte dreigde te raken, adviseerde een vriend om met mijn werk in de openbaarheid te treden. Mis schien zou mijn dochter over mij lezen in de krant en contact zoeken. Ik had mijn eerste tentoonstelling. Na de opening stond er een stem met een oostelijk accent op mijn antwoordapparaat. Mijn dochter was in het oosten van het land geboren. Zou ze me willen zien? Hoe zag ze eruit?

Haar handen leken op de mijne. En haar blik, die eenzame blik. Ze bleek ook te schilderen en ik herkende de soberheid van haar schilderijen. Het voelde goed. Ik dacht dat het zoeken na zeventien jaar voorbij was, maar het begon pas. Ze wilde de naam van haar vader weten. Die wist ik niet. Vreselijk pijnlijk. Ik vertelde haar niet dat ik zelf wanhopig, zocht naar haar vaders naam. Ik wilde haar niet opzadelen met teleurstellingen. En zij wilde mijn gevoelens ontzien. Dat leidde tot misverstanden en verwijdering.

Ze bleek mijn zwijgen over de vergeefse zoektocht naar haar vader het ergst te vinden. Die zwijgzaamheid tegenover dierbaren had ik van mijn ouders overgenomen. Ik kon niet praten over mijn eenzaamheid en kon haar niet vertellen dat ik de naam van haar vader wel moest vergeten om verder te leven en om mijn belofte aan haar te houden. Toen begon ik te denken aan een boek.

Ik werd geconfronteerd met emoties en pijnlijke herinneringen. De wedstrijd in verdriet tussen de kamp- en de buitenkampslachtoffers waar mijn ouders zo onder hadden geleden. De zoektocht naar mijn eigen identiteit. Tevens was het een bevrijding om mijn gevoelens op papier te zetten. Ik ben er jaren mee bezig geweest en groeide mee met de definitieve inhoud. Ik kon afstand nemen tot bepaalde gebeurtenissen. Er kwam een heleboel energie vrij. Daardoor werden mijn sculpturen beter en ik kon een autobiografische roman schrijven zonder bitterheid.

De relatie met mijn dochter begint op gang te komen. Toen ze het boek had gelezen, is er meer begrip ontstaan. Niet in woorden, maar wel in gebaren. We vinden elkaar in de kunst. Dat is onze link. Een moeder/dochterrelatie zal ik nooit met haar hebben. Daarvoor zie ik te zeer die andere moeder op de achtergrond. De vrouw die haar heeft grootgebracht en die op mijn dochters verjaardag altijd zei: je moeder denkt aan je. Van een adoptie kom je nooit meer af, maar ik heb nu een bepaalde rust.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden