Mijn baas is ziek

Honden weten veel, maar niet alles. Als de baas erg ziek is, hoe ga je als hond daarmee om? ‘Ik probeer hem op te vrolijken, ik mag onder de dekens, maar hou me zo koest mogelijk....

Mijn leven als hond begon toen mijn baas ziek werd. Daarvóór had ik het goed, geen klachten. Ik hoefde nooit aan de bak, behalve als de baas in de kroeg serveersters wilde imponeren en mij met behulp van een koekje op de achterpoten een dansje liet maken. Dat kon ik op het laatst zo goed dat ik geen koekjes meer kon zien. En op dat moment werd de baas ziek. Ik had het eerder in de gaten dan hijzelf. Dat vond ik wel zielig voor hem. Maar hij begreep mijn waarschuwingen niet. Hij was ook vaak niet thuis. En als hij er was, liep hij te schelden omdat hij zoveel pijn had. Ik kroop dan maar liever onder de bank. Toen brak er een dag aan dat de baas naar het ziekenhuis ging. Ik mocht niet mee. ’s Avonds laat kwam hij weer terug. Zijn pijn was weg, maar er was iets ergers voor in de plaats gekomen. Hij huilde en vloekte verschrikkelijk. Hij slikte een heleboel pillen uit allerlei potjes. Hij veranderde voor mijn ogen. Hij kreeg een heel dik hoofd. Hij had heel zere benen. Hij nam me elke dag mee uit wandelen, maar we kwamen de buurt niet uit. Vaak zaten we bij het café op het terras, ik bij de baas op schoot. Ik ben niet echt een schootzitter, eerlijk gezegd. Soms kan het niet anders, dan moet het wel, in de auto bijvoorbeeld. Dan zit ik op schoot bij de baas die rijdt. Enorme zenuwaanvallen krijg ik dan. Mijn hart bonk er zowat uit, zo ongelofelijk geweldig vind ik autorijden. Al die luchtjes die binnenkomen. Ze denken dat je dom bent als hond, maar ik ruik alles, luchtverontreiniging of niet. Een vette worst die bij een slager wordt aangesneden net op het moment dat wij voorbijrijden, ruik ik, zelfs als de deur van de slagerij dicht is. Dan spring ik tegen de autoruiten op. Nu hij ziek was, vond ik het fijn om bij de baas op schoot te zitten. Ik wilde dicht bij hem zijn. Dat was voor hem belangrijk. Hij wilde me aaien. Ik weet dat het stom klinkt, want zo’n zacht ei is mijn baas niet. Aaien, ik denk dat hij het een dom woord vindt. Maar dat deed hij dus wel, eindeloos zijn warme handen door mijn vacht halen, en spelen met mijn oren. Ik heb mooie oren, ze zijn heel dun op sommige plekken, en bijna doorzichtig. Ze zijn ook heel gevoelig. En ze horen alles, dat is ook wel handig. Zo kon ik als ik bij hem op schoot lag van alles in zijn lichaam horen. Fluitende lucht, minuscule gorgeltjes, knarsend gepiep, van die dingen die de baas zelf niet hoorde. En waarvan hij zich in elk geval niets aantrok. Ik probeerde hem weleens boos aan te kijken, vooral als hij boven mij weer een sigaret opstak, maar dat hielp niets. Soms zag ik dat hij zomaar ineens bijna begon te huilen. ‘Kom, we gaan’, zei hij dan abrupt en terwijl hij opstond moest ik maar zien dat ik met vier poten goed op de grond terechtkwam. Nou ja, er zijn ergere dingen.

De baas heeft verschillende manieren van lopen. Zijn oude manier van lopen is snel, een beetje slingerend. Borst vooruit, schouders achteruit, los in de heupen. Hij gooit zijn voeten vooruit in plaats van keurige stappen te zetten. Als hij zo loopt, loop ik graag voor hem uit, staart omhoog, oren omhoog, stevige passen – zo stoer mogelijk. Dat is voor een kleine hond nog best moeilijk. Maar alle honden in de buurt kennen me. Ik zal niet zeggen dat ze bang voor me zijn, maar ze weten dat ik net zo’n type als de baas ben. Van de wereld. Hij kan ook langzaam lopen, zeg maar slenterend. Dan loopt hij wat gebogen. Dat is voor mij een moeilijke loop. Hoe moet je daarmee als hond omgaan? Als ik pront voortstap, lijkt het al snel alsof ik hem voort trek en als ik net als hij wat ga drentelen, ziet het eruit alsof we allebei de draad kwijt zijn. De lijn tussen baas en hond moet altijd gespannen staan, vind ik. Aan de andere kant: ik moet natuurlijk wel mijn gebied afbakenen, en dat bijhouden. Daar heeft baas niet al te veel begrip voor. Als ik twee keer een behoorlijke plas heb gedaan, is het wat hem betreft genoeg. Op allerlei plekjes nog even stoppen om mijn geur achter te laten, dat vindt hij niks. Dan begint hij aan de riem te trekken. Terwijl het toch best belangrijk is wat ik doe, en ook in zijn belang.

De baas is trouwens niet de enige baas die ik heb. Er is nog een baas, die in feite meer baas is, en dat is de vrouw van de baas. Zij neemt me mee voor lange wandelingen in parken en bossen, zodat ik collega’s kan ontmoeten en achter konijnen aan kan jagen. Ik kan zo goed konijnen ruiken dat ik konijnen zelf pardoes voorbijvlieg. Verstijfd van angst zien ze een witte flits voorbijspuiten. Dat ben ik dan. En soms zit ik uren achter elkaar in konijnenholen – diepe tunnels graven die beesten. De baas, de echte baas, wordt daar helemaal radeloos van. Zit ik ergens in de diepte te blaffen, probeert zij me met een handjevol brokjes te lokken bij de ingang van het konijnenhol. Over brokjes gesproken; deze baas is het ook die voor mijn eten zorgt, zakken en blikken, en die met me naar de dokter gaat als ik een prik moet.

Intussen werd de baas steeds zieker; hij lag heel erg vaak in bed. Ik lag dan bij hem, naast hem, op de dekens. Als hij ging slapen tilde hij de dekens op en mocht ik eronder. Hij draaide zich dan op zijn zij en trok zijn knieën op. In het holletje daarachter groef ik voor mezelf dan een lekker warm plekje. Vroeger mocht ik nooit onder de dekens, en nu wel. Ik hield me maar zo rustig mogelijk. Voor je het weet ben je een zieke te veel. En ziek was de baas nu echt heel erg. De ene keer had hij het koud en de andere keer warm. Soms was het zo erg dat hij het niet erg vond als ik het zweet van zijn voorhoofd en uit zijn oogkassen likte. Soms kreeg ik dan kleine haartjes op mijn tong. Zijn wenkbrauwen en wimpers vielen uit. Ook het haar van zijn hoofd verdween. Elke ochtend lagen er plukken op het kussen. Ik probeerde de baas op te vrolijken. Een goede hond moet dat kunnen, vind ik. Het hoort erbij. En hier had ik de kans. Ik maakte gekke sprongen, of rolde op mijn rug en stak al mijn poten in de lucht. Daar maakte ik dan wat gekke, blazende geluiden bij, en de baas grijnsde. ‘Dat is lief van je, Flapper’, zei hij dan met zijn droge stem. Ik heet geen Flapper en ik vond het niet eerlijk dat ik geen water voor hem kon halen. Wij honden weten alles, maar wij kunnen weinig. Ik deed zo goed mogelijk mijn best om de baas te beschermen. Als ik in de verte de postbode aan hoorde komen, probeerde ik niet te blaffen, maar de baas af te leiden, want als straks de brievenbus klepperde, zou hij niet alleen meteen uit bed willen om de post van de mat te rapen, maar ook zijn dagelijkse tirade tegen de postbode afsteken. Die arme man kan er niets aan doen, het is een lieve neger uit een ver land waar ze elkaar voortdurend de koppen inslaan, maar mijn baas vindt hem een sukkel die de hele teloorgang van het ooit zo mooie systeem der Nederlandse posterijen symboliseert. Ik vind dat de baas zich niet moet opwinden over dat soort dingen. Wat ooit grijs was en nu oranje is, wordt heus nooit meer grijs. Een zieke moet zijn energie gebruiken om beter te worden. Daarom hield ik ook iedereen uit zijn buurt. Als we wandelden en ergens iemand tegenkwamen die een praatje wilde maken, trok ik de baas altijd zo snel mogelijk achter me aan. Hij werd dan weleens boos, maar het was voor zijn eigen bestwil.

Mijn baas werd nog zieker. Er waren dagen dat we helemaal niet uit konden. Buiten scheen de zon, en binnen lagen wij in bed. De gordijnen waren dicht, door een kier zagen we de boom in de tuin en een stuk van de lucht. De baas kon het niet meer verdragen als ik dicht bij hem was. Ik lag dus zo ver mogelijk bij hem vandaan, op een hoek van het bed. Wanneer hij zijn ogen dicht had, had ik de mijne open en wanneer ik de mijne sloot en later weer opende, had hij ze nog steeds dicht. Gek, maar ik voelde de pijn die hij had, ook al had ik helemaal geen pijn. Toch wist ik precies wat hij voelde, het leek wel alsof ik hem was. Ik schaamde me soms, want ik was er trots op. Ik deed het goed als hond. Ik wist ook dat hij trots was op mij. We stonken er met z’n tweetjes goed op los. Mijn neus is mijn ziel, en ik kan de dood van ver ruiken. Als ik ergens een kadaver ruik, een dode egel, een vogel, dan ben ik er niet weg te slaan. Als het kadaver al vergaan is, maar de lucht van de dood nog op de plek van zijn sterven hangt, dan is er niets lekkerders dan mezelf daarin rond te wentelen. Wat er precies zo fijn aan is, weet ik niet. Eigenlijk stinkt het, maar op een lekkere manier. Zoals je eigen poep ook lekker ruikt, misschien. En ik heb ook wel eens gedacht dat het met overleven te maken heeft: jij wel dood, ikke niet. Een oud instinct.

Als de baas boos is, breekt hij zijn bril doormidden. Het is altijd het laatste dat ik zie voor ik onder de bank duik. Het lijkt wel alsof ik er een speciaal instinct voor heb om me dan net nog even om te draaien. Ik heb al twee keer een halve bril achter me aan gehad. Hij is niet boos op mij, maar op de andere baas. Maar vooral op zichzelf. Hij geeft zichzelf altijd de schuld van alles. De baas kan ook heel uitgelaten en vrolijk zijn. Dan heeft hij er zin in. Maar hij kan dus ook heel kwaad zijn. En daarna wordt hij somber. Er wordt met deuren geslagen. En dan zakt hij in zijn stoel om naar de boeken in zijn kast te kijken. Ik begrijp niet waarom hij er zoveel heeft. Het is het enige houvast dat hij heeft. Boeken. En dat terwijl hij mij heeft. Hij zou veel beter moeten opletten. Ik ben zijn vriend. Ik. Als hij zijn bril doormidden heeft gebroken, heeft hij niets aan al zijn boeken. Ik weet niet zeker of ik bij de baas, of om hem heen, of in bed als hij er even niet was, of in zijn kleren of sokken de dood wel eens heb geroken. Of er een soort voorstadium van de dood is, qua geur, ik weet het niet. Honden weten veel, maar niet alles. Ik ben ook nog een kleine hond en ze zeggen dat je dan minder hersenen hebt. De baas heeft wel eens gegrapt dat mijn hersenen ongeveer zo groot zijn als een bruine boon. Als dat zo is, dan kan ik er toch behoorlijk wat mee. Misschien dat angst een voorbode is, ik denk het wel. Angst heeft ook een hele speciale geur. Dood is een droge lucht, angst een natte. Er zit veel leven in. Mijn baas hield er op een zeker moment gewoon mee op. Hij was er nog wel, hij zat gewoon in zijn stoel. Hij luisterde naar pianomuziek en vreemde vrouwenstemmen. Hij keek alleen nog maar naar buiten. Hij las niks meer. Ik kon uren bij hem op schoot liggen. Maar liever had-ie dat ik aan zijn voeten lag, op de schapenvacht die hij speciaal voor mij in zijn kantoor had gehaald. Uren achter elkaar zat hij helemaal roerloos, dichtgeklapt als een oester, voor zich uit te staren. In de vensterbank stond een schaal met koekjes en crackers en fruit, maar hij at niet. Zelfs drinken deed hij niet.

Na een paar dagen vond ik het eng worden. Het was alsof hij dood was, maar nog leefde. Ja. Anders kan ik het niet zeggen. Ik probeerde hem uit zijn stoel te krijgen. Dan ging ik piepend bij de deur staan. Alsof ik uit wilde. Of ik blafte heel hard als er op straat een scooter voorbijkwam. Maar hij reageerde nauwelijks, en bleef maar in zijn stoel zitten staren naar de bloemen van de hortensia die over hun hoogtepunt heen waren en langzaam begonnen te verdorren. Op de balkonnetjes van de achterburen gebeurde niets. Ik mocht niet in de vensterbank komen. Op de daken en in de tuinen achter ons wemelt het van de katten, en ik haat katten, behalve de kat die bij ons in huis woont. Zie ik er eentje, dan ga ik over de rooie en vliegt alles uit de vensterbank. Onze eigen kat is oké en daar kan ik ook goed mee keten. Echt zo’n poes die zich makkelijk op de kast laat krijgen. Maar alle andere katten, nee, brrrr. Nare beesten. Mensen denken dat katten bijzonder zijn, maar het zijn egoïstische, ijdele dieren. Ze kunnen niets en daar hebben ze een kunst van gemaakt. Geen dier heeft zo’n goede marketing als de poes.

De baas wist zich uit het dal te trekken. Hij kan heel sterk zijn. En heel boos. Deze keer was hij boos. Ik zag hem achter zijn computer zitten. Woest sloeg hij op de letters. Zijn hoofd hing tussen zijn schouders en hij knarste met zijn tanden. Hij keek naar zijn handen die het werk deden. Af en toe keek hij op naar het beeldscherm om te zien wat er stond. Ik lag naast hem op de grond. Ik kon af en toe mijn ogen dichtdoen. Dan gingen die vingers maar door op dat toetsenbord. Als hij stilviel en een tijdje niets had gedaan, tilde ik voorzichtig een ooglid op om te kijken wat er aan de hand was. ‘Ik heb je wel in de gaten, hoor’, zei hij op een gegeven moment tegen me. Ik deed tevreden mijn ogen dicht. Het was erg warm. Zo herinner ik me die tijd. Misschien was het wel helemaal niet warmer dan anders, maar deze zomer voelde het heter. We gingen weer voorzichtig uit, kleine rondjes liepen we. Hij liep gebogen, alsof hij heel zware dingen tilde. Soms zaten we aan het einde van de straat op een bankje aan het water. Er liggen daar een paar bootjes. Meestal hangen er zwervers rond. Als ze er niet waren, zaten wij er soms. Ik mocht dan naast hem op de bank zitten. ‘Daar zitten we dan’, zei hij. Ik had graag iets teruggezegd. Vlakbij, onder de bomen, was een hondenuitlaatstrook. Als er honden kwamen, blafte ik ze weg. Hij vond dat niet goed, maar ook weer wel. Hij wilde alleen zijn. ‘Hoe gaat het met me?’, vroeg hij aan mij. ‘Kom op, hoe gaat het?’ Ik kon alleen maar kwispelen. Dat snapte hij.

Er brak een andere tijd aan. De baas moest elke ochtend vroeg op en met de auto naar het ziekenhuis. De andere baas bracht hem eerst thee en wat te eten, nog in bed. Ik lag ook nog in bed. De baas kleedde zich daarna aan en ging weg. Het was buiten nog stil, de wereld was nog niet op gang gekomen. Boven in huis sliepen de kinderen nog. De poes kwam ook op het bed en ging dicht bij de andere baas liggen. Ik viel weer in slaap en droomde mijn hondendromen. Een uur later sloeg dan de deur en was de baas weer thuis. Hij dook meteen weer in bed, of we gingen een blokje om, of een stuk door het park. Hij floot af en toe een deuntje en had zijn ouderwetse, slingerende tred, al had ik natuurlijk best in de gaten dat het hem moeite kostte. Toen was hij weer ziek, ineens. Een gekke toestand. Hij voelde zich steeds beter, maar in het geheim wroette de ziekte in hem voort. Af en toe wordt het te zwaar. Dan trekt hij zich terug in zijn boeken, en zijn stilte. Hij moet over de toekomst denken, over de bazin en de kinderen. Over zijn werk. Ik weet niet goed wat ik moet doen. Een hond is ook maar een hond. De baas is onrustig, en hij zit stil in zijn stoel. De onrust is in zijn hoofd. Het gebeurt wel vaker dat hij ergens mee worstelt, dat steeds hetzelfde hem dwarszit en dat hij er niet uitkomt, maar dat hij het ook niet van zich af kan schudden. Wat dat betreft hebben wij honden het makkelijker, wij denken maar een klein beetje. Soms lijkt het juist alsof er een heleboel gedachten in zijn hoofd op elkaar botsen. Hoe zouden ze er trouwens uit zien, gedachten? Zelfs geleerde mensen weten dat volgens mij niet. Hoe dan ook, ze buitelen over elkaar heen, ik hoor het aan de gejaagde ademhaling van de baas. Ik zie dat zijn spieren gespannen zijn. Juist de spieren die hij niet zou moeten spannen – ik ben ook niet gek. Straks heeft hij last van zijn rug, krijgt hij nekpijn, moet hij liggen. Ik durf niet goed bij hem in de buurt te komen. Hij heeft zijn benen in de vensterbank liggen, ik kan zo bij hem op schoot springen. Hij weet dat ik dat wil. Al twee keer keek hij mijn kant op. Ik kan er ook niets aan doen dat ik het wil. Hij heeft een mooi pak aan, maar ik ben niet smerig. Hij zit te roken, dat is wel een probleem. Ik hou niet van rook. Mensen gaan er dood aan, dus waarom honden dan niet? Misschien wij wel eerder, al roken we dan niet zelf. Het zou mij niets verbazen. De meerokende hond. In Parijs reed ik met mijn baas eens langs een café dat ‘De rokende hond’ heette. Au chien qui fume. We waren bijna gestopt, maar nee, we moesten naar huis. Altijd naar huis, en altijd weer weg. Zo ken ik mijn baas. En niet zittend in een stoel, eigenlijk niet; hoewel ik er inmiddels wel aan gewend ben. En als hij niet rookt en niet in een onhandig boek bladert, mag ik altijd bij hem op schoot liggen. Ik vraag me dan weleens af hoe hij dat ervaart, en hoe hij denkt dat ik het ervaar.

Op de radio speelt een meisje prachtig viool. Als je mijn hondenjaren bij de jaren van de baas optelt halen we de honderd makkelijk. We zijn gelukkig met elkaar en met het huis om ons heen. Ik ben tenminste gelukkig. De baas ook wel, denk ik. Dat moet haast wel. Als de hond snort van tevredenheid, dan ben je als baas toch geslaagd?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.