rechtbankverslag Faris K.

‘Mijn cliënt was gewoon een kletsmajoor’

Het Openbaar Ministerie heeft maandag vijf maanden celstraf geëist tegen de voormalige politiemedewerker Faris K. voor het schenden van zijn ambtsgeheim. ‘Een stommiteit waar ik spijt van heb.’ Een verslag uit de Haagse rechtbank.

Rechtbanktekening van Faris K. tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in de Haagse rechtbank. Beeld ANP

Faris K. wordt verdacht van het doorvertellen van vertrouwelijke beveiligingsinformatie en het – verboden – raadplegen van politiesystemen voor privégebruik. Maandag staat hij terecht in een Haagse rechtszaal.

De rechter tegen de zaal: ‘Tijdens deze zitting mogen absoluut geen opnames worden gemaakt in verband met mogelijke informatie over te beveiligen personen.’

Officier van Justitie: ‘Politieambtenaar Faris K. werkte voor het verkennersteam van de beveiligers van onder anderen de heer Wilders. Hij wordt verdacht van het delen van vertrouwelijke informatie over Wilders en over een bezoek van een dochter van voormalig president Obama. Ook heeft hij de politiesystemen bevraagd voor privégebruik.’

De rechter: ‘Heeft u dat gedaan?’

Faris K. (37): ‘In een aantal gevallen: ja.’

Rechter: ‘Hoe kijkt u daar nu tegenaan?

K.: ‘Het is onhandig, stom, maar zonder slechte bedoeling. Het is in dit vak tactiek om als beveiliger op straat te bellen, zodat je tijdens het observeren niet wordt gestoord door omstanders. Soms is je gespreksstof op en krijg je een slip of the tongue – zo moet u het zien.’

Rechter: ‘Nadat het Team Criminele Inlichtingen ontdekte dat u de politiesystemen ten onrechte raadpleegde, bent u geobserveerd, werd uw telefoon getapt en is geluidsapparatuur in uw woning en auto aangebracht. In 2016 zei uw vriendin in een telefoongesprek dat ze heel veel van u weet. Daarop zei u: ‘Fuck, ik moet niet zoveel praten over het werk.’ Toch bleef u dat doen.’

K.: ‘Het is een stommiteit waarvan ik spijt heb.’

Rechter: ‘Een leidinggevende heeft verklaard dat u voor uw functie een geheimhoudingsverklaring hebt getekend. Daarin lees ik dat u zich tijdens uw werk zal beperken tot absoluut stilzwijgen over feiten die u via uw werk bekend zijn. Dat absoluut stilzwijgen is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Is dat toen met u besproken?’

K.: ‘Nee. Ik geloofde het ook pas toen ik mijn handtekening eronder zag staan. Ik was gewoon blij met die baan. Dan krijg je een hele stapel papieren en die teken je gewoon. Ook mijn collega’s kenden dat papiertje niet.’

Rechter: ‘Geheimhouding is voor uw functie essentieel, en dat is niet met u besproken?’

K.: ‘Wat absoluut geheim moet blijven, daar wordt een embargostempel opgezet. Dat mag ik niet bespreken. Verder niet.’

Rechter: ‘Al na een paar maanden na uw indiensttreding in 2003 kreeg u een aanvaring met uw leidinggevende over het delen van informatie op Facebook.’

K.: ‘Ja, maar dat ging over een collega.’

Rechter: ‘Daar zijn vijf of zes voortgangsgesprekken over geweest.’

K.: ‘Die gingen niet over het delen van geheime informatie.’

Rechter: ‘In 2005 werd u ook aangesproken op schending van uw ambtsgeheim. En in 2007 kreeg u een voorwaardelijk strafontslag wegens het raadplegen van de politiesystemen en het delen van die informatie met derden. U kreeg daarvoor een taakstraf.’

K.: Zwijgt.

Rechter: ‘Als iemand erop is aangesproken wat je wel en niet mag delen, bent u dat wel.’

K.: ‘Tja.’

Rechter: ‘Een kennis van u verkocht een auto aan een Joegoslaaf, en voelde zich door die Joegoslaaf opgelicht. Uw kennis wilde de verblijfplaats van die persoon achterhalen en gaf u het Burgerservicenummer. U heeft het politiesysteem over die verblijfplaats geraadpleegd, klopt dat?’

K.: ‘Ja, maar ik heb die informatie niet gedeeld.’

Rechter: ‘Waarom raadpleegt u dan het systeem?’

K.: ‘Uit politionele nieuwsgierigheid. De kennis vertelt een verhaal dat je aangrijpt, dan gaat je politiehart sneller kloppen. Ik wilde mijn nieuwsgierigheid gewoon stillen.’

Rechter: ‘Mocht u dat op die manier doen?’

K.: ‘Nee.’

Rechter: ‘Die kennis van u stond vervolgens wel bij die Joegoslaaf voor de deur.’

K.: ‘Dat weet ik niet.’

Rechter: ‘U raadpleegde het politiesysteem ook over vriendinnen en een buurvrouw. Waarom?’

K.: ‘Bij de auto van de buurvrouw had ik een cocaïnewikkel gevonden. Ik wilde weten tot wie dat behoorde, ik was dus met politiewerk bezig.’

Officier van Justitie: ‘Eerder kon u zich niks over die buurvrouw herinneren. Ik geloof niets van die cocaïnewikkel.’

Rechter: ‘U heeft het politiesysteem ook over uzelf bevraagd.’

K.: ‘Ik moest me identificeren en had mijn rijbewijs niet bij me. Toen heb ik mijn gegevens maar even opgezocht.’

Rechter: ‘U heeft tegen uw vriendin gezegd: ik weet heel veel van je. Toen kende u haar nog maar een maand.’

K.: ‘Ik bedoelde daarmee geen politie-informatie.’

Rechter: ‘Zo begrijp ik het wel uit een afgeluisterd gesprek.’

K.: Zwijgt.

De officier van Justitie: ‘Tijdens het onderzoek kwam ik tot de conclusie dat u informatie niet met derden deelde. Maar hoe meer u nu vertelt, hoe meer mijn gevoel groeit dat u informatie wel heeft doorgegeven.’

K.: ‘U heeft uitgebreid onderzoek gedaan en u kunt dat niet bewijzen. Volgens mij zijn we dan uitgepraat.’

De rechter: ‘U bent inmiddels ontslagen. Heeft u al ander werk?’

K.: ‘Vanwege alle pers hier ga ik daar liever niet op in.’

Officier van Justitie: ‘K. werkte voor het team dat verantwoordelijk is voor de beveiliging van onder anderen de heer Wilders. Daarover sprak hij met vriendinnen. Als deze informatie in verkeerde handen valt, kan dat grote veiligheidsrisico’s opleveren voor zowel Wilders als voor K.’s beveiligingscollega’s. Het raadplegen van politiesystemen voor privégebruik reken ik hem zwaar aan: burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat politiemensen geen misbruik maken van hun bevoegdheden. Nog zwaarder reken ik aan dat hij die gegevens deelde met derden. […] Ik acht schending van het ambtsgeheim wettig en overtuigend bewezen. Omdat K. alle waarschuwingen in de wind heeft geslagen, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden passend. Ook eis ik een beroepsverbod voor een publiek ambt gedurende vijf jaar.’

Advocaat Peter Plasman: ‘Het feit dat de officier alle gepleegde feiten afzonderlijk heeft laten toetsen aan de vraag: mag dit, of niet? geeft aan dat daar intern geen eenduidigheid over is, en dat je dus steeds je eigen afwegingen moet maken. Mijn cliënt was een kletsmajoor, maar een veiligheidsrisico is er nooit geweest: na de verdenking werd hij niet direct uit zijn functie ontheven, maar was hij nog bijna een jaar in functie. Hij is inmiddels zijn baan kwijt en door de media neergezet als iemand die politie-informatie verkocht aan Marokkaanse criminelen, wat absoluut niet het geval was. Daarmee is hem al veel leed toegebracht.

Rechter: ‘Meneer K., wilt u zelf nog iets zeggen?’

K.: ‘Nee, alles is wel gezegd.’

Rechter: ‘Op 29 april doen wij uitspraak.’

Politieman Faris K. (37) staat terecht voor schending van zijn ambtsgeheim en computervredebreuk – hij heeft voor privédoeleinden informatie opgezocht in vertrouwelijke politiesystemen, en dat is verboden. Dit zoeken leidde ertoe dat de politie hem ging tappen en surveilleren. In dat onderzoek kwam het ‘kletsen’ met vriendinnen aan het licht. Niet is gebleken dat K. vertrouwelijke informatie heeft doorgespeeld aan criminelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.