'Midden-Europese presidenten hebben geen macht'

President Göncz, de Havel van Hongarije, neemt na tien jaar afscheid...

Van onze correspondent Michel Maas

Tien jaar waren genoeg om de Hongaarse economie te laten instorten, en vervolgens weer te laten opkrabbelen. Dat is het eerste wat Göncz te binnen schiet als hem wordt gevraagd wat hem in de tien jaar van zijn presidentschap het meest heeft verbaasd. Göncz is tevreden, al is hij de eerste om toe te geven dat hij als president niet veel heeft kunnen bijdragen aan dat Hongaarse wonder. Economie volgt haar eigen wetten, weet hij, en de feitelijke macht van een Midden-Europese president reikt sowieso niet erg ver.

'Midden-Europese presidenten hebben geen macht. Wat we wel hebben is moreel respect, we hebben gezag. De enige macht die we hebben dat zijn onze woorden.'

En de enige manier om gezag en een speciale positie te verwerven is: afstand te houden van wat zich in de regeringsgebouwen en het parlement afspeelt. Göncz: 'De afgelopen tien jaar hebben de presidenten in Midden-Europa goed geleerd zich niet met de dagelijkse politiek te bemoeien.'

Ook Göncz zelf deed dat zelden. Maar op cruciale momenten was hij er wel, vooral in de beginjaren vlak na de omwenteling van 1989. In oktober 1990 verbood hij het leger geweld te gebruiken tegen stakende taxi- en vrachtwagenchauffeurs, die het verkeer in Boedapest en de rest van Hongarije volledig hadden lamgelegd. Hij voorkwam bloedvergieten, maar zijn eigenmachtig ingrijpen was voor de regering aanleiding de macht van de president te beknotten en van het presidentschap een vooral ceremoniële functie te maken.

In 1990 verzette Göncz zich ook tegen het ontslag van de leiding van de Hongaarse radio en televisie. Hij dwarsboomde - met hulp van het Constitutionele Hof - lange tijd de vervanging van de radio- en tv-leiding door de rechtse regering-Antall die de berichtgeving niet 'Hongaars' genoeg vond. De regering verving later een aantal rechters in het Constitutionele Hof, en de president dolf ten slotte toch het onderspit. Maar Göncz' steun en zijn moreel gezag hielden het verzet bij de media zelf in leven, en ook het besef dat geen enkele regering zich met de vrije pers hoort te bemoeien.

Op 23 oktober 1992 werd Göncz (door de extreem-rechtse leider Istvan Csurka een 'joods-bolsjewistische marionet' genoemd) bij een herdenking van de slachtoffers van '1956' uitgejouwd door een menigte Hongaarse nationalisten. Hij stond daar, alleen, tegenover een vijandig plein. Verblind door schijnwerpers zag hij alleen maar zwart. Na korte tijd verliet hij, ongedeerd, het plein.

Dit soort gebeurtenissen hebben hem niet bang gemaakt voor het verschijnsel extreem-rechts. 'Ik ben bijna 79. Ik heb allerlei regimes meegemaakt. Dat van vóór de oorlog, de korte periode van fascisme in de Tweede Wereldoorlog, het drie jaar durende experiment met democratie, toen het stalinisme met al zijn kwalijke ingrediënten dat tot 1956 duurde, het paternalistische socialisme dat daarop volgde, de omwenteling en de economische ineenstorting. Al die periodes hebben iets achtergelaten, zoals de 'fallout' van een atoombom. Het zou naïef zijn te denken dat er helemaal niets van het gedachtegoed van die periodes zou overblijven. Zoals vorige week gebleken is in Duitsland, of in Italië, Frankrijk, Zwitserland, en nu Oostenrijk. Het is moeilijk een land te vinden zonder overblijfselen van het verleden. Wij in Hongarije hoeven wat dat betreft niet bezorgder te zijn dan andere landen. Maar ik wil ook niet zeggen dat ik mij nooit zorgen maak. Europa is veel lessen van de Tweede Wereldoorlog vergeten.'

Göncz werd in 1956 tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld voor zijn rol in de Hongaarse opstand. Bij een amnestie in 1963 werd hij vrijgelaten. Hij begon een carrière als vertaler en schrijver van toneelstukken en korte verhalen. Eind jaren tachtig werd hij voorzitter van de Hongaarse schrijversbond, en na de omwenteling werd hij eerst voorzitter van het parlement en korte tijd later werd hij voor de eerste keer gekozen tot president. Een levensloop die sterke overeenkomsten vertoont met die van collega-dissident en collega-toneelschrijver Vaclav Havel.

Maar in tegenstelling tot Havel was Arpad Göncz in het buitenland een grote onbekende. 'Havel was de ''ster-president''. Bij mijn eerste bezoek aan Amerika kende iedereen hem, maar niemand wist wie ik was. Tot een journalist bedacht dat ik ''De Havel van Hongarije'' was. Daar was ik hem heel dankbaar voor. Al zou het natuurlijk nog veel aardiger zijn als ze Havel de ''Göncz van Tsjecho-Slowakije'' hadden genoemd. . .'

Met Göncz vertrekt de op-een-na-laatste intellectueel in de Midden-Europese politiek. Als straks ook Havel vertrokken is, zijn er geen dichters meer over, alleen nog beroepspolitici. Maar Göncz wil dat onderscheid niet zo zwaar laten wegen. 'De laatste 250 jaar is het belangrijkste onderwerp van de Oost- en Midden-Europese literatuur de verhouding tussen de macht en de mens geweest. De rol van de schrijver kwam daarmee altijd al heel dicht bij de rol van de politicus. Schrijvers bedreven de politiek buiten de machtsorganen, zij bedreven politiek in naam van het volk.' Datzelfde doen zij nu ook als president. 'Wij verwoorden de moraal en de verwachtingen van het volk.'

In juni loopt zijn ambtstermijn af. 'Ik tel de dagen af', bekent hij. Hij verlangt naar de rust en bereidt zich voor op de vergetelheid: 'De wereld is aan zijn aanwezigheid gewend geraakt en zal er net zo gemakkelijk aan wennen dat ik er niet meer ben. Over vijftig jaar zal mijn naam niet eens in de geschiedenisboeken staan. Niemand zal meer weten wie ik was.' Göncz zegt het zonder spijt. Hij geeft alleen antwoord op de vraag hoe hij het liefst herinnerd wil worden. Een vraag die hij zichzelf nog nooit heeft gesteld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden