ReportageCorona en toerisme

Mevrouw Prom leeft weer van visresten stampen − hoe toerisme in een Cambodjaans vissersdorp net zo snel verdween als het opkwam

Europese toeristenbestemmingen kleuren langzaam geel: veilig. Maar overzeese vakantieparadijzen staan vanwege corona waarschijnlijk nog een zomer leeg. Wil Thijssen versloeg sinds 2010 de opkomst van het toerisme in Cambodja, en hoort dat de eerste pensionhoudster van Kampong Khleang na topjaren weer terug bij af is.

Het dorp Kampong Khleang in het Tonlé Sapmeer. Beeld Wil Thijssen
Het dorp Kampong Khleang in het Tonlé Sapmeer.Beeld Wil Thijssen

Als ik de trap naar de veranda van het eerste pension van Kampong Khleang beklim, begint een 5-jarig jochie van schrik te gillen. Hij grijpt er zijn beide oren bij vast. ‘Hij denkt dat jij een geest bent’, zegt mijn tolk. De eigenares van het pension komt toegesneld en geeft het kind een mep. ‘Je bent mijn eerste klant’, reageert ze verheugd. ‘Ik dank de goden dat jij hier blijft slapen.’

Het is 2010 als mevrouw Prom trots haar logeerkamertje laat zien. Mieren en torretjes marcheren in optocht over het juten matras. Boven het zelfgetimmerde bed hangt een doorbuigende plank waaraan spinrag bungelt in lange zwarte slierten. Op de plank staat een druipkaars. In haar huis is geen elektriciteit, en ook geen waterleiding. Rond een hurk-wc’tje staan kruiken met rivierwater om mee door te spoelen en te wassen.

Mevrouw Prom weet nog weinig van toeristen. Ze wacht al op ze sinds 2008, het jaar waarin het toerisme nergens sneller groeit dan in Cambodja, en haar dorp tot ecotoerismebestemming wordt bestempeld.

Van familie leende ze geld om als eerste in Kampong Khleang een logeerhuis te beginnen. Zolang ze wacht op toeristen, leeft ze van de visvangst, net als iedereen. Als maker van prahok, traditionele Cambodjaanse viskaas, stampt ze met haar blote voeten in het haventje bergen visresten fijn. Ze houdt niet van haar werk; haar voeten ruiken altijd naar vis, hoe hard ze die ook wast, vertelt ze.

Kampong Khleang is in 2010 een idyllisch vissersdorp van houten huizen op hoge palen in het Tonlé Sapmeer. Het ligt erg geïsoleerd en de bewoners zijn er blijven geloven in goede goden en kwade geesten die ze met rituelen behagen of bezweren. Talismannen en wierokende huisaltaartjes geven de enclave iets mystieks, meldt de folder die het districtsbestuur verspreidt. Soortgelijke vissersdorpjes zijn al helemaal toeristisch geworden, en net als mevrouw Prom verwacht ik dat toeristen op een dag ook Kampong Khleang zullen ontdekken. Om die metamorfose voor de Volkskrant te beschrijven, keer ik ieder jaar terug, tien jaar lang - onlangs bracht ik mijn ervaringen samen in het boek Wandola - Hoe Boeddha verdwijnt uit Cambodja.

Die eerste nacht klinkt in het logeerkamertje het geluid van krekels, gamelanmuziek, een kwakende gekko, klotsende roeiboten van illegale vissers, kraaiende hanen en trippelende pootjes over de vloer en op het dak. ‘s Ochtends zingen monniken in de pagode aan de overzijde van de ophaalbrug de opkomende zon tegemoet.

Ook mevrouw Prom, een doortastende ondernemer, bidt en offert dagelijks vele malen knielend voor het boeddhabeeldje in het huisaltaar op haar veranda, samen met haar inwonende moeder Vaan en het geestvrezende neefje Bol. Als assistent van het dorpshoofd organiseert ze jaarlijks de geestenceremonie, het heiligste ritueel dat de kampong kent. Op de dijk achter haar huis liggen van riet gevlochten matten waarop zo’n vijftig huisaltaartjes zijn verzameld. Eromheen, op de lemen aarde en op de trappen naar de hoge veranda’s, zitten honderden Khleangers te wachten op zonsondergang. Monniken chanten en alle omstanders zingen mee. In de collectieve feestroes die ontstaat, lijkt iedereen gelukkig – met gebeden en het offeren van geld, rijst en bloemen zijn de dorpelingen het komende jaar verzekerd van geluk en voorspoed in heel Kampong Khleang.

2011

Mevrouw Prom krijgt in het voorjaar belangrijk bezoek. Een reisagent vaart onaangekondigd naar haar huis. ‘Zou je voor toeristen willen koken?’, vraagt de man. Dat wil ze zeker. ‘Dan moet je bestek, een zit-wc en een hardhouten tafel met stoelen aanschaffen,’ gebiedt hij, ‘want toeristen eten niet met stokjes en zitten niet graag op de grond.’ Ook moet ze voortaan alle etenswaren wassen met water uit plastic flessen, en niet uit de rivier.

Met een lening bij de Asian Development Bank, de ADB, laat mevrouw Prom voor de nieuwe wc zelfs een cementen vloertje in de wasplaats storten. Ze kookt het voorgeschreven menu – vissoep, vis met gebakken groenten in mangosaus en gezoete garnalen na – op de vuurstoof in haar keukentje, en laat gasten voor 3 dollar per persoon eten op haar veranda. In de rivier koelt ze flessen cola en Angkor-bier. Elke maand, soms zelfs wekelijks, komt de reisagent met groepjes toeristen op bezoek. Ze noteert hun nationaliteiten en haar inkomsten in een Mickey Mouse-schriftje, en besluit na een halfjaar te stoppen met het fijnstampen en verkopen van viskaas. Ze heeft het druk.

Drie vissers zijn intussen met vissen gestopt om in hun huizen ook maaltijden voor lunchende toeristen te koken. ‘Dat is heel fijn,’ vindt mevrouw Prom, ‘want als ik vol zit, stuur ik de reisagenten met hun gasten naar mijn collega’s door, en zij doen hetzelfde met mij.’ Er wordt goed samengewerkt, in de nieuwe industrie.

In mevrouw Proms logeerkamer is de druipkaars vervangen door een olielamp, ernaast hangt een spiegel. De spinnenwebben zijn weg. Het juten matras heeft plaatsgemaakt voor een groot stuk schuimrubber, met daaromheen een frisgewassen laken.

Op een nacht overstemt het gegil van een vrouw de gebruikelijke dierengeluiden. De gil wordt gevolgd door het schreeuwen van een man. Ze hebben ruzie. Dingen lijken kapot te vallen, of worden stukgesmeten. De vrouw huilt – het is in de logeerkamer goed te horen. Als de nachten daarop de ruzies aanhouden, vertelt mevrouw Prom beschaamd dat meneer Hok aan rijstwijn verslaafd is. ‘Zodra hij geld heeft verdiend, gaat hij rijstwijn drinken en wordt hij dronken en agressief. Dan slaat hij Koemlang, zijn vrouw. Dat is al jaren aan de gang.’

Op de vraag waarom Koemlang niet gaat scheiden, geeft mevrouw Prom een verbijsterend antwoord. ‘Iedereen wordt gestraft voor z’n fouten in het verleden’, zegt ze. ‘Koemlang weet zelf ook dat ze in een vorig leven iemand iets verschrikkelijks heeft aangedaan.’

Mevrouw Prom gaat boodschappen doen. Beeld Wil Thijssen
Mevrouw Prom gaat boodschappen doen.Beeld Wil Thijssen

2014

Als de Chinese president Xi Jinping de banden met de Cambodjaanse premier Hun Sen stevig aanhaalt, komen er rechtstreekse vluchten vanuit Beijing op de nabijgelegen stad Siem Reap, en volgt een toevloed aan Chinese toeristen. Mevrouw Prom heeft een hekel aan ze, zegt ze onomwonden. ‘Ze vinden alles te duur, ze zijn respectloos, ze kijken neer op Cambodjanen en spugen op de vloer in plaats van in het water.’

Maar ze komen steeds in vijftigtallen en brengen veel geld naar Kampong Khleang. Zo veel, dat de houten toeristensloepen tot dubbeldeks boten worden omgebouwd en van de toeristenbelasting twee jaar later elektriciteit in het dorp kan worden aangelegd.

Twee jaar later worden vanaf het vasteland stroomkabels via betonnen masten en rondhouten palen doorgetrokken naar het kleine dorpje in het grote meer. Overal brandt nu TL-verlichting en zwart-wit-tv’tjes schetteren tot diep in de nacht. Kinderen vlechten naaigaren tot armbandjes en riet tot minivissen, die ze verkopen als souvenir. Het jaar erop loopt ineens iedereen met een mobieltje van Chinese makelij – twee armbandjes leveren een simkaart op.

De nieuwe rijkdom strekt zich ook uit tot het water. Veel houten sloepen worden vervangen door polyester boten met lawaaiige buitenboordmotoren. ‘s Nachts klinken de illegale vissers nu als loeiende ambulances in een drukke stad.

Kampong Khleang telt inmiddels meer dan tien pensions. Om de concurrentie beter aan te kunnen, heeft mevrouw Prom haar veranda verbreed. Op haar buitenrestaurant passen nu twee hardhouten tafels. Tegen het altaar op de veranda leunt een polyester kajak die op z’n zijkant ligt. De bijbehorende peddel ligt half op het hoofd van Boeddha.

De kajak is van de toeristenorganisatie Indo Chine Ex. ‘Nu kunnen toeristen ook een stukje varen als ze komen lunchen’, had de eigenaar gezegd. Mevrouw Prom stapt eroverheen en toont trots het elektriciteitskastje op haar houten buitenmuur, waarop zeven kleine schakelaars zitten.

Op de dijk klinkt een nieuw woord. ‘Wandola!’, roept een kind, een peuter nog, terwijl het zijn armpje uitstrekt. Één dollar! Hij bedelt. Het nieuwe woord klinkt ineens overal.

2019

Welvaart verdrijft het isolement van Kampong Khleang, en neemt de goden met zich mee.

‘Mensen geloven niet meer zo in geesten’, verklaart mevrouw Prom de afgeschafte geestenceremonie. Gasten kunnen bij haar reserveren op een website: het internet heeft de kampong op de wereld aangesloten. Op de veranda liggen nu drie kajaks, het altaartje is verdwenen.

In de woonkamer liggen tien matrassen opgestapeld. Mevrouw Prom kan inmiddels groepen tot dertig toeristen herbergen; bij Ang, de achterbuurvrouw, wier huis met een loopplank aan dat van haar is verbonden, liggen er nog eens vijf. De matrassen zijn geschikt voor twee personen en meer dan tien centimeter dik, want dat heeft de reisagent bedongen. Van een nieuwe lening bij de ADB heeft ze ook een koelkast aangeschaft, dan hoeft ze de flessen Angkor-bier niet meer uit de rivier naar boven te tillen. De prijs voor een maaltijd is verdubbeld naar 10 dollar, een overnachting kost ‘slechts 8, exclusief ontbijt’, meldt haar website. De vuurstoof in het keukentje heeft plaatsgemaakt voor twee elektrische kookplaten en naast de zit-wc hangt, afgeschermd met een sarong, een urinoir. ‘Want toeristen houden niet van wachten.’

De nieuwe industrie heeft haar dorp veel goeds gebracht, vertelt mevrouw Prom op een avond aan de thee op haar veranda. Haar schulden bij de bank en bij familieleden zijn hoog, maar haar inkomsten ook. ‘En daarvan onderhoud ik verschillende familieleden.’ En ze heeft goed nieuws over Koemlang. Na een dorpsvergadering hebben de pensioneigenaren besloten dat ze bij meneer Hok weg moet gaan, ‘want de ruzies zijn een schandvlek in het dorp’. Koemlang heeft zich op het vasteland gevestigd en zorgt nu voor de kinderen van een huisarts. Volgens de laatste berichten, zegt mevrouw Prom, is ze heel gelukkig.

Kampong Khleang.  Beeld Pauline Niks
Kampong Khleang.Beeld Pauline Niks

2020

Het coronavirus uit China gaat op reis en zwerft, net als toeristen, over de wereld. Mensen worden ziek, grenzen gaan op slot. Mevrouw Prom laat deze week via Skype weten dat ze kort voor het jaareinde haar laatste toerist heeft ontvangen. Haar schulden zijn torenhoog, haar inkomsten drogen op. Haar zus Pao, die souvenirs verkoopt in een hotel in de stad, is met haar dochter in de logeerkamer getrokken, nu ze zonder werk zit. Onder klamboes in de woonkamer slapen ook andere familieleden, om dezelfde reden, op de matrassen waarvoor ze mevrouw Prom geld hadden geleend.

Net zo snel als het toerisme opkwam, verdwijnt het weer uit het feeërieke dorp. ‘Mijn collega’s gaan weer vissen’, zegt mevrouw Prom misnoegd. ‘Ook zij hebben diepe schulden.’

Zelf heeft ze, noodgedwongen, haar oude beroep weer opgepakt. Met blote voeten stampt ze visresten fijn tot smeerbare viskaas in het haventje van Kampong Khleang. De vislucht blijft aan haar voeten hangen, hoe hard ze die ook wast. Haar veranda is leeg, de kajaks zijn verdwenen.

Wandola – Hoe Boeddha verdwijnt uit Cambodja van Wil Thijssen is deze maand verschenen bij Prometheus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden