'Mijn bloempje staat er bij'

Hij maakte naam met het omstreden stuk 'Het vuil' van Fassbinder, dat nu opnieuw wordt opgevoerd. Regisseur Johan Doesburg, verhalenverteller....

In zijn grote werkkamer achter de Koninklijke Schouwburg staat tegen een van de wanden een curieus kistje. Opengeklapt, met driedimensionale figuren erin: de wijzen uit het Oosten in hun weelderige gewaden, en een kameel. 'Ik wil er altijd nog een echte kerststal van maken', licht Johan Doesburg toe. 'Een draagbare.' En misschien een voorstelling, liefst naar een van de verhalen uit het Oude Testament. Prachtige verhalen, en wreed en gewelddadig ook. Mensen houden van wrede verhalen, zegt de regisseur opgeruimd. Geweld ontspant.

Op een bloedhete namiddag praat hij over de meest uiteenlopende verhalen, over sommige die al verteld zijn en andere die nog geënsceneerd moeten worden, over vijftien jaar toneelmaken, het naderend jubileum van de schouwburg, het nieuwe seizoen en alleerst, de reprise van Het vuil, de Stad en de Dood de voorstelling waarmee het Nationale Toneel woensdag begint, en hetzelfde stuk waarmee vijftien jaar geleden Doesburgs regisseurscarrière op geruchtmakende wijze een aanvang nam.

'Het was m'n eerste stapje', zegt hij daarover. Even in het kort: als eindexamenvoorstelling van de regie-afdeling aan de Amsterdamse toneelschool koos Doesburg Rainer Werner Fassbinders toen al vanwege vermeend antisemitisme omstreden stuk. Ook Nederland bleek er in 1987 niet klaar voor. Verhitte discussies in de media, woedende joodse organisaties, verwijten over en weer, het volgde elkaar in rap tempo op. Doesburg besloot het stuk terug te trekken. De zaak bereikte een kookpunt toen acteur Jules Croiset zijn eigen ontvoering (door anti-joodse elementen) in scène zette.

Pas vorig jaar november zag Johan Doesburg (48) kans zijn allereersteling op het toneel te krijgen. Doordat een van de acteurs ziek werd, moesten ze vier voorstellingen schrappen - vier die ze nu, in het nieuwe seizoen, alsnog willen doen. Logistiek geen sinecure, want er staan in totaal vijftien man op de speelvloer van wie zeven niet vast aan het Nationale Toneel verbonden zijn. Maar het lukt. Ze repeteren weer, een week lang. 'De geest moet weer even terug in de fles.'

De reprise, benadrukt hij, heeft niets met beeldvorming of moraliteit te maken. Niets met een Doesburg die nog een keer een punt wil drukken. Hij haalt zijn schouders op. De kwestie bleef beladen. De regisseur leverde het de reputatie van provocatief kunstenaar op, een etiket waaraan hij bepaald een hekel zegt te hebben. En toen Het vuil, de Stad en de Dood dan eindelijk was gezien en de première relatief rustig was verlopen, werd dat weer bijna als een anticlimax gebracht. 'Geen heisa bij première', citeert hij vrijelijk een krantenkop. 'We waren ook helemaal niet uit op heisa! En ja, natuurlijk was het een keurig stuk! Dat was het altijd al.'

Gelukkig is er nu wel inhoudelijk op het stuk ingegaan, zegt hij even later. Er is een begin van een dialoog op gang gekomen in de media. 'Ik vind het goed dat de verschillende meningen, verschillenden kleuren zichtbaar zijn - dat wel. Maar ik doe niet aan politiek, ik vertel verhalen.

'Het begint puur met een fascinatie. In Het vuil zie ik het relaas van iemand in Duitsland die de holocaust heeft overleefd. Maar hij is geen eendimensionaal slachtoffer, hij heeft ook vuile handen. . . en dan is er een slachtoffer van een andere samenleving, een prostituee. Die worden in het stuk met elkaar geconfronteerd. Een willekeurige confrontatie in een groot gedicht, zo zie ik het.

'Visueel doe ik niet eens moeite om het realistisch, filmisch te laten zijn - voor geen meter. Dus wil je echte hoeren zien, met echte vibrators, of echt hard van achteren en zo: andere voorstelling. Doe ik nog wel eens een keer. Hier heb ik dat niet nodig. Ik laat twee mensen zien die een geschiedenis aan hun kont hebben hangen. . . fascinerend.'

En die fascinatie die blijft, zegt hij, ook anno nu. 'De thematiek, daar heb ik iets mee. Ik denk ook dat er niet wezenlijk iets is veranderd sinds 1975, maar dat we momenteel moe zijn te praten over dit onderwerp: de holocaust en ons eigen feilen in de Tweede Wereldoorlog. En ik denk dat alle dingen die nu aan de hand zijn in de Nederlandse samenleving te maken hebben met het niet afronden van dit onderwerp in onze jeugd. We zijn immers opgevoed met de discussie hierover; vervolgens hebben we te maken gekregen, 25 jaar geleden, met de instroom van migranten. Bij het vormen van gedachten daarover en het bepalen van het beleid, hebben bestuurders zich ongetwijfeld mede laten inspireren door ons eigen feilen van destijds.

'Ik ga een beetje kort door de bocht nu. Maar we zitten net zo goed met een collectief schuldgevoel ten aanzien van zes miljoen mensen. We hebben het niet bedacht, maar we hebben wel meegeholpen. Dat is toch een vuiltje, nou ja, flinke kras, op de harde schijf. Een eenduidige analyse over hóe het toch allemaal tot stand is gekomen, heeft er nog steeds niet plaatsgevonden. En die kwestie fascineert.'

Hij schiet overeind om een knipsel te halen van het prikbord op de gang. Het bericht is uit een Franse krant, eind juni: een bommelding bij de première van Het vuil in Parijs. Voorstelling afgelast. 'Geestig toch?'

Onophoudelijk kauwend op een sigaret, glas Fanta binnen handbereik, klaagt Doesburg over de hitte - niet helemaal merkwaardig, gezien het feit dat hij over zijn witte overhemd losjes een zwarte sjaal heeft hangen - van wol. Bij wijze van das. Hij praat snel, energiek, met vele terzijdes en bijzinnen. Twaalf ambachten, dertien ongelukken, zegt hij over de tijd vóór het theater. Lijkkistendrager was hij, student pedagogie ook even, taxichauffeur - in dat laatste ambacht leerde hij observeren, een kunst die van pas kwam als regisseur. Zes jaar was hij freelancer, maakte onder meer voorstellingen bij Rijnders' Toneelgroep Amsterdam, zoals - na het debâcle met Het vuil - Mein Kampf van Georg Tabori, een nieuw stuk over Hitler dat opnieuw stof deed opwaaien.

De Nationale Toneel-jaren kun je onderverdelen in fases, zegt hij. De eerste tweeënhalf als tweede man naast Ger Thijs. 'Top. Geen vuiltje aan de lucht. Maar de tweede tweeënhalf jaar onstonden er spanningen tussen Ger en mij. Op een gegeven moment was de relatie op.' En Doesburg was ook even op. 'Dat heet burn out.'

Hij heeft er wel aan gedacht op te stappen, weg uit Den Haag. Sluit niet uit dat het misschien ook ooit gebeurt. Als hij om een of andere reden niet meer de dingen kan maken die hij wil maken. Zoals, destijds, Thijs niet bepaald stond te trappelen om Het vuil doorgang te laten vinden - in weerwil van eerdere afspraken. Uiteindelijk was het Thijs die vertrok. Doesburg blijft, samen met algemeen directeur Evert de Jager, sowieso de komende kunstenplanperiode.

Inmiddels stonden vakbroeders als Thijs en Jules Croiset onder zijn dak te spelen. 'Ik ben niet rancuneus, dat schiet helemaal niet op. Verzoening? Dat moet je niet opvatten als zou ik met iedereen bevriend willen blijven - God verhoede. Ik ben selectief wat vrienden betreft en ruimhartig als het gaat over allerlei culturele samenwerkingsverbanden.'

Enthousiast bladert hij door de seizoensbrochure, nu in het teken van het tweehonderdjarig bestaan van de Koninklijke Schouwburg. Vijftien producties (waarvan twee reprises) gaan uit. In verband met de drukte doet hij er zelf maar een, Demonen van Norén. Ik ben aanwezig in de keuze, zegt Doesburg. Trots is hij op de komst van Erik Vos naar de Schouwburg (voor het eerst!), die voor de gelegenheid Eric Schneider en Will van Kralingen regisseert in een Tsjechov-ode: Naspel. 'Dit is een goede fase. Het wordt steeds leuker.'

Hij woont 'boven de winkel', dat wil zeggen, op nog geen tien minuten fietsen, aan de rand van de Haagse Schilderswijk. 'Ik ben geen chauvinist, maar ik benadruk even het belang van Den Haag. Dit is de meest theatrale stad van Nederland. Dit is een stad van tegenstellingen, supergrote tegenstellingen. De armste wijken van Nederland zijn in Den Haag, de rijkste wijken ook; arm en rijk, donker en wit; er worden 76 talen gesproken; en dan hebben we ook nog de koninklijke familie in huis. Tussen het chique Voorhout en de Schilderswijk zit hemelsbreed nog geen kilometer. En vijfhonderd meter de andere kant op woont de majesteit, naast de majesteit heb je een homobosje - ik bedoel: dat is Den Haag! Ik voel me senang in deze stad.'

En dat inspireert. Kleine dingen pikt hij op, onthoudt hij voor een stuk. Iemand merkte ooit op, naar aanleiding van Doesburgs Troilus en Cressida: dat stuk gaat over Den Haag. 'Maar zo simpel is het niet. Als cabaretier kun je direct op de actualiteit inspelen. En er zijn ook wel toneelgroepen die dat doen, neem Toetssteen. Prima. Hoe meer gekleurde bloemen in de vaas, hoe beter. Maar mijn bloempje staat er nadrukkelijk bij - en ik houd meer van het indirecte. Uiteraard kun je bij Shakespeare actueel associëren. Maar dat ik daarmee de pretentie zou hebben om iets over de Nederlandse politiek te zeggen - welnee.

'Ik maak toneel als de politiek allang weer ergens anders mee bezig is - en ik vind het zo'n mooi medium juist omdat je kunt inzoomen en even de tijd stilzetten. Ik ben zelf vrij druk; en het leven is vrij druk - het zij zo. En dan met z'n tienen geconcentreerd, liefdevol in een hok zitten om een verhaal te vertellen en daar invloed op te mogen uitoefenen - top.'

Hij wijst op een grote foto aan de muur: King Lear met Cordelia in zijn armen. 'Zegt iemand na de voorstelling: King Lear heeft last van Alzheimer. Dat kan, hij hád ook vast Alzheimer; in het stuk is hij tachtig, een mythische leeftijd. Maar ik vind het niet interessant om King Lear te brengen als evident Alzheimerpatient. Laat-ie nou géén Alzheimer hebben, dat vind ik veel boeiender; de incoherenties van zijn gedrag, de consequenties van zijn daden - daarover kun je fantaseren. Nieuw inzicht in Alzheimer via toneelvoorstelling? Nou nee.

'Die foto is van een heel ontroerend moment. Dit was een verzoening na de dood, de dood tot gevolg hebbende. Die man heeft fouten gemaakt, ja. Wij maken fouten, wij zijn sterfelijk. In het theater verdienen we ons brood met het menselijk tekort en die voorstelling is een opeenstapeling van het menselijk tekort - vanuit het perspectief van de King Lear-figuur. Hij biedt mogelijkheid tot reflectie.'

'Dat vind ik belangrijk in het theater. Amusement ook, tot nadenken stemmen, ontroerd worden. Tot lachen gekieteld. Ik wil tegenstrijdigheden laten zien. De eenduidigheid moet eraf. Via het theater probeer ik me te verzoenen met het leven. En verder. . . ja, de legitimiteitsvraag is een oude. Misschien wordt een klein deel van de samenleving er even door gesterkt, of bewogen tot nadenken, of geamuseerd. Cumulatief, zou je kunnen zeggen, al die lichtpuntjes tezamen - misschien verbeteren ze de wereld. Maar ik ga er niet vanuit dat ik de wereld verander - of verbeter. Ik houd wel sommige mensen van de straat. Het Nationale Toneel houdt ongeveer honderdduizend mensen per jaar van de straat. En dat is leuk. Leuk meegenomen.'

Hij gaat niet uit van de vraag - die is er kortweg niet. Wie zit er te wachten op vijf uur Strange Interlude? 'Maar ik wilde het dolgraag maken, met Ariane Schluter.' Zij werd ervoor onderscheiden met een Theo d'Or. 'Als toneelmaken indirect leven is - wat ik wel eens uit mijn bek heb laten vallen - dan is de onderscheiding van een actrice indirect genieten. Ik was er heel blij mee.'

Maar voorts ben ik zelden content. Iets van ontevredenheid zorgt dat ik weer doorga. Monomanie is noodzakelijk, relativeren staat haaks op het maken van iets. Het is een éducation permanente. Maar hou op zeg! Dat klinkt allemaal veel te pompeus uit de mond van een verhalenverteller.' & bullet;

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden